Het leed van midsize Nederland

Groeikernen, krimpgemeenten en nepsteden

De ruimtelijke tweedeling in Nederland neemt toe. Waar de ene stad successen viert, zoekt de andere wanhopig naar bestaansrecht. De roep om een regisserende rol van het rijk wordt sterker, maar in Den Haag blijft het stil.

Onder een strakblauwe winterlucht ligt de haven van Almere er verlaten bij. De etablissementen aan de Sluiskade zijn zo goed als leeg, op het water gebeurt niets, een enkeling struint voorbij. Aan het raam van een appartement op de eerste verdieping van een torenvormig complex hangt een ‘te koop’-bord. Drie kamers, 107 vierkante meter, vrij uitzicht over de haven en het Gooimeer en een balkon aan het water, vraagprijs 219.000 euro. Het complex werd gebouwd aan het einde van de jaren tachtig, in de periode dat Almere leek af te stevenen op een toppositie in het landschap van Nederlandse steden. De stad was groen en ruim, met volop moderne gezinswoningen, ideaal voor de auto en gelegen op een steenworp afstand van Amsterdam. Een suburbane idylle, tot in detail uitgedacht aan de tekentafels van provincie- en rijksdiensten. Terwijl de oude steden verpauperden, bood Almere net als de andere new towns en groeikernen in het land uitkomst voor de nieuwe, welvarende Hollandse middenklasse.

Medium beeldunie 00110362
Het opnieuw geopende winkelcentrum in Almere. Het was afgesloten door een constructiefout in een van de woontorens. Lunchen op het terras van V&D © Inge van Mill / De Beeldunie

‘De suburbane steden die uit de grond werden gestampt in de jaren zeventig en tachtig boden wel de voordelen, maar niet de nadelen van de grote stad’, aldus Joks Janssen, hoogleraar ruimtelijke planning aan Wageningen University. Wel een groot aanbod van winkels, scholen, zorginstellingen, sportclubs, culturele voorzieningen en horeca, maar geen verkrottende woningen, junks, vervuilde lucht en vieze straten. De gedachte dat het tijdperk van de oude steden met hun nauwe straten voorbij was en de toekomst lag in de ruimtelijke, suburbane stad was wijdverspreid. In de Verenigde Staten schoten de suburbs als paddenstoelen uit de grond en ook in andere westerse landen werd op grote schaal gebouwd op nieuwe, frisse locaties.

Door de opkomst van de auto werd het voor grote delen van de bevolking mogelijk om te wonen en te werken op twee verschillende plekken. Forensen was een nieuwe manier van leven, een luxe voor gezinnen die het zich konden permitteren om de stad te verlaten. Net als andere nieuwe steden als Lelystad, Purmerend, Zoetermeer en Nieuwegein groeide Almere snel. Tien jaar na de oplevering van de eerste woning in Almere Haven (toen nog Almerehaven) telde de stad meer dan veertigduizend inwoners; in 1995 waren het er meer dan honderdduizend en inmiddels is de magische grens van tweehonderdduizend bijna bereikt. Een aantal dat in de buurt begint te komen bij de geraamde 250.000 uit de oorspronkelijke plannen voor de grootste stad van de Flevopolder.

Maar toch lijkt Almere maar weinig op de stad die men ooit voor ogen had. Het beeld van de suburbane idylle is inmiddels vervangen door dat van een worstelende stad, die nooit aan de verwachtingen heeft kunnen voldoen. De werkloosheid is hoog, het gemiddelde inkomen is laag, het leefklimaat valt tegen, woningprijzen zijn laag en de onvrede is groot. Al jaren behalen de protestpartijen pvv, Leefbaar Almere en SP grote uitslagen bij verkiezingen. In de gemeenteraad is de pvv de grootste partij, bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 2012 eindigden pvv en SP op de tweede en derde plaats achter de vvd. Waar de pvda bij de eerste raadsverkiezingen in 1984 veruit de grootste was, met tien van de 23 zetels, is de partij nu niet meer dan een bescheiden middenmoter met slechts vijf van de 39 zetels. Zoals de partij ook in andere groeikernen en new towns uit de gratie raakte.

‘Nepsteden’, noemt Zef Hemel, bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam, deze producten van de sociaal-democratische planning uit de vorige eeuw. De afkeer is van zijn gezicht te lezen als hij praat over het antistedelijke beleid van de rijksoverheid in de naoorlogse periode. Het idee dat een stad vanuit het niets kan worden opgebouwd is vragen om ellende, zegt hij. ‘Natuurlijk zijn mensen in Almere boos en teleurgesteld.’ Ze zijn het slachtoffer van valse beloftes van een beter leven. Weggelokt uit Amsterdam, verleid met een betaalbare doorzonwoning en een auto voor de deur staan ze nu aan de zijlijn toe te kijken, terwijl de hoofdstad economische hoogtijdagen beleeft en hun oude huizen worden bewoond door yuppen, intellectuelen en hipsters.

‘De echte problematiek zit in het midden’, zegt Joks Janssen. ‘In het debat over de tegenstellingen tussen stad en land, kansrijk en kansarm gaat het altijd over de groeiende stad en de krimpende periferie.’ Het zijn ook de vertegenwoordigers van deze twee groepen die aan tafel zitten bij de minister, die de weg naar Den Haag weten te vinden. ‘Terwijl middelgrote steden als Almere en Zoetermeer, maar ook Hengelo en Schiedam, lijken te worden vergeten.’

Het gaat om steden die groot zijn geworden in de jaren zestig en zeventig, met veel babyboomers, comfortabele woonmilieus en de nodige voorzieningen. Nu kampen ze met krimpende werkgelegenheid, hoger opgeleide jongeren die wegtrekken, winkelstraten die leeglopen en een afnemend niveau van culturele en zorgvoorzieningen. Inmiddels worden hier wel de nadelen maar niet de voordelen van de stad ervaren en is het onduidelijk wat er moet gebeuren om het tij te keren. ‘Deze steden hebben geen vanzelfsprekend ontwikkelperspectief’, zegt Janssen subtiel. Het huidige rijksbeleid dwingt steden en regio’s zelf te zoeken naar economische mogelijkheden. ‘Maar dat is niet altijd even makkelijk’, aldus Janssen.

Wat gebeurt er als je veertig jaar lang landelijk ruimtelijk beleid tot in de puntjes uitstippelt, zoekend naar de eerlijkste verdeling van kansen, om vervolgens alles los te laten en over te stappen op het recht van de sterkste? Er ontstaat veel frustratie. Waar Hemel wijst naar het falende spreidingsbeleid van nepsteden en kunstmatige economische plattelandsontwikkeling, wijst Janssen op de desastreuze gevolgen van 25 jaar neoliberaal beleid: ‘De afgelopen decennia stonden in het teken van sterker maken wat sterk is. Dat noem ik de afdeling makkelijke oplossingen. Het is geen antwoord op de toenemende tweedeling.’

Hemel is juist gepikeerd over het feit dat er in Den Haag nog altijd met argwaan naar Amsterdam wordt gekeken en dat de kracht van de stad niet wordt versterkt, maar wordt ondermijnd. ‘Er wordt beleid gevoerd alsof we nog altijd in de wederopbouw zitten. Eerlijk delen, spreiden. Terwijl de stad moet groeien.’ Hoe groter de arbeidspopulatie, des te groter de aantrekkingskracht op bedrijven. En hoe beter de carrièremogelijkheden, des te sterker de aantrekkingskracht op nieuwe arbeidskrachten. Wil Amsterdam mee blijven doen in de internationale strijd tussen steden, dan zal het snel moeten groeien, aldus Hemel. Van die snelle groei zal in zijn ogen niet alleen Amsterdam profiteren, maar het hele land. ‘Maar dat mag niet. Dat is zielig voor de rest.’

Een jonge vrouw struint onder de heldere winterlucht boven de Flevopolder met haar hond over het Almeerderstrand. Ze passeert een hindoestaanse familie, die aan de waterkant ceremonieel afscheid neemt van een geliefde, loopt richting de jachthaven en gaat zitten op een steigerhouten bank bij de Steel Creek Beach Grill. Vandaar kijkt ze uit over het kraakheldere water van het IJmeer. Een kite-surfer die zijn rondjes maakt, een zeilbootje dat uitvaart, in de verte het puntje van de nieuwe spoorbrug bij Muiderberg en op de achtergrond het geluid van de auto’s op de verdubbelde snelweg A6.

‘De afgelopen decennia stonden in het teken van sterker maken wat sterk is – de makkelijke oplossing’

Het is precies het idyllische plaatje dat vastgoedontwikkelaar Amvest voor ogen had toen hij besloot tot de aanleg van nieuwbouwwijk Almere Duin: eengezinswoningen en appartementen van hoge kwaliteit, in een nieuw aangelegd duinlandschap onder de rook van Amsterdam. Met veertigduizend vrachtwagenladingen zand uit het IJsselmeer werd een geheel nieuw duinlandschap gecreëerd. En dat is niet alles: er zijn strandtenten, er is een jachthaven en er komt een boulevard om te flaneren.

‘In Almere moet je juist kwalitatief hoogwaardige woningen en woonmilieus bouwen’, zegt Wienke Bodewes, directeur van ontwikkelaar Amvest. Vanuit zijn kantoor op de achtste verdieping in Amsterdam-Zuidoost kan hij de nieuwe wijk met helder weer bijna zien liggen. Hemelsbreed is de afstand iets meer dan dertien kilometer. Een kippenendje. Niet voor niets gingen de woningen in Almere Duin als warme broodjes over de toonbank. Voor de gezinswoningen werden bedragen tussen 200.000 en 450.000 euro betaald, de appartementen hebben een huurprijs van zo’n achthonderd euro. Het overgrote deel van de nieuwe bewoners kwam van het ‘vasteland’, een flink deel uit Amsterdam. In tegenstelling tot de meer gangbare verhuistrend tussen Amsterdam en Almere ging het deze keer niet om lage inkomens, maar vooral ook om middeninkomens. ‘De locatie, direct aan de andere kant van het water, leent zich daarvoor’, legt Bodewes uit.

Zeker na de verbreding van de A6 en de verhoogde treinfrequentie tussen de twee steden is de afstand tot Amsterdam klein. Twintig minuten met de auto, 24 minuten met de trein vanaf station Almere Poort; korter dan de rit met tram 26 van de uiterste punt van IJburg naar Amsterdam Centraal. Bovendien liggen ook Schiphol en Utrecht om de hoek. Het maakt van Almere Duin een bijzonder strategische uitvalsbasis, met goede toegang tot ruim 1,6 miljoen banen en de vele winkels, restaurants, musea, theaters en onderwijs- en zorginstellingen in de regio’s Amsterdam en Utrecht. ‘De dynamiek in Nederland neemt toe’, zegt Bodewes. ‘Het leven van mensen speelt zich niet af in een stad of in een dorp, maar binnen een regio.’

Het is de grote kunst om die regio’s zo goed mogelijk te laten functioneren als een geïntegreerd systeem. Binnen de regio fungeert de grote stad als economische motor, de rest als aantrekkelijke plek om te wonen en voor kleinere, meer gespecialiseerde economische clusters. In regio’s waar niet één dominante stad is, is het zoeken naar een slimme verdeling van functies, mogelijkheden en beperkingen. Maar dat is niet wat er nu gebeurt. Sinds de decentralisatie van de ruimtelijke ordening en het ontbreken van landelijk beleid, of op z’n minst een landelijke visie, neemt de concurrentie tussen gemeenten toe. Er wordt niet samengewerkt, maar gevochten om dezelfde mensen, bedrijven en voorzieningen.

Dat proces is versterkt door het gedachtegoed van de Amerikaanse geograaf Richard Florida, auteur van The Rise of the Creative Class. Florida betoogde in 2002 en tijdens de optredens die volgden dat iedere stad moest streven naar een aantrekkelijk woonklimaat dat aansloot bij de wensen van de creatieve kenniswerker. Die wilde mooie woningen, theaters, leuke winkels, bibliotheken en horeca. Achteraf gezien was het naïef om niet te voorzien dat een groot deel van de steden ondanks de bouw van een nieuw theater alsnog achter het net zou vissen. De wereld is complexer dan Florida wilde zien, maar daarnaast is er sneller dan verwacht een scheiding ontstaan tussen populaire en impopulaire steden. De bevolkingsgroei van steden als Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Utrecht overtreft zelfs de stoutste verwachtingen uit 2009, terwijl bijvoorbeeld Emmen, Heerlen, Hilversum en Spijkenisse het aanzienlijk moeilijker hebben dan vijftien jaar geleden werd verwacht.

Medium hh 42794603
De binnenstad van Schiedam © Jan de Groen / HH

Waar Florida ervan uitging dat het faciliteren van de creatieve kenniswerker niet alleen grote steden maar ook middelgrote steden verder zou helpen, blijkt de creative class gefixeerd te zijn op de mogelijkheden en de lifestyle van de grote stad. Ze woont liever op dertig vierkante meter op een zolder in Amsterdam dan in een huis met een tuin in Hoofddorp. Het economisch onderzoeksbureau van de Rabobank publiceerde in februari 2016 een onderzoek met de veelzeggende titel Oplichtende en uitdovende sterren: Nederlandse steden in perspectief. Hierin schetst het een beeld van een segregerend land: slechts in tien procent van de gemeenten is sprake van een stedelijk karakter qua bevolkingssamenstelling en -dynamiek. ‘Deze gemeenten zijn jonge en allochtone eilanden in een overwegend vergrijzend en autochtoon Nederland.’ Naast de succesvolle stedelijke gemeenten maakt RaboResearch onderscheid tussen prettige woongemeenten, zoals Houten, Weesp en Veenendaal die een flinke groei doormaken, en voormalige plattelandsgemeenten als Assen, Bergen op Zoom en Katwijk, die geleidelijk ‘uitdoven’. Naast het succes van ‘hyperreus’ Amsterdam staat dat van kleine, autarkische, idyllische gemeenten als Urk, de Waddeneilanden en Giessenlanden, waar de huizenprijzen hoog zijn en de mensen gelukkig.

Het leidt tot onwenselijk grote druk en prijsstijgingen in de succesvolle steden en dorpen, met verdringing en uitstoting tot gevolg, en tot machteloosheid bij de gemeenten die niet kunnen aanhaken. Er wordt een Mattheüs-effect zichtbaar: de steden en regio’s die het goed doen, krijgen meer en groeien harder dan de kansarme regio’s die het moeilijker hebben. In april verschijnt het nieuwste boek van Florida, The New Urban Crisis, met als ondertitel ‘Hoe onze steden ongelijkheid vergroten, tweedeling versterken en de middenklasse in de steek laten en wat we daaraan kunnen doen’. In de aankondigingsvideo zegt Florida: ‘Niets had me kunnen voorbereiden op de uitdagingen waar onze steden vandaag voor staan. Enerzijds de gentrification en hypergentrification in steden als New York, Los Angeles, San Francisco en Londen, waar de ultrarijken hele buurten opkopen. Anderzijds de voormalige rustbelt-steden, die er niet in slagen een nieuwe weg naar succes te vinden.’ Florida belooft ons in zijn boek te verrassen met een lijstje van zeven punten waarmee we de problemen kunnen oplossen.

Joks Janssen reageert sceptisch op het verwachte boek van Florida: ‘Ik weet niet of uitgerekend hij de juiste persoon is om de huidige problemen in de steden te adresseren of om met oplossingen te komen.’ Velen zien de Amerikaan als een van de intellectuele inspiratoren achter de toegenomen tweedeling tussen kansrijke en kansarme dorpen en steden in de wereld. Als een symbool voor een neoliberale kijk op ruimtelijk economisch beleid: vergroot de kansen van de kansrijken, dan komt het met de kansarmen ook wel goed. Een trickle down-effect zou ervoor zorgen dat de economische groei en verhoogde arbeidsproductiviteit in de steden ten goede zouden komen aan de gehele bevolking. Niets bleek minder waar.

‘De trickle down-gedachte was 25 jaar geleden ook het motief achter het nieuwe economisch beleid in Nederland’, zegt Janssen. ‘Inzetten op de sterke kanten in plaats van het versterken van de zwakke plekken.’ Op zich was dat geen vreemde reactie na het falende economische spreidingsbeleid van de jaren zestig en zeventig. Het verhuizen van rijksdiensten naar Leeuwarden, Apeldoorn, Zwolle, Maastricht, Emmen en andere steden bleek niet het gewenste effect op de plaatselijke economie te hebben. In plaats daarvan kwam het adagium dat iedere stedelijke regio het zelf moest zien op te lossen en het rijk zou investeren in de plekken waar het meest te halen viel. Het aanwijzen van 81 Vinexwijken, het uitbreiden van Schiphol en de aanleg van de hsl en de Betuwelijn waren ruim 25 jaar geleden de laatste tekenen van een nationale visie op de ruimtelijk economische toekomst van Nederland.

Ontwikkeling vindt niet meer plaats op locaties met grondstoffen of een haven, maar langs snelwegen

‘Je ziet dat er een groot verschil is ontstaan tussen regio’s met veel banengroei, regio’s die stabiel zijn gebleven en regio’s die afzakken’, zegt Otto Raspe, onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving. Niet alleen Amsterdam is een groeiende banenmotor, dat geldt ook voor bijvoorbeeld Utrecht, een aantal Brabantse steden en het hele gebied rondom de A2 tussen Amsterdam en Eindhoven. Economische ontwikkeling vindt niet meer plaats op locaties met specifieke grondstoffen of een haven, maar langs belangrijke snelwegen en bij knooppunten.

Het is een bevinding die werd bevestigd in het onderzoeksrapport Veranderende geografie van Nederland van hoogleraar economische geografie Pieter Tordoir. Het is een logisch gevolg van de intensieve contacten die nodig zijn in de kenniseconomie en van het feit dat de banengroei in succesvolle stedelijke regio’s vraagt om een groot arbeidspotentieel. Hoe meer mensen er wonen binnen een uur reisafstand, hoe groter de agglomeratiekracht van een stedelijke of regionale economie. Hoewel het onderzoek van Tordoir werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken is er vooralsnog weinig met de kennis gedaan.

‘De interactie tussen de verschillende steden moet beter worden gefaciliteerd’, zegt Raspe. De reistijden moeten korter. Juist voor de middelgrote steden, die steeds meer zijn aangewezen op de economische dynamiek in de grote steden, kan dit doorslaggevend zijn. Om aan te haken bij de plekken waar de economie wel groeit, moet de psychologische afstand kleiner worden. ‘Dat zit niet in een extra strook op de A2. Er moet een fijnmazig netwerk komen van verschillende vervoerssoorten, zodat je veel makkelijker vanuit Zaandam op de Zuidas bent. Of vanuit Hilversum in Utrecht’, aldus Raspe. ‘Daarvoor is landelijk beleid nodig.’

De verbrokkelde oude structuren en de grote diversiteit van problemen in verschillende delen van het land leiden tot een toenemende roep om regie vanuit Den Haag. In juni 2016 pleitte belangenbehartiger neprom van projectontwikkelaars openlijk voor meer betrokkenheid en regie van de minister. ‘Wat je zou willen is een inspirerend beeld van waar we met z’n allen naartoe moeten. Daar hebben we het rijk bij nodig’, zei voorzitter Bert van Breukelen in Het Financieele Dagblad. Een week later reageerde voormalig pvda-politicus Jacques Wallage in dezelfde krant met de opmerking dat hij weliswaar een groot voorstander is van decentralisatie, maar, voegde hij daaraan toe: ‘Ons land is simpelweg te klein, de opeenhoping van activiteiten in het westen te groot en de krimp elders te risicovol, om in Den Haag de handen van de ruimtelijke ordening af te trekken.’

Ook tijdens de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam, afgelopen zomer, was er veel aandacht voor de gevaren van de terugtrekkende overheid en van de dominantie van het neoliberale denken. Hoofdcurator Maarten Hajer riep de overheid op om een lange-termijnmissie te formuleren, die richting geeft aan alle partijen en burgers die betrokken zijn bij de ontwikkeling van Nederland.

Vergelijkbare geluiden klinken in krimpgemeenten waar bestuurders en bewoners tegen de stroom in proberen een positieve draai te geven aan de dalende bevolking en verdwijnende voorzieningen, terwijl het rijk de vinger op de knip houdt en geld voor de sloop van verouderde woningen ontbreekt. In Groningen, Arnhem en Eindhoven wordt al jaren gehoopt op snellere treinverbindingen om de bereikbaarheid van de Randstad en economische regio’s over de grens te verbeteren en zo de positie in het internationale economische netwerk te versterken. Zoetermeer en Nieuwegein worstelen met grote sociale problemen, veel onzekere werkenden, een oververtegenwoordiging van laaggeschoolde arbeidskrachten en een verouderde woningvoorraad. ‘Het is een illusie dat deze steden de achteruitgang zonder hulp kunnen keren’, zegt Janssen.

Maar ook in Amsterdam wacht wethouder Laurens Ivens op een gebaar uit Den Haag. ‘Minister Plasterk zegt dat de steden de motoren van de economie zijn en dat er grootstedelijke milieus moeten worden bijgebouwd om de snel groeiende bevolking te accommoderen, maar dat gaat niet vanzelf. Als hij meent wat hij zegt, zal het rijk ook iets moeten doen.’ Ivens doelt op bijdragen om de woningbouwproductie in de stad te versnellen en te investeren in betere verbindingen in de stad, maar vooral ook tussen Amsterdam en omliggende gemeenten. De stad wil de Noord/Zuidlijn graag noordwaarts doortrekken naar Zaandam en Purmerend en zuidwaarts naar Schiphol. Niet alleen verlicht het de druk op de Amsterdamse woningmarkt, het biedt ook nieuwe perspectieven voor de rest van de regio.

Hoewel Zef Hemel weinig ziet in een uitgestrekte stedelijke regio is hij het eens met de oproep aan Den Haag om een keuze te maken en zich uit te spreken. ‘Er is nu geen visie, geen strategie.’ Als het aan Hemel ligt, wordt er de komende jaren vol ingezet op verdere groei van Amsterdam. Hij spreekt over de stad als een organisme, levend en met een eigen dynamiek, die op de juiste wijze moet worden gestimuleerd. Verdere investeringen in kleine en middelgrote steden is in zijn ogen vervallen in dezelfde fout als vijftig jaar geleden. Hij kan zich volledig vinden in de woorden van Coen Teulings, voormalig directeur van het Centraal Planbureau en hoogleraar economie aan de Universiteit van Cambridge, die in oktober in vakblad Cobouw zei dat bouwen in Almere weggegooid geld is. ‘Mensen willen genieten van de binnenstad in den brede. Je hebt kroegen, terrassen, mooie winkels en cultuur. (…) Je moet bouwen waar mensen willen wonen, anders loop je keihard tegen jezelf aan.’

Maar voor de middelgrote steden biedt deze oplossing niet direct aanknopingspunten om de toekomst zonnig tegemoet te treden. In een poging de nodige inzichten en handvatten te bieden publiceerde het invloedrijke platform Ruimtevolk in februari 2016, in samenwerking met onder andere het ministerie van Binnenlandse Zaken, een eenmalig tijdschrift Midsize NL: ‘Een magazine boordevol inspiratie voor het werken aan het toekomstperspectief van de middelgrote stad’. Hierin stelt Hans Mommaas, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, dat middelgrote steden te veel zijn uitgegaan van de routine van het bestaan. ‘Dat heeft ze kwetsbaar gemaakt.’

De enige uitweg uit de neerwaartse spiraal is een grondige zoektocht naar de eigen specifieke kwaliteiten. ‘Het gaat erom dat de middelgrote steden hun eigenheid vinden, en dan doel ik niet op citymarketing, maar op het gemeenschappelijke verhaal. Samen met de bewoners, want het is ook hun verhaal.’ Hij verwijst naar Waalwijk, dat er verrassend goed in slaagt om het verleden als leerproducent te gebruiken om een nieuw centrum van moderne leerindustrie te worden. Zoetermeer doet een sympathieke en redelijk doortastende poging om zichzelf te profileren als mbo-stad. Maar echt sexy en inspirerend is het niet.

Het is vanuit dat perspectief niet vreemd dat de verantwoordelijke ministers Stef Blok van Wonen, Melanie Schultz van Infrastructuur en Milieu en Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken zich niet aan het vraagstuk willen wagen. Blok beperkt zich met veel plezier tot het liberaliseren van de woningmarkt, Schultz tot het aanleggen van snelwegen en waterwerken en Plasterk heeft weinig aandacht voor zijn portefeuille Agenda Stad. Dat project had moeten leiden tot een duidelijke visie op de toekomst van de Nederlandse steden, maar is stuk gelopen op botsende belangen, uiteenlopende visies en een gebrek aan politieke wil. Terwijl de toenemende verschillen tussen sterke en zwakke steden en regio’s nadrukkelijk vragen om landelijk ingrijpen. ‘We moeten het sleetse dogma van decentralisatie en zelfredzaamheid voorbij’, zegt Joks Janssen. De gedachte dat het vanzelf gaat is inmiddels achterhaald. ‘Zelfs Amsterdam, de succesvolste stad van het land, krijgt het in z’n eentje niet voor elkaar.’