De milieupretenties van de mode

Groenwassen

Steeds meer modemerken houden zich bezig met duurzaamheid. Groen is in de mode. Voor de consument wordt het er niet duidelijker op. Hoe schoon zijn onze kleren?

Honderden werknemers in Cambodjaanse kledingfabrieken vielen vorig jaar flauw door blootstelling aan giftige verf- en lijmstoffen. Slachtoffers van deze fainting disease belanden met ademhalingsproblemen in het ziekenhuis en kampen op lange termijn met geheugenstoornissen. Er werken naar schatting driehonderdduizend Cambodjanen in schoenen- en kledingfabrieken. De hoge concentraties chemische middelen in de lucht van de slecht geventileerde fabrieken zijn niet het enige probleem waar zij mee te maken hebben. Respect voor arbeidsrechten, zoals een eerlijk loon en de vrijheid lid te worden van de vakbeweging, is geen vanzelfsprekendheid. Eerder dit jaar vuurde de politie schoten af op vier textielarbeiders die in de Cambodjaanse stad Bavet protesteerden tegen de arbeidsomstandigheden bij hun werkgever, een fabrikant van sportkleding.

Berichtgeving over dit soort misstanden is geen zeldzaamheid. Van 2006 tot en met 2010 zijn volgens gegevens van de Schone Kleren Campagne bijna vijfhonderd textielarbeiders omgekomen bij fabrieksbranden in Bangladesh. En Greenpeace ontdekte dat Chinese kledingfabrieken al jarenlang zwaar chemisch afval in rivieren dumpen. De giftige stoffen, waaronder metalen met kankerverwekkende en hormoon beïnvloedende eigenschappen, veroorzaken milieuschade en gezondheidsproblemen.

Een andere kwestie die al lange tijd tot verontwaardiging leidt bij ngo’s is de katoenteelt in Oezbekistan, een van de grootste katoenproducenten ter wereld. In de voormalige Russische deelstaat worden jaarlijks honderdduizenden kinderen gedwongen om onder barre leef- en werkomstandigheden katoen te plukken, blijkt keer op keer uit onderzoek van onder meer de Environmental Justice Foundation. Met enige regelmaat schrijven de media over mode­labels die, vaak zonder dat ze het weten, gebruik maken van deze plantages.

Ook in andere landen is sprake van hardnekkige signalen van kinderarbeid. De Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen sloeg recent voor de tweede keer alarm over uitbuiting in vier textielfabrieken in de Indiase regio Tamil Nadu. Uit hun onderzoek bleek dat de meisjes buitensporig overwerk moeten verrichten, verplicht wonen op het fabrieksterrein in armetierige slaapzalen en zijn verstoken van hulp van vakbonden.

Een ver-van-ons-bed-show? Toch niet. Want het zijn fabrieken in Azië, Oost-Europa en Afrika die het grootste deel van de kleding maken die in Nederlandse winkels hangt. Populaire merken zoals Nike, Adidas, H, Zara, C, Tommy Hilfiger en Lacoste worden regelmatig in verband gebracht met bovengenoemde misstanden. Vriend en vijand zijn het erover eens dat het voor internationale modebedrijven praktisch onmogelijk is om uit te sluiten dat zich in de productieketen onwenselijke situaties, met name arbeidsrechtenschendingen, voordoen.

Inmiddels is in de modewereld een toenemend duurzaamheidsbewustzijn zichtbaar. Dezelfde bedrijven die vanwege hun milieu­vervuiling en mensenrechtenschendingen in de media verschijnen, lanceren groene collecties, voorzien hun labels van duurzaamheids­keurmerken, en publiceren vuistdikke rapporten over hun Corporate Social Responsibility.

Een deel van deze initiatieven komt tot stand na campagnes, lobby’s en maatschappelijke druk. Bijvoorbeeld: in reactie op de beschuldigingen van Greenpeace hebben C, H, Li Ning, Adidas, Puma en Nike een gezamenlijk plan gelanceerd dat ervoor moet zorgen dat hun toeleveranciers geen afval met giftige chemicaliën meer lozen. En meer dan zestig modebedrijven en winkelketens hebben toegezegd katoen uit Oezbekistan te boycotten vanwege de gedwongen (kinder)arbeid op de plantages.

Daarnaast lijkt het erop dat Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (mvo) steeds meer in de mode is. Al dan niet vanuit de overtuiging dat consumenten het verwachten, geven modebedrijven nadrukkelijk blijk van hun mvo-beleid. Neem het gebruik van biologisch geteelde katoen in de kledingindustrie: dat nam volgens Textile Exchange in 2010 met twintig procent toe ten opzichte van het jaar ervoor. H en C behoorden in 2009 en 2010 wereldwijd tot de grootste afnemers van biologisch katoen. Ook Levi’s, Adidas en Marks Spencer zijn lid van het Better Cotton Initiative, dat streeft naar milieu- en sociaal verantwoorde katoenproductie. De duurzame ontwikkelingen bij de modemerken kunnen worden gezien als de veelbelovende eerste stappen in de richting van een schone, eerlijke kledingindustrie.

Maar een volledig verantwoord geproduceerd kledingstuk is, alle inspanningen ten spijt, nog altijd fictie. Bedrijven die pogingen ondernemen om hun productieketen te verduurzamen, zijn dan ook te prijzen: door hun tijd- en kosteninvesteringen effenen zij als koplopers straks de weg voor de achterhoede.

De bescheiden vorderingen van de mode­wereld op het gebied van duurzaamheid staan echter vaak nauwelijks in verhouding tot de realiteit. Zo is de katoen met het stempel van Textile Exchange, die zo overvloedig in de schappen van H en C ligt, niet volledig biologisch. Een stof die voor vijf procent uit biologisch geteelde katoen bestaat, mag het label al voeren. Dit verklaart het opmerkelijke gegeven dat er al jarenlang meer kleding onder het mom van biokatoen in de winkels wordt verkocht dan er ooit wereldwijd aan biologisch katoen is geteeld. Een vergelijkbare beperking kleeft aan het Better Cotton Initiative. Dit zogenoemde multi-stakeholder initiative is een vorm van zelfregulering die slechts een beperkt aantal eisen stelt aan de productie van katoen. Bedrijven die eraan deelnemen, doen dan ook verdacht veel denken aan slagers die hun eigen vlees keuren. En waarom verzinnen ze hun eigen standaards, in plaats van de internationale richtlijnen voor biologische katoen te volgen?

Greenwashing is de hedendaagse mode­wereld dan ook niet vreemd. Een recent voorbeeld. Het nieuwe, zwarte uittenue van het Nederlands elftal staat als groen te boek, omdat Nike er gerecyclede plastic flessen voor gebruikt. Voor één tenue zouden liefst dertien pet-flessen zijn hergebruikt. De milieuvriendelijkheid van de techniek, die trouwens al jaren wordt gebruikt voor het maken van het alom bekende fleece, is op z’n zachtst gezegd dubieus. Het hergebruiken van plastic flessen is beter dan er de afvalberg mee vergroten, maar het recyclen vergt een milieubelastend en energie-intensief chemisch proces.

Of neem de opmars van eco-efficiënte winkels bij Inditex, het bedrijf achter onder meer Zara. Het is de bedoeling dat in 2020 alle winkels van Zara honderd procent eco-efficiënt zijn, wat volgens de fast fashion retailer wil zeggen dat ze weinig water en energie verbruiken en zo min mogelijk afval produceren. Het is een streven dat aanmerkelijk ambitieuzer is dan dat van Gucci, dat in 2010 nog door de modepers als groen werd bejubeld omdat het alle tassen en cadeauverpakkingen zou vervangen door fsc-gecertificeerd, gerecycled papier. Maar erg spectaculair is de milieu-opbrengst van Zara nu ook weer niet: de voorgestelde maatregelen blinken – met de stijgende prijzen voor stroom en afvalbeheer – vooral uit in kostenefficiëntie.

Kostenbesparing die wordt gepresenteerd als duurzaamheid is, vooral naarmate de modewereld de gevolgen van de recessie voelt, een beproefde strategie. Retailers deinzen er niet voor terug hun bedrijfsvoering groen te noemen omdat de winkels zijn voorzien van led-lampen en het hoofdkantoor dubbelzijdig print.

Kunnen consumenten die met een gerust geweten kleding willen kopen dan vertrouwen op keurmerken? Ook daar is een kritische blik noodzakelijk. Dat heeft allereerst te maken met de grote hoeveelheid labels, logo’s en keurmerken. In Nederland bestaan zeker vijftig keurmerken op het gebied van milieu, dierenwelzijn en eerlijke handel. De wildgroei aan keurmerken schept verwarring. De Consumentenbond liet in 2010 in een onderzoek onder haar leden zien dat consumenten weinig inzicht hebben in de betekenis en waarde van een keurmerk. Zo spraken respondenten en masse hun vertrouwen uit in het niet-bestaande keurmerk ‘Gemaakt zonder kinderhanden’. Om het nog ingewikkelder te maken: de blauwe knoop die deelnemers aan het multi-stakeholder initiative Made-By in hun kledingcollecties gebruiken, is geen bewijs van een keurmerk.

Er zijn niet alleen te veel keurmerken; te weinig keurmerken zijn onafhankelijk. Labels en logo’s wekken de indruk van een stempel van goedkeuring door een certificatie-instelling. Maar in veel gevallen ontbreekt een onafhankelijk kwaliteitsoordeel. In Europa bestaat bijvoorbeeld geen juridische verplichting om biologisch katoen te laten certificeren. Dit in tegenstelling tot biologische voeding.

Ten slotte is de betekenis van de verschillende keurmerken die op kledinglabels prijken niet eenduidig. Max Havelaar kijkt alleen naar eerlijke lonen en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden op de katoenplantages. Over de milieuvriendelijkheid van de katoenteelt en over de werkomstandigheden in naaifabrieken zegt het keurmerk vrijwel niets. En Ökotex Standard 100 is strikt genomen geen milieukeurmerk, maar een set standaards over stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, bijvoorbeeld omdat ze allergische reacties bij de drager kunnen veroorzaken. Ökotex stelt namelijk eisen op het gebied van stoffen die toevallig ook milieuschadelijk kunnen zijn, zoals zware metalen en gewasbeschermingsmiddelen.

Om de Nederlandse kledingconsument te beschermen tegen greenwashing hebben verschillende initiatieven voor transparantie het levenslicht gezien. Kritische organisaties zoals Rankabrand en Goede Waar prikken maar wat graag de duurzame claims van modemerken door.

Op het eerste oog zijn de resultaten van de rankings hoopgevend. Tussen 2010 en 2011 zijn de scores voor beleid op het gebied van milieu, klimaat en arbeidsomstandigheden van de merken die Rankabrand onderzocht flink verbeterd: gemiddeld met 45 procent. Vooral over de arbeidsomstandigheden publiceren merken steeds meer concrete informatie, signaleren de brandwatchers. Bijna een derde van de 467 onderzochte bedrijven is aangesloten bij een initiatief zoals Made-By of de Fair Wear Foundation.

Een vergelijkbare trend signaleert Goede Waar in de meest recente Kledingchecker. ‘Steeds meer merken durven uitgebreider inzicht te geven in hun productieprocessen en duurzaamheidsinitiatieven’, aldus de beoordeling van 325 kledingmerken. In totaal scoren 65 merken in 2011 bovengemiddeld.

Rankabrand en Goede Waar waarschuwen consumenten dat de ratings geen garantie zijn voor duurzaamheid. Beide organisaties baseren hun oordeel primair op informatie die bedrijven zelf verstrekken. Rankabrand struint websites af om publicaties over duurzaamheidsbeleid te verzamelen; de Kledingchecker vraagt ­bedrijven een vragenlijst in te vullen. Deze werkwijze ­verklaart mogelijk de prima rankings van onder meer Puma, Nike en Adidas op Rankabrand en de hoge score van H in de Kledingchecker.

Het risico bestaat dat de rankings meer zeggen over de transparantie van modemerken dan over hun duurzame praktijken. Maar belangrijker is de veelheid aan beoordelingen: naast websites en apps van Kledingchecker en Rankabrand zijn er ook nog een shopping list van de Fair Wear Foundation, Eerlijk Winkelen-routes voor zeventien Nederlandse steden en een Fair Fashion Route in Arnhem. En allemaal geven ze andere winkeladviezen.

Alle mvo-rapporten, keurmerken, beoordelingssites en winkelroutes betekenen dan ook niet dat duurzaamheidsbewuste kleding­consumenten gedachteloos kunnen winkelen. Een simpel advies is er wel. Uit milieu-analyses van onderzoeksbureau CE Delft blijkt dat de milieu-impact van een kledingstuk voor tachtig procent te maken heeft met de vezelproductie- en gebruiksfases. Maar liefst 32 procent van de totale milieu-impact van kleding wordt veroorzaakt door de manier waarop wij wassen en drogen. Dus hoe onmodieus het ook klinkt: volle wastrommels, een lage wastemperatuur, een kort wasprogramma en een wasrek (in plaats van droger) zijn minstens zo belangrijk voor het milieu als het kopen van biologische kledingstukken. Zo wassen we de kledingindustrie zelf wel groen.