Economie

Groenink

Ik heb de goede man nooit ontmoet. Wel heb ik hem ooit aan de telefoon gehad. Dat zit zo. Toen begin 2007 TCI, een Londens hedgefonds, Rijkman Groenink opriep Dé Bank wegens slechte prestaties op te breken of te verkopen, barstte in Nederland een fel debat los over de vraag of (buitenlandse) aandeelhouders – steevast aangeduid als ‘sprinkhanen’, ‘roofridders’, ‘opkoop- en zwerffondsen’ – niet te veel zeggenschap hadden.

Het kon toch niet zo zijn dat een Brits zwerffonds met een handjevol aandelen het voortbestaan van zo’n grote, roemrijke onderneming als ABN Amro, die zijn wortels had in de Nederlandsche Handel Maatschappij van koning Willem 1, op losse schroeven kon zetten?

In april van dat jaar sprak ik in NRC Handelsblad mijn verbazing uit over de hypocrisie van het Nederlandse old boys network. Wel de bonussen, optieregelingen en salarissen die horen bij het grote-mensen-kapitalisme van de andere kant van de oceaan, maar niet het ongemak dat buitenlandse aandeelhouders hun de maat nemen. En dat illustreerde ik met de casus ABN Amro, waar Groenink schielijk steun zocht bij DNB toen TCI hem lastigviel. Letterlijk schreef ik: ‘Voor het eerst bevindt de economische polder zich aan de ontvangende kant van de financiële internationalisering waar ze zo voor zegt te zijn en meteen loopt Rijkman Groenink huilend naar toezichthouder Wellink van De Nederlandsche Bank.’

Toen ik de volgende ochtend in mijn academische peeskamertje aan de universiteit nijver aan mijn volgende stuk zat te werken, ging vlak voor de lunch de telefoon. Een keurige secretaressestem kondigde aan dat de heer Groenink mij graag wilde spreken, of ik daar tijd voor had? Natuurlijk, en zo had ik vijf seconden later de bestuursvoorzitter van de grootste bank van Nederland aan de telefoon, die op dat moment vocht voor zijn voortbestaan.

Het gesprek dat zich toen ontspon leek als twee druppels water op de schermutseling die Coen Verbraak afgelopen maandag in Kijken in de ziel met Groenink had. Hoe ik kon schrijven dat hij ‘huilend’ naar Wellink was gelopen? Of ik niet wist dat hij altijd een voorvechter was geweest van aandeelhouderswaarde? Dat ABN Amro een van de eerste beursgenoteerde ondernemingen was geweest die kleine aandeelhouders agenderingsrecht had gegeven? Oftewel, hij was een doorgewinterde ‘free marketeer’ die zich ver verheven voelde boven het corporatistische grauw waar ik hem toe had gerekend.

Afgelopen maandag zag de Nederlandse kijker een niet minder agressieve Groenink. Nee, hij had nooit overwogen de 26 miljoen euro te weigeren die zijn aandelenpakket waard bleek. Waarom zou hij? Het was geen vertrekpremie. Die aandelen had hij niet ‘gekregen’ maar ‘verdiend’. Nee, bankiers zijn geen graaiers. Er schort namelijk niets aan de integriteit van bestuurders in de financiële sector. Ze hebben allemaal het belang van de onderneming voorop staan, salaris is bijzaak. En nee, bonussen hebben het karakter van de bank niet veranderd: ‘Waarom trekt u die conclusie nou? Dat slaat toch nergens op? U gaat geheel voorbij aan de verantwoordelijkheid die de topbestuurder heeft voor het voortbestaan van zijn bank.’







En daar begon het grote herschrijven van de geschiedenis. Want alle ellende kwam toch echt doordat Groenink bij zijn aantreden in 2000 beleggers een winstbelofte gaf. Oftewel, niet het voortbestaan van de bank op langere termijn stond centraal, maar de waarde van het aandeel ABN Amro op kwartaalbasis. En juist de wanhopige strategiewijzigingen in een omgeving van lage rente en ontketende financiële innovatie omdat de resultaten keer op keer achterbleven bij de beloftes, leidden tot het desastreuze aandeelhoudersoproer onder leiding van TCI in 2007.

Geen greintje schuldgevoel bij Groenink. Voor hem is behoud van zelfstandigheid van de bank immers altijd de doelstelling van de onderneming en dus van zijn mandaat geweest. Dat hij verantwoordelijk was voor het grootste debacle uit de Nederlandse bedrijfsgeschiedenis, dat hij een historisch erfstuk uit 1824 had verkwanseld, dat de gokzucht van zijn bank Britse en Nederlandse belastingbetalers had opgezadeld met miljardenbezuinigingen, dat hij en de zijnen de legitimiteit van het kapitalisme meer hebben geschaad dan de roofbaronnen van weleer ooit hebben gedaan – geen spoor van wroeging daarover bij Groenink. De enige kras op zijn ziel was dat ‘wij in dit land’ er niet in waren geslaagd ‘zijn’ bank van de ondergang te redden. En daarmee pleitte hij zichzelf vrij. En legde hij de schuld bij Bos en Balkenende.

Iedere getraumatiseerde heeft uiteraard recht op zijn eigen selectief geheugen, maar dat de sector zelfs zes jaar na dato nog altijd niet de grootmoedigheid heeft kunnen opbrengen van een rondborstige spijtbetuiging is niet minder dan een schande.