Economie

Groepsdenken

Ook al is het wachten op het definitieve boek over de financiële crisis, inmiddels laten zich wel drie meer of minder dominante verhaallijnen onderscheiden. De eerste luidt dat de crisis veroorzaakt is door graaiende bankiers. De tweede dat zij de schuld is van domme toezichthouders. En de derde dat de hoofdschuldige de economische wetenschap is. Het eerste verhaal domineert de politieke bühne. Het tweede overheerst in de achterkamertjes van de Bank for International Settlements (BIS) en al die andere transnationale technocratische oorden. Het derde blijft vooralsnog beperkt tot de academia.
Toch zijn het niet de minsten die menen dat de crisis een flagrante demonstratie van intellectueel falen was. Nobelprijswinnaar Paul Krugman schreef op 6 september in The New York Times dat de ‘economische professie over de schreef ging doordat economen schoonheid, in de vorm van imponerende mathematische modellen, voor waarheid hielden’. Diezelfde week schreef de Financial Times in zijn hoofdredactioneel commentaar dat nadenken over een nieuwe financiële architectuur vergeefs is zolang het probleem van ‘groepsdenken’ niet wordt aangepakt. Zowel toezichthouder als bankier onderschreef het dogma ‘dat financiële innovatie goed is en markten perfect zijn’. Volgens de zakenkrant moet deze ‘conceptuele monocultuur’ worden doorbroken.
De sociologen Olav Velthuis en Liesbeth Noordegraaf leggen in hun Op naar de volgende crisis! de schuld onverbloemd bij de economische wetenschap. De liberalisering van de jaren negentig, de groei en bloei van de derivatenmarkten en het massale gebruik van bonussen in het bedrijfsleven zijn volgens Velthuis en Noordegraaf te wijten aan de intellectuele dominantie van economische theorieën. Deze theorieën zijn namelijk geen afbeeldingen van de werkelijkheid, maar machines die hun eigen werkelijkheid maken. Velthuis en Noordegraaf noemen dit ‘performativiteit’. De stelling is dat de bril waarmee we naar de werkelijkheid kijken ons handelen bepaalt en dat we de werkelijkheid boetseren naar wat onze bril suggereert.
Het kanaal waarlangs economische theorieën dat doen zijn de financiële rekenmodellen waarmee bankiers hun beleggingen en risico’s prijzen. Tijdens de boekpresentatie bleek dat Velthuis en Noordegraaf hun hand enigszins overspeelden. Henk Brouwer van De Nederlandsche Bank gaf aan dat modeluitkomsten niet Gods woord waren maar worden onderworpen aan collectieve interpretatie en dat naast economen ook accountants, juristen en actuarissen daaraan deelnemen. Casper van Ewijk van het Centraal Planbureau (CPB) vertelde een soortgelijk verhaal, hoewel hij dat een zin later onderuit haalde door te erkennen dat de 150 ‘kritische geesten’ van het CPB allemaal econoom zijn. En ook de bankier in het gezelschap, Frank Hoogendijk van Triodos MeesPierson, ontkende dat vertrouwen in modellen het gezond verstand had verdreven.
Velthuis en Noordegraaf spreken in het boek de hoop uit dat de intellectuele hegemonie van de economische wetenschap nu eindelijk wordt doorbroken. Meer diversiteit is volgens hen cruciaal. Of dat gaat gebeuren is twijfelachtig. Ten eerste omdat het nog altijd de economen zijn die worden uitgenodigd om het geklungel van hun vakgenoten te becommentariëren. Ten tweede omdat het eigenlijke probleem niet zozeer de inhoud van de economische modellen is maar de onderliggende wetenschapsopvatting. Wat de economische wetenschap kenmerkt is haar drang tot heroïsche versimpeling. Om met Krugman te spreken: de schoonheid van eenvoud weegt zwaarder dan de waarheid van complexiteit. In een misplaatste poging om net zo ‘hard’ te lijken als de fysicus moet de econoom een gering aantal kwantificeerbare variabelen al het werk laten doen. Door dit temperament is de kans klein dat het gat in het hart van de economische wetenschap wordt gevuld met sociologische, historische en antropologische inzichten. Groter zijn de kansen voor ‘vergeten’ economische theorieën als het keynesianisme, nieuwe theorieën als de gedragseconomie en al even ‘harde’ disciplines als de epidemiologie.
Met Velthuis en Noordegraaf ben ik van mening dat meer nodig is. Al was het maar om de overmoed te temperen van toezichthouders die beloven dat zij met meer data en betere theorieën de wereld kunnen vrijwaren van crises. Tot het zo ver is neem ik genoegen met meer debat binnen de economische wetenschap. Geen probater middel om het groepsdenken te doorbreken dan door interne discussies over aannames en correlaties publiekelijk uit te vergroten. En geen betere manier om dat te doen dan door het monopolie van het CPB op economische advisering te doorbreken. Tegengestelde adviezen en afwijkende voorspellingen zullen de economische wetenschap vliegensvlug ontdoen van het aura van onfeilbaarheid. Dat argument moet zwaarder wegen dan het tegenargument van politieke eenstemmigheid doordat alle politieke voorstellen door de zeef van het CPB gaan. Opmerkelijk dat dit vorige week tijdens de boekpresentatie niet ter sprake kwam.