‘Groente en fruit niet aanraken’

Sinds Rotterdam op 8 mei als laatste stad overstag ging, zijn de markten in heel Nederland weer open, al is het op de meeste plaatsen in een uitgeklede opzet, met alleen food. De reden: markten zijn een ‘onmisbare schakel in de voedselvoorziening’, zeker ook in Amsterdam.

‘Het is toch gewoon een complete dictatuur met die regering en alles. Zie je ze in de Tweede Kamer wel eens rondlopen met die mondkapjes? Maar ons wel mooi bedreigen met torenhoge boetes.’ Hennie bestelt nog een broodje frikadel en gaat er eens goed voor zitten op haar scootmobiel. Elly, die net terug is uit het ziekenhuis, waar ze twee weken met een abces lag, knikt instemmend vanaf haar rollator. Ze is blij dat ze weer naar de markt kan, alleen jammer dat ze haar hondje thuis moest laten omdat de snackkraam geen stoelen meer neer mag zetten voor de klanten: ‘Zo op de grond is niks voor die arme schat, dan loopt ze een kou op.’ Yama, de Afghaanse eigenaar van de kraam, zegt niks, hij is de discretie in eigen persoon. Bij verwensingen aan het adres van moslims haalt hij verontschuldigend zijn schouders op.

Ik ben blij Yama’s vaste klanten weer te zien, ze maken deel uit van Bos en Lommer, de Amsterdamse buurt waar ik woon, net als de gehoofddoekte vrouwen die in de rij staan bij Ibrahim Elaz, die normaal nachttextiel verkoopt, maar snel overschakelde op groente toen non-food in de ban ging.

Sinds Rotterdam op 8 mei als laatste stad overstag ging, zijn de markten in heel Nederland weer open, al is het op de meeste plaatsen in een uitgeklede opzet, met alleen food. De reden: markten zijn een ‘onmisbare schakel in de voedselvoorziening’. Dat klopt zeker voor arme mensen, wat het langdurige verbod van burgemeester Aboutaleb des te vreemder maakt, maar markten hebben nog een heel andere kwaliteit: het zijn de enige plekken waar zich nog iets als een sociaal leven afspeelt.

Ondanks de vele lege plekken op de markt en de geïmproviseerde afscheidingen – variërend van verchroomde paaltjes met bordeauxrode koorden tot plastic kratten en krijtlijnen – zie je mensen er ontspannen lopen, praten, kijken, lachen. Soms te dicht bij elkaar, maar meestal gaat het goed. Die losse, collectieve sfeer steekt schril af bij de schrikachtige situatie in supermarkten, waar mensen elkaar vooral angstvallig in de gaten houden, de winkelwagen als een schild voor zich uit duwend.

Natuurlijk zijn er, nu de stad voorzichtig op gang komt en mensen zich weer vaker buiten wagen, meer plekken waar mensen een praatje maken: op de stoep, tijdens een ommetje, in de rij voor de bakker, vanaf het balkon. Maar daar is weinig collectiefs aan, het zijn steeds individuele contacten. Zelfs in de parken bleef iedereen, tot dit weekend, op zijn eigen eilandje, alsof we vanachter glas naar elkaar kijken. En tegelijkertijd willen we zo graag uit onze bubbels, weer deel hebben aan elkaars leven.

Toen ik, een paar dagen na mijn marktbezoek, in het buurtpark zat, kwamen er twee meisjes zingend aangelopen, hun ‘Lang zal ze leven’ was bestemd voor een derde meisje, dat lekkere hapjes had uitgespreid op het kleedje voor zich. Aarzelend hoorde ik links en rechts mensen zachtjes even meezingen, in een verlangen deel te nemen aan iets buiten henzelf, maar de aanzet smoorde.

Oké, er zijn georganiseerde acties als het klappen voor de zorg, of het Wilhelmus zingen op Koningsdag, maar stedelijk leven gaat juist om spontane, onverwachte ontmoetingen, ook met mensen wier meningen je niet per se aangenaam vindt. De boodschap van Hennie zou ik op Facebook, waar ze ook actief is, niet snel tegenkomen en vooral: daar zou ik de schrille, boze toon alleen maar naargeestig vinden. Op de markt, waar ik haar kan tegenspreken, of op zijn minst meewarig mijn hoofd kan schudden, klinkt het anders.

Onze behoefte aan fysiek, intiem contact wordt vaak genoemd, maar we hebben ook sociale honger, en juist markten zijn de plek waar je die kunt bevredigen. Reden voor een rondje markten in Amsterdam, van oudsher dé marktstad van Nederland.

Weer is het zaterdag, weer is het mooi weer en weer ben ik op de markt, maar de Noordermarkt oogt aanvankelijk heel anders dan de arme Bos en Lommermarkt. De biologische kramen aan de voet van de zeventiende-eeuwse Noorderkerk, de lindes op het plein zelf en de iepen langs de Prinsengracht; het lijkt wel een plaatje van Anton Pieck. ‘Groente en fruit niet aanraken’, staat met krijt op een schoolbord geschreven, een ander bord waarschuwt: ‘Graag achter de lijn wachten tot u naar voren wordt geroepen’, op twee plekken staat een mobiel fonteintje waar klanten hun handen kunnen wassen.

De markt maakt een goed georganiseerde indruk, maar ook hier nemen de bezoekers de richtlijnen met een korrel zout: de klimtoestellen in het speeltuintje zijn volledig bezet, op de bankjes zitten mensen zij aan zij. ‘Oké mensen, het is dus niet de bedoeling dat we hier gaan recreëren. Dadelijk komt de handhaving en dan sluiten ze de markt.’ Marktmeester Patrick is vriendelijk, maar onverbiddelijk. Als iedereen langzaam opstaat, wikkelt hij snel rood-witlint om de zittingen – de bozige dikke man met een volgestouwd winkelwagentje, die duidelijk niet van plan is te verkassen, blijft alleen achter op de bankjes.

‘Toeristen en dagjesmensen blijven weg, die hebben schrik’, vertelt bakker Daniël Schoor, ‘maar de Amsterdammers niet, die beschouwen het als een uitje.’ Hij heeft minder klanten dan anders, maar per persoon besteden ze meer, dus is hij een tevreden man: ‘Vroeger stonden ze hier vier rijen dik, dan was het gewoon knallen. Nu is het gemoedelijker, iedereen is relaxt, er heerst weer saamhorigheid.’ Voor Eric ten Napel van de biologische groente mag de crisis zelfs nog wel een halfjaar aanhouden: ‘Ik zet bijna twee keer zoveel om: de mensen hier aan de grachten hebben geld, en nu ze niet meer uit eten kunnen en ook de bedrijfsrestaurants dicht zijn, verwennen ze zichzelf met goede, gezonde spullen.’ Hij staat nu met zeven man achter zijn kraam, vroeger met vier: ‘Ik bezorgde al voor vrienden in Noord, maar dat virus heeft me een schop onder mijn kont gegeven, dus je kunt nu ook online bij mij bestellen.’

Terwijl Ten Napel de onlineverkoop zelf regelt, hebben groenteboer Lindegaard en tuinderij De Knotwilg zich aangesloten bij webshop supportlocalmarkets.nl, een initiatief van de eveneens biologische Zuidermarkt. Je krijgt ‘de lekkerste en verste producten’ dan ‘veilig thuisbezorgd’, maar daarbij verlies je dus wel de andere kwaliteit van de markt: mensen kijken. Dan heeft het andere online initiatief dat tijdens de coronacrisis het licht zag, Local Heroes, het beter bekeken: je bestelt per app, maar haalt de boodschappen zelf af bij een kraam op de Ten Katemarkt, bezorgen kost vijf euro extra. Maarten Coumans, de man achter de app en eerder werkzaam bij Albert Heijn, had verwacht dat de helft van de klanten de boodschappen zelf zou komen ophalen, het blijkt negentig procent te zijn.

‘Kijken, kijken, niet kopen’, is het verwijt dat Nederlanders te horen krijgen in het buitenland, maar volgens de Franse antropoloog Michèle de la Pradelle is kijken de essentie van het bezoek aan de markt, of tenminste, dat is de hoofdreden dat de klant naar de markt zegt te komen – dat hij vervolgens tegen iets aanloopt dat zijn hartje begeert, is secundair, maakt hij zichzelf wijs.
De la Pradelle schreef een prachtige studie over de markt van Carpentras – in het Engels vertaald als Market Day in Provence – en daarin laat ze zien hoe het zelfbeeld van de klant als flaneur wordt gespiegeld in het beeld dat de marktkoopman van zichzelf neerzet als een liefhebber die toevallig wat spullen verkoopt en liever een geintje maakt ten koste van zijn klanten dan ze stroop om de mond te smeren.

Zowel koopman als klant zijn vrij, betoogt De la Pradelle, en nog belangrijker, ze zijn gelijkwaardig: de klant is geen klant, de koopman ziet hem niet als koning. ‘Als je eenmaal op de markt bent, voel je je geen consument of voorzichtige huisvrouw meer, maar ben je in weerwil van je zelf ineens een economische actor’, schrijft ze, en om die actor te verlokken moet de koopman hem betrekken in een collectief spel van aantrekken en afstoten.

De markt biedt je niet alleen de kans om naar mensen te kijken, zoals in een park, je ziet ze ook in actie: ze kopen en keuren, wikken en wegen: ‘Doe maar een pond, of nee, toch maar anderhalf, want mijn moeder komt vanavond eten.’ ‘Zal ik het dan maar in mooi zakkie voor je doen, schat?’

Dat het goed gaat met de biologische Noordermarkt is niet zo’n verrassing, maar hoe zit het daarbuiten? Om een beeld te krijgen vraag ik bij het Marktbureau de recente cijfers van alle 34 Amsterdamse markten op; door de bezettingsgraden en de bezoekersaantallen te combineren stel ik een top-10 samen. En ja hoor, de Noordermarkt komt op de eerste plaats, maar veel verrassender is de nummer twee: Reigersbos, de markt helemaal achteraan in Zuidoost, nog voorbij snelweg A9. De markten op het Haarlemmerplein en de Lindengracht, die de derde plaats delen, liggen weer in het centrum, maar daarna is het opnieuw de beurt aan de buitenwijken: Ganzenhoef in Zuidoost en Plein ‘40-’45 in Nieuw-West. Beroemde markten als de Cuyp en de Dappermarkt hebben het nakijken.

Volgens Martie Bleeker, secretaris van de Centrale Vereniging van Ambulante Handel, past dat in een landelijke trend: ‘We zien overal dat kleine markten het beter doen dan grote, en wijkmarkten beter dan de binnenstedelijke.’ Marjolein van der Vlugt, hoofd van het Marktbureau beaamt: ‘De Amsterdammer vindt de weg naar zijn eigen markt terug. De bezoekersaantallen zijn hoger dan je zou mogen verwachten nu toeristen ontbreken. In de Marktvisie staat dat de markt een sociale plek is, een plek bij uitstek voor ontmoeting. Nu met de crisis zie je dat weer naar boven komen.’

De markt van Reigersbos maakt een uitgesproken grootstedelijke indruk: de metro dendert op hoge betonnen poten over de kramen heen en boort zich vervolgens dwars door een woongebouw. Maar op de grond is de sfeer ontspannen, bijna dorps. Visboer Eric Bond – ‘met een d, net als James’ – staat grote vissenkoppen schoon te spuiten, de reiger die bovenop zijn kraam staat te wachten krijgt een visje toegeworpen: ‘Surinamers zijn kritische klanten, de vis moet glanzen van versheid, anders hoeven ze hem niet.’ Hij is, na een dipje aan het begin van de crisis, redelijk tevreden over zijn omzet. Wim Poort, zijn collega van bakkerij ’t Stoepje, is ronduit positief: ‘Door de rijen voor de supermarkten komen mensen voor een zak zachte puntjes liever snel even bij mij langs. En dan merken ze dat onze waren langer goed blijven, ik weet zeker dat ik er na de crisis klanten aan overhoud.’

De drukte is, woensdag rond het middaguur, precies goed: gezellig, maar anderhalve meter afstand is geen enkel probleem, twee handhavers kijken tevreden toe, ze hoeven alleen wat fietsers te manen af te stappen, maar dat moet altijd. Ik vraag de grijze Surinaamse vrouw op een driezitsbankje of ze er bezwaar tegen heeft dat ik naast haar ga zitten. ‘Als je geen last hebt van mijn sigarenrook, ga je gang.’ We raken aan de praat, ze blijkt mevrouw Etnel te heten en heeft even verderop met haar zoon een kraam: ‘Ik bak alles zelf: bojo bijvoorbeeld, dat is cassave met kokos, en fiadou, dat is appeltaart met rozijnen en een tipje alcohol. En als ik ’s avonds niet alles verkocht heb, dan gaat het naar de buurtkinderen. Want bij mij is alles altijd vers.’

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat de vrouw die me eerder die ochtend met een barbecuetang een exemplaar van De Andere Krant had aangereikt, een gratis blad vol complottheorieën, geduldig zit te wachten tot we zijn uitgepraat. Of ik het al gelezen heb, en wat ik ervan vind? En of ik niet ook zie dat we met die anderhalve meter en die mondkapjes afglijden naar een Tweede Wereldoorlog-situatie, maar dan met technocratie? Als ik gereserveerd reageer, zegt ze: ‘Weet je dat er supermarkten bordjes zijn met: “Voorkom onnodige conversatie”? In zo’n wereld wil ik niet leven.’
Normaal stopt ze de krantjes in brievenbussen, maar de markt werkt beter: ‘Dan kun je kijken wie er voor openstaat, wie er al wakker is.’ De markt als openbaar domein in optima forma.

De markt draait goed, soms beter dan het Marktbureau lief is. Van der Vlugt: ‘Op het moment dat de zon begint te schijnen, knijpen we de billen tegen elkaar. Gelukkig hebben we pas één keer een markt hoeven te sluiten, die op Plein ’40-’45, maar dat verliep gedisciplineerd.’

Sinds 4 april, de dag van de ontruiming, staan er dranghekken om het plein en staan de kramen aan de randen opgesteld, waardoor een middenterrein van ruim drieduizend vierkante meter leeg blijft. Bij de ingang staat een bewaker met een tellertje om bij te houden of er niet meer dan honderd mensen tegelijk binnen zijn. Vooral zaterdag aan het einde van de middag leidt dat tot een lange rij wachtenden, een vreemd contrast met de goeddeels lege vlakte.

Asperges kosten hier geen 6,95 per pond zoals op de Noordermarkt, maar een schamele 1,75, voor watermeloen en trostomaten betaal je 98 cent per kilo, drie mango’s of een zak puntpaprika’s kosten één euro en als speciale ramadanactie krijg je elf ongebakken loempia’s voor een tientje.

‘Normaal heb ik tijdens de ramadan de helft meer omzet, nu driekwart minder’, zegt Hakim Boudrouch, die met kaas en zuivel staat – acht flessen Optimel voor 3,50. Hij is verbolgen: ‘Er kan gewoon veel meer dan dit. Ga maar eens in Apeldoorn kijken, dat plein is net zo groot, daar staat wel gewoon food én non-food en het is er veel drukker.’ De andere Hakim, die is overgeschakeld van tapijten naar groente omdat hij thuis gek werd van verveling, probeert vanuit de marktcommissie tevergeefs in gesprek te komen met de gemeente: ‘Waarom krijgen we bijvoorbeeld geen compensatie in tijd? Zaterdag is onze drukste dag. Klanten worden nu om klokslag vijf uur weggestuurd, dat slaat echt nergens op. En er kunnen ook veel meer mensen op, zeker als je het vergelijkt met het winkelcentrum hiernaast en de Action aan de overkant.’

Vooral het onderscheid met winkels, die wel gewoon open mogen, steekt: ‘Collega’s met non-food komen elke dag naar de markt om te vragen wanneer ze weer kunnen beginnen. Onze kramenzetter heeft al een plan gemaakt met een dubbele rij kramen in het midden en eenrichtingsverkeer, dan zouden er tachtig kramen kunnen staan, dat is nog altijd de helft minder dan normaal, maar het zou een begin zijn.’

In grote steden als Eindhoven, Groningen en Almere is de non-food al terug op de markt, ook Gemeente Amsterdam maakt nu aanstalten. In een informeel gesprek met kooplui in café Marktzicht op de Cuyp – waarbij tussen elke twee stoelen een tafel stond voor voldoende afstand – zei burgemeester Halsema op 30 april dat het niet vol te houden is dat winkeliers meer rechten hebben dan kooplui en dat ‘mensen met een klein inkomen’ niet enkel voor food op de markt zijn aangewezen. Ook omarmde ze het idee van de kooplui om de markt te gaan gebruiken voor voorlichting aan mensen die door de overheid en de reguliere media niet zo makkelijk worden bereikt. Uiterlijk 2 juni wil ze met concrete plannen komen.

Hoe begrijpelijk de aarzeling voor complete heropening ook is, terecht is die niet. Toen de veiligheidsregio op woensdagavond 26 maart om zes uur het verbod op non-food afkondigde, stond er de volgende morgen zonder mankeren een markt-nieuwe-stijl. ‘Ik ontplofte van trots’, zegt Marjolein van der Vlugt van het Marktbureau. Die trots is terecht; in anderhalve maand is het welgeteld één keer fout gegaan, en dat is in alle rust opgelost. Dat geeft vertrouwen: vertrouwen in de inwoners van de stad, in de kooplui, in het ambtelijk apparaat.
Het is duidelijk dat de markt voorlopig niet simpelweg terug kan naar de oude situatie, er moet bijvoorbeeld voor elke markt een nieuwe indeling komen, met als richtlijn: looppaden van minstens 6 meter en 30 centimeter. De capaciteit van de markten zal dus flink terugvallen en onduidelijk is wie er straks mag staan, en wie niet. Zal er, zoals de officiële regel eist, alleen worden gekeken naar de anciënniteit van de kooplui, of gaan we naar een systeem dat ook rekening houdt met een divers aanbod?

De afgelopen maanden hebben de markten laten zien dat ze niet alleen belangrijk zijn voor het materiële welzijn, maar ook voor onze geestelijke vrijheid: juist in de anderhalvemetersamenleving hebben we behoefte aan collectieve plekken. Bij zijn afscheid als bijzonder hoogleraar sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkelingen van nieuwe stedelijke gebieden, onderstreepte Arnold Reijndorp onlangs het belang van gewoon rondlopen en kijken als middel tegen eenzaamheid. Alleen al daarom verdient de markt alle steun.