Productie van het alcoholvrije Heineken 0.0 in de brouwerij in Den Bosch © Lex van Lieshout / ANP

Niet nóg meer beloftes, schreeuwden demonstranten afgelopen weken gedurende de klimaattop in Glasgow. We willen actie zien! De magie van doelstellingen is – 24 jaar na Kyoto – uitgewerkt. We snakken naar concrete verbeteringen, naar geslaagde initiatieven voor emissiereductie die we snel kunnen kopiëren en waarmee we de achterblijvers kunnen dwingen. Aan slechte voorbeelden geen gebrek, maar nu hebben we vooral goede voorbeelden nodig. In de database van het Europese Emissiehandelssysteem (ets) zijn we daarom op zoek gegaan naar Europese bedrijven die wél duurzaam vernieuwen en zowel hun absolute CO2-uitstoot als hun uitstoot per productie-eenheid al drastisch hebben weten te verminderen. Wat doen zij goed waar anderen falen? Wat is hun geheim? Het hield niet over, maar we hebben er een aantal kunnen vinden. ‘Deze bedrijven durven duidelijk doelen te stellen’, zeggen de deskundigen die we spraken. ‘En ze hebben meestal bevlogen leiders die gaan voor de langere termijn.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Luuk Sengers en Evert de Vos over bedrijven die voorlopen in vergroening. Onze podcast is elke vrijdag gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Een containerschip glijdt geruisloos en schijnbaar moeiteloos door het water richting de Rotterdamse haven, met aan boord tienduizenden blikjes Heineken-bier. Van de Heineken-brouwerij in Zoeterwoude tot hier varen de blikjes sinds begin september mee aan boord van het eerste elektrische binnenvaartschip van Nederland.

Toen de vervoerder drie jaar geleden zei dat hij in nieuwe schepen wilde investeren, begonnen ze bij de brouwerij mee te denken. ‘Er bestonden op dat moment nog geen accu’s om grote scheepsmotoren elektrisch aan te drijven’, vertelt Piet-Hein Timp, manager inkoop duurzaamheid en industrie. ‘Maar we wisten dat die ontwikkeling er wel aan zat te komen. Toen hebben we de vervoerder voorgesteld om tijdelijk een dieselgenerator te gebruiken. Inmiddels zit een container vol met accu’s die in de haven weer worden opgeladen.’

Het is maar een van de voorbeelden van een effectief klimaatbeleid bij Heineken. De CO2-uitstoot van de Europese vestigingen van het bedrijf is sinds 2010 met twintig procent gedaald, blijkt uit onderzoek van De Groene. Volgens cijfers van Heineken zelf is de CO2-uitstoot per hectoliter bier zelfs met 51 procent gedaald sinds 2008. Het streven is om in 2030 klimaatneutraal te brouwen. In 2040 moet dan de hele keten klimaatneutraal zijn.

Met deze gunstige cijfers staat Heineken in onze top-tien van Europese bedrijven met de grootste CO2-dalingen. Eerst hebben we uit de ets-database alle bedrijven gefilterd die sinds 2010 een gestage emissiereductie lieten zien. Daarna hebben we in hun jaarverslagen opgezocht of ook de uitstoot per eenheid product daadwerkelijk is gedaald. (Emissiereducties door het sluiten of het naar buiten Europa verplaatsen van vestigingen worden zo niet meegeteld.) Andere ‘voorbeeldige’ bedrijven in de top-tien zijn Molson Coors en Carlsberg (beide ook brouwers), dsm, HeidelbergCement, de chemietak van Total, en de chemiebedrijven Ineos, Dow, Sabic, Solvay.

Productie: Carmen Goossens, Laurens Soedito, Bradley Tan en Luuk Wiltjer van het Grafisch Lyceum Utrecht

De drie brouwerijen in Nederland – in Wijlre (Zuid-Limburg), Den Bosch en Zoeterwoude – produceren jaarlijks veertig procent (achttien miljoen hectoliter) van al het Heineken-bier dat in de wereld wordt gedronken. Bier brouwen slurpt energie. Allereerst worden bij hoge temperatuur suikers uit de mout gehaald als voedsel voor het gist. Deze warmte wordt bij Heineken voornamelijk geproduceerd uit (bio)gas. De vergisting zorgt voor de alcohol en de smaak, maar er komt ook veel warmte bij vrij die moet worden afgevoerd, zodat het bier kan rijpen op een koele temperatuur. Andere energieverslinders zijn de pasteurisatie, het verpakkingsproces en het vervoer.

Al deze processen zijn de afgelopen jaren tegen het licht gehouden. Hoe kunnen ze nog zuiniger? En hoe is dat rendabel te maken? ‘Voor elke vernieuwing moest natuurlijk een business case gemaakt worden’, vertelt Ruud Pronk, manager duurzaamheid brouwerijen. ‘Maar gelukkig konden we de berekeningen doorvoeren met een fictieve CO2-prijs die een stuk hoger was dan de marktprijs. Daardoor werden allerlei innovaties opeens op papier wél haalbaar.’ Een essentiële maatregel, vult Piet-Hein Timp aan. ‘Zo laat je ook in je berekeningen zien dat duurzaamheid rendabel is, áls je de milieukosten meeweegt. Dat vinden we al vele jaren als bedrijf belangrijk. Idealisme is ook belangrijk voor ons bedrijf, maar het is mooi als het door financiële prikkels wordt ondersteund.’

Bij de brouwerij in Den Bosch staan nu vier grote windmolens: drie draaien er voor Heineken en de vierde is voor de buurt. ‘Natuurlijk praten we bij zo’n project met betrokkenen in de omgeving en vrijwel iedereen was erg tevreden met deze oplossing’, vertelt Timp. ‘Zeventig procent van onze elektriciteit in Den Bosch komt nu van windenergie en vanaf volgend jaar kopen we de rest in via een Fries windpark.’ Daarnaast produceert de afvalwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap biogas door de verwerking van het slib dat weer door de brouwer gebruikt wordt in de verwarmingsprocessen.

In Zoeterwoude zorgen vier windmolens en een groot aantal zonnepanelen op de daken van de loodsen voor een deel van de elektriciteitsvoorzieningen. De warmte die vrijkomt in het brouwproces wordt afgevangen en gebruikt bij de pasteurisatie. Hetzelfde gebeurt bij de koeling, waarbij de restwarmte naar het pasteurisatieproces wordt getransporteerd.

Ook de groeiende populariteit van 0,0-bier werkt mee aan de vergroening, want hiervoor wordt eerst bier met alcohol gebrouwen, waarna de alcohol eruit wordt gehaald. ‘En deze gebruiken we weer als brandstof’, vertelt Pronk.

De implementatie van dit soort productieveranderingen vergt echter jaren, is de ervaring van Pronk. ‘Dat gaat dus alleen als de bedrijfsleiding een langdurig commitment afgeeft. Duurzaamheid is een zaak van lange adem. Je moet een ambitieuze stip aan de horizon zetten en daar gestaag aan werken.’

DSM Niaga (omgekeerd: Again) in Sittard-Geleen heeft een techniek ontwikkeld om volledig recyclebaar tapijt te produceren, iets wat tot voor kort onmogelijk was © Chris Keulen / ANP

Bedrijven die voor zichzelf de lat hoog leggen wat betreft emissiereductie hebben de grootste kans om te slagen. Tot deze paradoxale vaststelling kwam McKinsey vorig jaar. Volgens het Amerikaanse organisatieadviesbureau publiceren wereldwijd 4500 bedrijven hun broeikasgasuitstoot. De meeste doen dat omdat ze daartoe verplicht zijn en laten het ook daarbij. Maar veertig procent gaat een stap verder en vertelt de wereld óók welke doelstellingen ze zichzelf hebben opgelegd. Deze 1800 bedrijven hebben de analisten van McKinsey in 2020 onder loep genomen. Halen zij hun eigen ‘targets’ wel? In 65 procent van de gevallen was het antwoord: ja. De analisten ontdekten bovendien een opvallend verband: ‘Hoe agressiever de doelen, hoe beter de resultaten.’

Er is een duidelijk verschil, aldus de onderzoekers, tussen de goederen- en dienstensector en de energieproducenten enerzijds en de landbouw, de olie- en gaswinning en het transport anderzijds. De laatste groep heeft, dat zal niet verbazen, aanzienlijk méér moeite om zijn uitstoot te verminderen dan de eerste. Maar ook bínnen de bedrijfskolommen zijn er grote verschillen en die zijn níet zo vanzelfsprekend. Sommige bedrijven doen blijkbaar méér moeite dan hun concurrenten. Je herkent deze bedrijven, aldus McKinsey, om te beginnen aan het feit dat ze iedereen laten weten wat hun streefdoelen zijn.

Het McKinsey-rapport eindigt met een waarschuwing aan bedrijven die al goed op weg zijn: ga nu niet tevreden achterover leunen omdat sommige van je concurrenten achterblijven. En met een duidelijke tip voor beleggers: ‘Succes vandaag bij het halen van emissiereductiedoelstellingen is een goede voorspeller van toekomstig succes.’

Over het onderzoek

In juni van dit jaar publiceerden we in De Groene een lijst van de honderd grootste industriële vervuilers, die samen driekwart van de door de industrie geproduceerde broeikasgassen voor hun rekening nemen. Nu gingen we in dezelfde Europese ETS-database op zoek naar de positieve uitzonderingen die sinds 2010 wel hun CO2-uitstoot verminderden.

‘We zochten een lijm die niet zo goed lijmde.’ Lukas Hoex, manager bij DSM Niaga, houdt een vierkantje grijs tapijt omhoog. ‘Een tapijt bestaat uit een onder- en een bovenlaag die aan elkaar vastgelijmd zijn. Wat funest is voor de mogelijkheid tot recyclen, want een product is pas geschikt voor hergebruik als de verschillende onderdelen weer uit elkaar gehaald kunnen worden.’ Door de sterke lijm die tot voor kort gebruikt werd, was dat onmogelijk en belandde een enorme hoeveelheid tapijt op de afvalberg.

Twee Limburgse tapijtondernemers legden dit probleem negen jaar geleden aan dsm voor. ‘Daar zijn we toen mee aan de slag gegaan en niet veel later slaagden we erin een lijm te maken die losliet als je er bepaalde frequenties op af vuurde, zoals warmte of geluid. Maar niet als je er een kop thee over morst’, legt Hoex uit. Inmiddels wordt de technologie ook gebruikt door Auping voor het maken van circulaire matrassen. Een product dat, net als tapijt, in de afval-top-vijf van Europa voorkomt.

Enorme rollen tapijt liggen verspreid door de productiehal. Een grijs exemplaar met polyester draadjes ligt klaar op een kar, terwijl een effen zwart tapijt over een lengte van 35 meter op een machine is gespannen. ‘Deze twee apparaten zijn uitvindingen van dsm’, vertelt Hoex. Hij wijst naar een instrument dat werkt als een groot strijkijzer. ‘Door hete stoom kun je twee stoffen aan elkaar vastmaken. Een techniek die voor de hand lijkt te liggen, maar desondanks een innovatie was in deze industrie.’ De tweede machine is verantwoordelijk voor het warm houden en aanbrengen van de lijm-die-niet-zo-goed-lijmt en is eveneens de enige bron van geluid in de productielijn. Een lage, zoemende toon is constant, maar niet overheersend aanwezig. ‘Uniek! In een normale fabriek kun je elkaar nauwelijks verstaan.’

De hal is niet bedoeld voor grootschalige fabricage. Tapijtfabrikanten kunnen er langskomen met hun rollen en testen of de technieken van dsm toepasbaar zijn op het eigen product. ‘Iets wat ze nooit in hun eigen bedrijven zouden kunnen. De machines die je daarvoor nodig hebt, zijn immers niet goedkoop. Als particulier maak je met de aankoop ervan meteen een investering voor dertig à veertig jaar.’ Bedrijven kunnen op individueel niveau dus niet al te veel risico’s nemen, maar willen wel degelijk verduurzamen.

‘Het is doodeng om te bedenken dat we voor verduurzaming afhankelijk zijn van enkele mensen in de top van het mondiale bedrijfsleven of van een paar machtige regeringsleiders’

‘Die pijn moet je spreiden’, is de filosofie van Hoex, die sociologie en economie studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en daar mede-initiatiefnemer was van een vak over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Hij begon als consultant van de duurzaamheidsafdeling van dsm en werd vervolgens manager van deze tak. ‘Verandering is lang niet altijd comfortabel en iets wat voor de een gunstig is, brengt problemen met zich mee voor de ander’, is zijn ervaring. Als voorbeeld noemt hij de populaire Swapfiets. ‘Daar is de fietsenmaker op de hoek een stuk minder blij mee dan de consument.’

dsm, dat voor veel producten de grondstoffen ontwerpt en ook voedingsingrediënten ontwikkelt, staat vaak aan het begin van veel productieketens. Daardoor heeft het bedrijf een morele en maatschappelijke taak om de pijnpunten van een innovatie te onderzoeken, vindt Hoex. ‘Maar het is ook een commerciële noodzaak. Je kunt je product niet bij mensen door hun strot duwen. Vergroenen doe je vooral in samenwerking met anderen.’

dsm legde vijftien jaar geleden de prioriteit bij duurzaamheid en is daarin zeer succesvol, blijkt uit cijfers van de ets-database. Sinds 2010 is de uitstoot van CO2 door het concern gehalveerd. Dat komt voor een deel doordat de divisie met bulkchemie is afgestoten, maar ook doordat de productieprocessen zijn verduurzaamd. Zo draaien alle activiteiten van dsmop hernieuwbare elektriciteit. Topman Feike Sijbesma verbond vergroening aan het verhogen van de toegevoegde waarde. Het concern ging zich richten op meer gespecialiseerde chemische grondstoffen en ook de biotechnologie-divisie in Delft werd verder uitgebreid.

‘Kijk, hier spuiten we de vloeistof erop.’ Op de proefopstelling bij DSM Solar ligt een donker zonnepaneel. De spuitmond hangt erboven. ‘Voor ons was het erop of eronder’, vertelt directeur Pascal de Sain. Al jarenlang maakte een kleine afdeling van dsm een vloeistof die ‘museumglas’ ontspiegelde, waardoor bezoekers beter naar de kunst kunnen kijken. ‘Maar de omzet was eigenlijk te klein, we moesten andere toepassingen verzinnen om binnen dsm te blijven.’ Eén medewerker kwam met een lumineus idee: wat gebeurt er als we de ontspiegelingsstof op zonnepanelen spuiten? Het effect bleek enorm; door de ontspiegeling steeg het rendement van de panelen tot wel vier procent.

De vloeistof werd verder ontwikkeld en de AR-coating van DSM Solar – een dunne nanoporeuze laag met een dikte van 100 tot 150 nm – wordt nu wereldwijd gebruikt om zonnepanelen minder te laten reflecteren. ‘In China spuiten ze onze vloeistof op de panelen’, weet De Sain.

Verduurzaming is de drijvende kracht achter innovatie, is de overtuiging van Sijbesma, die vorig jaar als ceo werd opgevolgd door het ceo-duo Geraldine Matchett en Dimitri de Vreeze. Bij zijn aantreden moest hij aandeelhouders ervan overtuigen dat duurzaamheid en winst maken samen kunnen gaan, vertelde hij bij zijn afscheidsinterview aan De Telegraaf. Hij slaagde erin ze te overtuigen. ‘Ik heb ze beloofd dat ze ieder jaar rendement krijgen. Meer dan op de bank, maar misschien iets minder dan ze zouden willen krijgen.’ Een deel van de aandeelhouders koos voor meer winst op de korte termijn, en voor hen moest hij andere aandeelhouders zoeken. Degenen die bleven wist hij te overtuigen. ‘Want duurzaamheid is het enige verdienmodel voor de toekomst.’

Top tien groene pioniers

Daling CO2-uitstoot sinds 2010 Daling per producteenheid
Heidelberg Benelux 63 %* 24 %
DSM 51 % 33 %
Molson Coors 36 % onbekend*
Carlsberg 35 % 51 %
Total Chemie 21 % 6 %
Sabic 20 % 19 %
Heineken 20 % 51 %
Ineos 6 % 8 %
Solvay 25 %** 44 %
Dow 16 %** 13 %

* Door overnames en sluiting van vestigingen is dit niet exact te berekenen, wel is er sprake van een substantiële daling. ** Sinds 2015

‘De rol van topmanagers is inderdaad cruciaal’, reageert Jacqueline Cramer als we haar onze lijst met groene industriële pioniers voorleggen. Cramer is hoogleraar duurzame innovatie aan de Universiteit Utrecht en heeft grote bedrijven geadviseerd over duurzaam ondernemen, waaronder AkzoNobel en Philips. HeidelbergCement kent ze door haar functie als voorzitter van het Betonakkoord. Zij adviseert de stad Amsterdam op het gebied van circulaire economie en was tussen 2007 en 2010 pvda-minister van Milieu. Ze bemerkt een omslag in het bedrijfsleven: de meeste ondernemingen zeggen ‘zachte’ doelen zoals loyaliteit van de klant, aantrekkelijkheid voor nieuwe werknemers en vertrouwen van toeleveranciers belangrijker te vinden dan ‘harde’ financiële targets. ‘In 1975 werd 83 procent van de bedrijfswaarde nog bepaald door harde financiële cijfers, volgens een Harvard Business Review-studie uit 2017. Veertig jaar later was dit volledig omgeklapt: 84 procent is nu gerelateerd aan “zachte” factoren, die nauw verbonden zijn met het streven naar duurzaamheid.’

Twintig jaar geleden gaf ze zelf leiding aan een project waarbij 21 Nederlandse bedrijven werden geholpen en gevolgd bij hun verduurzaming. ‘Toen al noemden de deelnemers als belangrijkste motieven, in deze volgorde: het aantrekken van talent, het verbeteren van de relatie met klanten, het versterken van de concurrentiepositie en het verbeteren van de overlevingskansen.’

De bedrijfsleiding moet daarbij standvastig opereren, is haar ervaring. ‘Als een topmanager niet alleen naar zijn eigen bedrijf kijkt maar ook luistert naar wat er buiten de poorten gebeurt, zelf het goede voorbeeld geeft en zijn invloed gebruikt om tegenstribbelende aandeelhouders over de streep te trekken, dan gaat het snel. Die voorbeelden zijn er, gelukkig. Maar helaas zijn er ook nog veel ceo’s in de wereld die zich achter hun overheid verstoppen die niks of te weinig doet. En zelfs bij bedrijven die wél duurzaam werken kan de sfeer zo omslaan, als er een nieuwe ceo komt, of als het bedrijf wordt overgenomen. Het is doodeng om te bedenken dat we dus afhankelijk zijn van een paar mensen in de top van het mondiale bedrijfsleven. Zoals we ook in Glasgow zijn overgeleverd aan de grillen van een paar machtige regeringsleiders.’

het eerste elektrische binnenvaartschip van Nederland vaart voor Heineken tussen Alphen aan den Rijn en Moerdijk © John van der Tol / ANP

Uit de tientallen meters lange buis klinkt een luid gegrom. De hitte slaat ons tegemoet. In deze vestiging van HeidelbergCement nabij Luik wordt bij veertienhonderd graden gecalcineerde kalksteen, silicium, aluminium en ijzer tot klinker ‘gesinterd’. Daarna volgt de maling tot cement. ‘Een proces dat enorm veel energie vraagt’, erkent Jan Theulen, directeur alternative resources en projectleider Leilac 1 bij HeidelbergCement. ‘We hebben er dus groot belang bij om zo energiezuinig mogelijk te produceren. We maken een bulkproduct waarbij elke procent reductie telt.’

In de top-honderd van grootste CO2-uitstoters in Europa staan het Duitse HeidelbergCement, het Frans-Zwitserse LafargeHolcim en het Britse Cemex in de hoogste regionen. De hele cementindustrie is wereldwijd verantwoordelijk voor maar liefst acht procent van de CO2-uitstoot. Reductie van slechts enkele procenten krijgt daardoor al snel een enorme massa aan niet uitgestoten broeikasgassen.

HeidelbergCement Benelux wist in de afgelopen tien jaar de uitstoot terug te brengen van ruim drie miljoen naar krap twee miljoen ton. Dit komt gedeeltelijk door sluiting van de fabriek bij Maastricht, maar ook door een aantal essentiële stapjes. Daardoor is wereldwijd bij HeidelbergCement de CO2-uitstoot per ton cement van 751 kg (1990) gedaald naar 576 kg (2020). Een nieuwe cementoven kost zo’n tweehonderd miljoen en gaat veertig tot zestig jaar mee. De besparingen van de afgelopen jaren komen dan ook vooral voort uit upgrades van de huidige apparatuur en veranderingen in de energiemix. Grote stappen worden pas gezet met volstrekt nieuwe apparatuur en nieuwe technieken waarmee nu geëxperimenteerd wordt. ‘Want in 2050 willen we CO2-neutraal cement en beton produceren.’

‘Vroeger gooiden we gewoon kolen in onze ovens’, zegt Theulen, ‘nu is dat nog maar dertig procent, want de ovens zijn alleseters geworden.’ Er gaat bijvoorbeeld plastic in dat niet meer gerecycled kan worden. ‘Dat is nooit alleen plastic, maar ook textiel, hout en papier. Die mengeling gaat integraal in de oven. Voor ons is het dan van belang om het biomassagehalte te weten, dat wordt per stroom, per leverancier gemeten en gecertificeerd.’ Er worden geen houtsnippers, pallets of palmolie gebruikt, benadrukt Theulen. ‘Dat laatste zou ook heel dom zijn, want onze oven brandt het best op vaste stoffen.’ Snoeihout gaat er wel in. ‘Maar alleen als het uit de omgeving van de fabriek komt.’

Een innovatie waar Theulen nauw bij betrokken was, is het gebruik van slib uit de waterzuivering. Als brandstof én grondstof. ‘In een slibverbrander levert het alleen energie op’, legt hij uit. ‘Maar de as kunnen we gebruiken als restproduct, want daar zit calcium, silicium en ijzer in. Bij zuiveringsslib is dat wel 45 procent en die componenten kunnen wij gebruiken voor cement. Dat we bijvoorbeeld de CaO hieruit kunnen gebruiken bespaart veel CO2-uitstoot.’

Naast de grommende, gloeiend hete buis staat een metalen toren van een meter of zestig hoog. Dit is de Leilac 1, de hoop voor de toekomst van HeidelbergCement. Het is de voortzetting van een proefproject in Noorwegen, vertelt Theulen. ‘Daar hebben we gekeken of we ook bij een cementoven CO2 kunnen afvangen zodat het opgeslagen kan worden. Want we zullen altijd een deel moeten afvangen. Die technologie hebben we nodig.’ In Noorwegen wordt de helft van de CO2 afgevangen, de grotere testlocatie bij Luik liet zien dat het tot 95 procent kan. ‘Nu weten we dat het werkt en is het allergrootste risico eraf. In Hannover zijn we de Leilac-technologie nu aan het opschalen.’

Het afvangen van CO2 zal tussen zestig en honderd euro per ton gaan kosten, blijkt uit de experimenten. HeidelbergCement heeft tot nu toe nog nooit voor CO2-uitstoot hoeven te betalen, het kreeg zelfs zoveel gratis rechten dat het in de afgelopen tien jaar meer dan 180 miljoen euro aan het ets heeft verdiend. Heeft dit innovaties bemoeilijkt? Want waarom zou een bedrijf investeren in CO2-besparing als dit financieel niets oplevert? ‘We zijn al in 2015 met de experimenten begonnen’, reageert Theulen. ‘Dus die gratis rechten hebben ons niet tegengehouden.’ De duurzaamheidsdoelstellingen van zijn bedrijf zijn gemeend, benadrukt hij: ‘Sinds vorig jaar zijn de bonussen van alle managers gekoppeld aan de CO2-prestaties. Iedereen, zelfs van de hr-directeur. Dat is een duidelijk keuze.’

Toch zou een hogere CO2-prijs, zoals nu ook ter discussie staat in Glasgow, zaken wel kunnen versnellen, erkent de directeur alternative resources. ‘Dan worden projecten sneller haalbaar.’ Dat geldt bijvoorbeeld voor experimenten waarmee hij bezig is om bouwmaterialen te maken van afvalstoffen die CaO of MgO bevatten die reageren met CO2. ‘Dan zou een wereldwijde CO2-beprijzing zeker een steun in de rug zijn.’

Rang Moederbedrijf Activiteit CO2-daling per eenheid product Sinds
1 Carlsberg Brouwerijen -51% 2009
2 Heineken Brouwerijen -51% 2008
3 Solvay Chemie -44% 2009
4 DSM Chemie -33% 2008
5 Sabic Chemie -19% 2012
6 Heidelberg Cement -24% 1990
7 Dow Chemie -13% 2006
8 INEOS Styrolation Chemie -8% 2014
9 Total Chemie Chemie -6% 2015
10 Secil Cement -7% 1990

De ranglijst is als volgt tot stand gekomen:

In de Union Registry Data, de officiële database van de Europese Unie betreffende CO2-uitstoot, hebben we eerst gekeken naar welke industriële moederbedrijven in de afgelopen tien jaar een gestage daling van hun broeikasgasuitstoot hebben laten zien. Dat waren er 32.

Vervolgens zijn we in de jaarverslagen van deze 32 bedrijven op zoek gegaan naar cijfers over de CO2-daling per eenheid product. Door naar de uitstoot per productie-eenheid te kijken, konden we bedrijven uitsluiten die hun uitstoot hadden verminderd door fabrieken in Europa te sluiten. Uiteindelijk konden we van de tien bedrijven in de ranglijst met zekerheid vaststellen dat ze hun broeikasgasuitstoot daadwerkelijk hebben verminderd door duurzaamheidsmaatregelen.

Het lijkt misschien alsof twee bedrijven – Heidelberg en Secil – op de verkeerde plaats staan, omdat zij een grotere CO2-daling hebben dan de bedrijven die net boven hen staan. We hebben de rangorde echter gecorrigeerd voor de periodes waarover de dalingen zijn gerealiseerd. Anders gezegd: een daling van 24% sinds 1990 (Heidelberg) is minder indrukwekkend dan een daling van 19% sinds 2012 (Sabic). Om dezelfde reden heeft Total Chemie het feitelijk beter gedaan dan Secil.


De bedrijfsonderdelen Niaga en Solar zijn door DSM inmiddels verkocht. Het bedrijf richt zich nu volledig op voeding, gezondheid en bioscience. De bijdrage over DSM in dit stuk is met medewerking van Laura Kelderman