Charlie Brown

Groeneprofiel

Onbedorven antiheld, ultieme twijfelaar, tobberige sul. Toch is hij altijd vol vertrouwen, nooit geeft hij het op.
De eeuwig jonge Charlie Brown is de personificatie van het naoorlogse Amerika. Maar nu is hij niet meer.

HET IS OVER. Geweest. Klaar. Charlie Brown, onbedorven, goeiige Charlie Brown houdt ermee op. Fans in de war. Kranten in de rouw. Kinderen, huisvaders, journalisten, cartoonisten, zelfs Umberto Eco is van slag. Charlie Brown haalde er de cover van Newsweek mee en de kolommen van vele kranten. En sentiment is overal het cement dat de afscheidsartikelen tot bouwstof dient. Nooit meer Charlie Brown valt voor velen moeilijk te verteren.
De Peanuts-cartoon over de gang van Charlie Brown (let op, zeg altijd Charlie Brown, zijn vrienden heten Linus, Schroeder en Lucy, maar Charlie Brown heet Charlie Brown) werd sinds oktober 1950 op enigszins ouderwetse wijze gemaakt. Niet door een grote tekenfabriek maar simpelweg door een man genaamd Charles M. Schulz. Nu heeft hij kanker en met ingang van heden krijgen de 2.600 kranten uit 75 landen die Peanuts plaatsen, geen nieuwe afleveringen meer.



IS TOCH een kinderstrip?

Nee.

Snoopy zit licht voorovergebogen. De tekstballon boven zijn hoofd laat een grote hoofdletter Z zien, het internationale teken om aan te geven dat iemand slaapt. Charlie Brown gaat achter de beagle staan en fluistert hem in het oor: psst… Snoopy, wil je wat snoep? Snoopy blijft doorslapen, alleen zijn staart begint hevig heen en weer te bewegen. De punch-line komt in het vierde en laatste plaatje van de cartoon, Charlie Brown wijst triomfantelijk naar zijn hond en zegt: ‘The subconscious mind in action.’

Charlie Brown is ook een strip voor volwassenen. Sinds oktober 1950 verbeelden de kinderen van Schulz de angsten, verlangens, onzekerheden en schuldgevoelens van het naoorlogse Amerika. Charlie Brown en de zijnen zijn eeuwig jong gebleven babyboomers. Ze spelen in de smetteloze tuinen van de spic en span-schone suburbs. Genoeg eten, kleren, speelgoed, een hond, een baseball-cap, een knuppel en een handschoen: dit is waar de Amerikaanse droom om draait. Forever young en voor altijd klemvast in een halverwege de vorige eeuw nogal populaire constructie: het gezin (samenlevingsvorm waarin vader, moeder en kinderen woonachtig zijn in hetzelfde huis). Maar helaas, die droom blijkt ook niet zaligmakend, de kinderen lijken er geen spat gelukkiger van te worden. Charlie Brown is een piekerende, sullige antiheld, zijn vriendinnetje Lucy van Pelt gewoon een gemeen secreet en de pianospelende Schroeder krijgt vreselijke woedeaanvallen wanneer het vogeltje Woodstock dwars door zijn Beethoven heen fluit.

Zijn het de onvolkomenheden in de perfecte wereld die de milde glimlach bij de lezer opwekken? Daar kunnen we heerlijk cultuurfilosofisch ingewikkeld over doen: 'Charlie Brown en Lucy speelden op de een of andere manier in op bepaalde Amerikaanse gevoeligheden’, zegt de Amerikaanse professor Tom DeHaven.

In de jaren vijftig en zestig boomt ook de psychoanalyse en wordt de gang naar de psychiater even gewoon als die naar de huisarts. Dat heeft zijn weerslag in de populaire cultuur. Moeders krijgen een 'little yellow pill’. zingen de Stones; Woody Allen bevolkt zijn films met zeurende neuroten en ook bij de kinderen van Charles M. Schulz sijpelt Freud door. De filosofisch ingestelde Linus van Pelt kan met geen mogelijkheid functioneren zonder zijn dekentje - zijn security blanket. Zijn zus Lucy heeft een stalletje waar ze voor vijf dollarcent psychologische adviezen verkoopt. In haar kinderlijke wijsheid geeft ze de essentie van de psychiatrie weer als Charlie Brown in een depressie raakt en zich tot haar wendt. Na betaling ontvangt hij de raad: 'Snap out of it.’

Freud daargelaten, horen de kids van Schulz te genieten van de rijzende welvaart van de jaren vijftig die de babyboomers een fijne kindertijd biedt. Vader aan het werk, moeder in de keuken en de lommerrijke buurt is er om fijn in te spelen. In het beeld dat de zoetsappige films en tv-series uit die tijd schetsen, is het alsof de kindertijd het arcadische geweten van de Amerikaanse droom vormt. Daar leeft nog de onschuld die later door de slechte en verdorven kanten van de kapitalistische samenleving verloren zal gaan.
Maar ondertussen wordt Charlie Brown wel dagelijks getergd door de onvolkomenheden van zijn vrienden en klasgenoten. Lucy Caswell van de Ohio State University zegt: 'Hij geeft ons een wereld die schijnbaar onschuldig is, maar die in feite vol pijn en conflicten is.’ Is dat zo? De Italiaan Umberto Eco zegt precies het omgekeerde. In een essay uit 1963 somt hij op wat hij terugvindt in de kinderwereld van Schulz: 'Freud, de macht van de massa, het absorberen van een voorgekauwde cultuur, de frustrerende strijd om het succes, het zoeken naar sympathie, eenzaamheid, ongevoeligheid, lijdzame aanvaarding en neurotisch protest.’ Simpel gezegd werken de cartoons voor Eco in twee etappes. Eerst doen ze beseffen dat onze slechte kanten zelfs de kinderwereld tot op het bot hebben aangetast, maar uiteindelijk levert de onbevangen, onschuldige wijze waarmee de kinderen met die slechte kanten omgaan een wereld op die 'ondanks alles toch nog vriendelijk en zacht is, geurend naar melk en frisheid’.




Geen volwassenen, geen tegenstanders bij het honkbal, geen regels, niet ouder worden. En nauwelijks verwijzingen naar de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen van de afgelopen vijftig jaar - uitzonderingen zijn Franklin, een nieuw, zwart ingekleurd vriendje dat in 1968 verschijnt, en de mobiele telefoon van Woodstock.



JANUARI 2000 ontstaat de milde glimlach vooral uit een gevoel dat doet denken aan de Engelse nostalgie: het verlangen naar een eens, ver voor de industriële revolutie bestaand Arcadia, een tuin vol in de natuur spelende, onschuldige, onbedorven kinderen. Het verschil is dat het verlangen ditmaal minder melancholisch is. De lang uitgesponnen kindertijd van de babyboomers is een verworvenheid van de moderne samenleving en daarmee is ze onderdeel gemaakt van de Amerikaanse droom. Dus moet ze stimuleren tot optimisme, tot geloof in beter. Hoop en vertrouwen vervullen een essentieel onderdeel in de cartoons. Charlie Brown lijdt aan een minderwaardigheidscomplex, meisjes zetten hem steeds op zijn nummer. Hij is de antiheld. De ultieme twijfelaar. Een sul. Toch geeft de loser Charlie Brown nooit op. Hij blijft vertrouwen stellen in zijn medemens. Steeds blijft hij bij het honkballen hopen dat Lucy dit keer op zal letten en wél de bal zal vangen. Snoopy blijft dromen van een wereld waarin hij een leeuw, een jagende
python of een gevaarlijk nijlpaard is. Onvermoeibaar blijft hij dag in dag uit worstelen om voorbij de eerste zin van zijn grote roman te komen: 'It was a dark and stormy night.’ En hoewel zij beter zou moeten weten, blijft Lucy hopen op een sprankje aandacht van de pianospelende Schroeder.

Ahá! Een christelijke moraal van hoop, vertrouwen en vergiffenis, zeggen gelovige Amerikanen die in Peanuts een essentieel theologische cartoon zien. Het vermakelijkste maar bloedserieuze boek in deze lijn komt van Robert Short en heet The Gospel According to Peanuts. Charlie Brown is volgens Short een twintigste-eeuwse Elckerlyc. Zijn sweater verraadt dat hij bovendien de Messias nog in zijn karakter draagt: het blokmotief symboliseert de doornenkroon. Lucy is als Eva die Adam verleidt tot het eten van de appel, ze staat symbool voor het kwaad in de wereld. Schroeder, de Beethoven-fan, lijdt aan een overdreven dweepzucht en maakt zich een schender van het gebod dat zegt dat gij geen afgoden mag hebben. En Snoopy! Snoopy de beagle is een kleine Christus, een Comforter: de Trooster van de zwakkeren en kwelgeest van de welgestelden.




TELEVISIESERIES, tekenfilms, boeken, knuffelbeesten, sjawls, koffiemokken, dekbedden, behang, pennen, agenda’s. Schattingen gaan dat het Peanuts-concern op dit moment een omzet heeft van meer dan één miljard dollar per jaar. Daarmee is Charlie Brown heel erg Amerikaans en exportartikel van het kapitalisme dat ooit in deze kolommen met een duivels grote hoofdletter geschreven werd. Het consumptieartikel Charlie Brown is bepaald een lucratief geweten geworden dat wordt uitgevent door slimme marketeers. Een beetje pathetisch is daarom de wijze waarop de onschuld en onbedorvenheid van de maker worden benadrukt. Interviewers die bij hem langs zijn geweest typeren Schulz (1922) verlekkerd als een buitenstaander, iemand die precies lijkt op Charlie Brown. Op school al was Schulz,
enig kind, net zo'n buitenbeentje als zijn creatie. En ook altijd pech. Toen hij als kind naar het filmtheater ging waarvan de eigenaar de eerste honderd kinderen gratis butterfingers had beloofd, was Schulz nummer 101. Een journalist van
Newsweek presteerde het zelfs Schulz te verontschuldigen voor zijn grote bedrijf: de arme man kan gewoon geen nee zeggen.

En Schulz zelf? De zo ongeveer succesvolste cartoonist ooit, spreekt de legendevorming niet tegen: 'My whole life has been a rejection. Women. Dogs. Comic Strips.’