Vrouw & techniek

Groepsfoto zonder dame

Meer dan in andere landen zijn in Nederland vrouwen ondervertegenwoordigd in de technische sector. Waarom zijn juist hier de vooroordelen zo sterk?

Girlsday, Den Haag 12 april 2018. VHTO, landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen en bèta/techniek wil de participatie van meisjes in deze sectoren vergroten. Op Girlsday kunnen meisjes kennismaken met bèta, techniek en ICT © Inge van Mill / De Beeldunie

Het klinkt misschien als een onbeduidende anekdote, maar voor Maayke Damen is het typerend. Een paar jaar geleden raakte ze tijdens een conferentie over circulaire economie in gesprek met een andere bezoeker. Hij legde haar uitvoerig uit wat het ‘grondstoffenpaspoort’ was, een document met informatie over de samenstelling en herkomst van het materiaal in een product. Herhaaldelijk probeerde ze ertussen te komen, maar onverstoord vervolgde hij zijn verhaal. ‘Als hij nou gewoon even luisterde, dacht ik toen, kon ik vertellen dat ik het onderzoek achter dat paspoort zelf had uitgevoerd.’

Damen is het schoolvoorbeeld van een startup-oprichter met een missie. In 2016 begon ze Excess Material Exchange, een online marktplaats waar bedrijven hun overtollige materialen kunnen kopen en verkopen. Nu danken de meeste bedrijven hun afval simpelweg af, en ze betalen daar soms fors voor. Maar op de marktplaats wordt het een bron van inkomsten. Zo wil Damen de vastgeroeste afvalwereld ‘disrupten’ en duurzamer maken. Ze loopt al jaren rond tussen de idealistische ‘techies’, woonde een tijd in San Francisco en spreekt nu wereldwijd op conferenties voor innovatieve ondernemers. Toch blijft ze overal de uitzondering: ze is een vrouw.

Vrouwelijke oprichters van startups zijn al schaars, en Damen werkt ook nog eens in een heel technisch domein. Haar bedrijf maakt gebruik van data, artificial intelligence en blockchaintechologie. ‘Dan vinden mensen het al helemaal gek dat een vrouw de leiding heeft.’ Op elk evenement stuit ze weer op verbaasde blikken. ‘Dan sta ik naast mijn co-founder, een man, en denken ze dat ik zijn vriendin ben’, zegt Damen, ‘of een serveerster.’ Het is niet dat ze het hun persoonlijk kwalijk neemt, zegt ze, de scepsis is vaak onbewust. Maar toch: ‘Het zou goed zijn als er meer aandacht kwam voor de positie van vrouwen in deze sector.’

Die aandacht is er het laatste jaar steeds meer, zowel in de media als in de sector zelf. Een bepalend moment was de zomer van 2016, toen James Damore, softwareontwikkelaar bij Google, betoogde dat vrouwen biologisch nu eenmaal minder geschikt zijn voor technische beroepen dan mannen. Google ontsloeg hem op staande voet, maar Damore liet het daar niet bij zitten. Een paar maanden later spande hij een rechtszaak aan tegen zijn oude werkgever: hij zou zijn gediscrimineerd.

Dit incident staat niet op zichzelf. Eind 2017 schetste Sheelah Kolhatkar in The New Yorker een overzichtsbeeld van een sector waarin seksisme aan de orde van de dag is: van seksuele intimidatie op de werkvloer tot een structurele loonkloof tussen mannen en vrouwen. Hoewel de techgiganten zich verzetten tegen dit soort aantijgingen spreken vrouwelijke werknemers zich de afgelopen jaren steeds feller uit. Facebook, Google, Tinder, Tesla en Uber, allemaal werden ze voor de rechter gesleept door vrouwelijke ex-werknemers, met miljoenenschikkingen en het vertrek van vooraanstaande bestuursleden tot gevolg.

In het Amerikaanse Silicon Valley staan de verhoudingen kortom op scherp, maar ook daarbuiten begint er iets te dagen. Zelfs de wereldleiders op het World Economic Forum in Davos waarschuwden vorig jaar voor de groeiende sekseongelijkheid in de techwereld. En afgelopen december onderstreepte de internationale investeringsmaatschappij Atomico in haar jaarlijkse analyse State of European Tech een ‘bijzonder serieus probleem’: hoewel investeringen in Europese techbedrijven in 2018 enorm groeiden, ging 93 procent van al het kapitaal en 85 procent van alle investeringsdeals naar startups met geheel mannelijke teams. Uit de vijfduizend mensen die Atomico aanvullend raadpleegde voor het onderzoek zei bijna de helft van de vrouwen discriminatie te hebben meegemaakt in de sector. ‘Vrouwen en minderheden zijn ondergerepresenteerd in elk deel van het ecosysteem’, aldus het rapport.

Het Nederlandse aandeel vrouwen met een specialistisch beroep in de ict-sector bungelt met een kleine vijftien procent onderaan in Europa, meisjes kiezen zelden voor een informatica-opleiding, en ook hier zijn de oprichters van bedrijven in de techsector bijna uitsluitend man. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden uit 2016 blijkt dat vrouwen werkzaam in de ict twee keer zo veel kans lopen seksueel geïntimideerd te worden op de werkvloer dan vrouwen in andere beroepsgroepen.

‘Het stereotype dat techniek typisch iets voor mannen is, is in Nederland veel sterker dan in andere landen’, zegt Esther van Schaik, beleidsmedewerker bij vhto, het landelijke expertisebureau voor meisjes en vrouwen in bèta en techniek. Dat blijkt uit verschillende wereldwijde onderzoeken naar impliciete vooroordelen over geslacht en techniek, door psychologen als Brian Nosek en David Miller. In landen waar die culturele norm minder aanwezig is, zoals Bulgarije, Roemenië of India, is bijna een derde van alle ict’ers vrouw. In Maleisië heeft zelfs meer dan de helft van alle computerwetenschappers een dubbel X-chromosoom.

Een vroege versie van Siri wist wel waar je Viagra kon halen maar niet waar de abortus­kliniek was

In de vraag waarom juist in Nederland de vooroordelen zo sterk zijn, zegt Van Schaik, ligt meteen de oplossing verscholen, ‘alleen hebben we het antwoord nog niet’. Maar de gevolgen zijn duidelijk: er ontstaat een vicieuze cirkel, van kleuterschool tot arbeidsmarkt en weer terug. Het feit dat vrouwen nu ondervertegenwoordigd zijn versterkt het idee dat vrouwen niet goed overweg kunnen met technologie. Vaak denken meisjes dat het ‘niet echt iets voor hen is’. Om dat te ondervangen moet je er al heel vroeg bij zijn. ‘Juist bij kleuters zie je dat jongens én meisjes techniek interessant vinden’, zegt ze. Maar meisjes worden er door hun omgeving veel minder mee in aanraking gebracht: ‘Het onderscheid tussen jongens en meisjes wordt al zo jong gemaakt.’

Vanaf de jaren tachtig ontwikkelde de overheid talloze campagnes om meisjes warm te maken voor bètavakken en techniek. Iedereen uit die tijd kan de slogans nog zo oplepelen, zegt Van Schaik: ‘Thea kiest voor techniek’, ‘Een goede meid is op haar toekomst voorbereid’. Toch is de toename van vrouwen in de techsector nog steeds erg zwak. ‘De campagnes waren vooral gericht op marketing, erg inhoudelijk waren ze niet.’ Zij pleit daarom voor een integrale aanpak. Meisjes hebben in ieder geval meer voorbeelden nodig om zich aan te spiegelen. vhto werkt daarom met ruim drieduizend rolmodellen: vrouwen in bèta en ict die meisjes enthousiast kunnen maken over technologie.

‘Op de groepsfoto’s van de nieuwe lichtingen staan vrijwel alleen maar mannen’, zegt Dieuwke Hoogland, oprichter van Female Ventures, een initiatief dat vrouwelijk ondernemerschap stimuleert. Ze zit op een grijze loungebank midden in de loods van YES!Delft. De organisatie staat bekend als de op één na beste incubator in Europa: een broedplaats waar jonge tech-ondernemers maximaal vijf jaar lang geholpen worden met een netwerk, kantoorruimte en intensieve trainingen. De deelnemers zijn bijna allemaal man, terwijl de organisatie juist meer vrouwen wil aantrekken, en dus heeft ze Hoogland om advies gevraagd.

Een goed begin, zegt Hoogland, die inmiddels evenementen organiseert waar vrouwen elkaar helpen en een adviesrapport met vrouwvriendelijke tips heeft opgesteld. De aanpak lijkt zijn eerste vruchten af te werpen: vandaag begint de nieuwste batch ondernemers, en er doen wel drie of vier vrouwen mee. Zo ook Maayke Damen met haar afval-startup. De nieuwelingen stromen net een vergaderkamer uit, langs de pingpongtafel en via de koelkast waarnaast een zwaard bungelt (elke keer als een startup een investering binnenhaalt, viert YES!Delft het met een fles champagne die op klassieke wijze wordt ontkurkt). De organisatie doet haar best, vindt Hoogland, maar kan dit simpelweg niet alleen oplossen. Aangezien de meeste deelnemers direct van de TU Delft komen, ook niet bepaald een vrouwenbolwerk, is het niet heel gek dat er bij YES!Delft weinig vrouwen rondlopen. Weinig meisjes kiezen voor een technische studie.

Een incubator als YES!Delft kan dus de beste bedoelingen hebben, maar blijft onderdeel van een dynamiek die zichzelf in stand houdt. Broedplaatsen voor startups reproduceren niet alleen de achterstand van vrouwen in tech, die al tijdens de studiekeuze ontstaat, maar leggen ook de basis voor de toekomstige positie van vrouwen in de sector – en daarbuiten. Bij YES!Delft leren deelnemers de fijne kneepjes van het ondernemerschap, zodat ze op den duur zelfverzekerd kunnen aankloppen bij mogelijke investeerders en kopers. Ze maken kennis met het brede netwerk van YES!Delft, waartoe onder meer Rabobank, het ministerie van Defensie, Engie, Ernst&Young en Shell behoren. Een advies of zelfs een investering van deze invloedrijke instanties betekent een welkom zetje in de rug van de jonge honden, maar zolang vrouwen ontbreken, heeft het al snel de schijn van een old boys network.

Jonge startups hebben alleen maar profijt van een groter aantal vrouwen, zegt Hoogland. Volgens de Harvard Business Review maken bedrijven met relatief meer vrouwen in topfuncties meer winst en zijn diverse teams beter in het ontwikkelen van innovatieve producten. Consultancybureau McKinsey concludeerde in het rapport Diversity Matters dat bedrijven met een divers (hier gedefinieerd als geslacht en etniciteit) leidinggevend team meer talent aantrekken en beter zijn in klantvriendelijkheid, tevredenheid van werknemers en besluitvorming: ‘Dit alles leidt tot een effectieve cyclus van toenemende winst.’

Als florerende bedrijven en gelukkige werknemers nog niet overtuigend genoeg zijn, is er een ander, misschien nog wel belangrijker argument: meer diversiteit in de techsector is van belang voor de samenleving als geheel. De afwezigheid van vrouwen heeft namelijk gevolgen voor een ieder die met technologie te maken krijgt. Computertechnologie beïnvloedt onze omgeving en onze levens in steeds grotere mate, maar tot dusver bepaalt een kleine, homogene groep mensen hoe deze technologieën werken en wat ze kunnen.

Zo zijn er talloze voorbeelden waarbij mannelijke, overwegend witte programmeurs er niet aan dachten dat een product of een algoritme ook van toepassing moest zijn voor mensen die net even anders zijn dan zijzelf. Vroege spraakherkenningsprogramma’s raakten geheel van slag toen ze opdrachten kregen van een vrouwenstem in plaats van de mannelijke bas waarmee de programma’s waren geprogrammeerd. Of denk aan de automatische zeepdispenser die meteen gehoorzaamde toen er een witte hand onder hing, maar niet reageerde op herhaaldelijk gezwaai van een zwarte man. Ook wist een vroege versie van Siri, de behulpzame spraakassistent van Apple, je wel te vertellen waar je viagra kon halen of een prostituée kon vinden, maar niet waar de dichtstbijzijnde abortuskliniek was. En hoe handig het bijhouden van je menstruatiecyclus op je telefoon ook mag zijn, de gezondheidsapp van Apple bood deze optie aanvankelijk niet aan.

De allereerste computerprogrammeurs waren bijna uitsluitend vrouwen

In een torenzaaltje van de Universiteit Utrecht spreekt Simone Brummelhuis vanachter een katheder zelfverzekerd de zaal toe. Er zitten ruim twintig vrouwen en zeven mannen. Dit is maar een van de vele bijeenkomsten van haar internationale netwerkclub TheNextWomen. Tijdens netwerkmiddagen en conferenties kunnen vrouwelijke ondernemers, gericht op technologie in de breedste zin van het woord, elkaar ontmoeten en verder helpen. Vandaag staat de medische wereld centraal: vier wetenschappers-alias-ondernemers pitchen hun bedrijf. Drie van de vier sprekers zijn man.

‘Mannen en vrouwen lopen tegen dezelfde obstakels aan’, zegt Brummelhuis. ‘Allemaal zoeken we kapitaal en een klant.’ Brummelhuis kan het weten. In 2001 richtte ze samen met Iens Boswijk de vroege internetstartup Iens.nl op, de website waarop je zelf restaurants recenseert. Het werd een succes, Tripadvisor kocht het bedrijf in 2014 voor een flinke smak geld. Toch merkte Brummelhuis dat de kansen nog niet gelijk verdeeld zijn voor beide seksen. ‘Geldschieters bij banken en investeringsfondsen zijn allemaal mannen’, zegt ze. Recent onderzoek toont dat de afgelopen acht jaar in Nederland startups met vrouwen aan het roer maar 1,6 procent van al het durfkapitaal ontvingen. Gemengde teams kregen 6,8 procent, de rest ging naar bedrijven met alleen maar mannen. De afwezigheid van vrouwen in tech komt dus niet alleen door weerstand van meisjes om zich te verdiepen in technologie, maar ook door een gebrek aan vrouwen bij investeringsfondsen (drie procent). Ook zijn er simpelweg minder vrouwelijke startup-oprichters (zeventien procent) en kloppen zij minder vaak aan bij durfkapitalisten.

Maar daar valt wat aan te doen, aldus Brummelhuis. Niet alleen probeert ze vrouwen enthousiast te maken voor het ondernemerschap. Ook heeft ze, onder de vlag van TheNextWomen, zelf een investeringsfonds opgericht, om ondernemingen met minstens één vrouwelijke oprichter meer kansen te bieden. Het kwam tot stand door crowdfunding bij meer dan zeventig vrouwen en bestaat nu bijna vijf jaar. Wat Brummelhuis betreft is het succesvol, maar nog niet genoeg. Inmiddels heeft ze een tweede, groter fonds opgezet. Maar het grote geld aantrekken blijft een opgave: ‘Die pensioenfondsen vinden het ook maar lastig.’

Ook in Silicon Valley zijn vrouwelijke investeerders zelf fondsen gestart. Mede hierdoor is het aandeel startups met ten minste één vrouwelijke oprichter die daadwerkelijk een investeringsdeal binnenhalen de afgelopen twaalf jaar gestaag gegroeid tot zo’n zeventien procent, blijkt uit onderzoek van financiële database Pitchbook. En hoewel Amerikaanse startups met ten minste één vrouw in het team in 2018 een recordpercentage aan geld ontvingen, was dit nog steeds maar een kleine dertien procent van al het kapitaal.

Nu speelt durfkapitalisme weliswaar een minder grote rol in Nederland, maar de gevolgen van deze ongelijke machtsverhoudingen blijven hetzelfde, aan welke kant van de oceaan je ook staat. Die zijn problematisch, schreef Nina Burleigh in 2014 in Newsweek: ‘Digitale technologie is de industriële revolutie van ons tijdperk, en dus zullen de vermogens die nu ontstaan, en de bedrijfsmodellen en -culturen die nu gevormd worden invloed hebben op de komende eeuw. En vrouwen staan hierin grotendeels aan de zijlijn.’

Hoewel steeds meer meisjes kiezen voor een bètaprofiel stromen ze lang niet allemaal door naar technische studies, en vallen nog meer vrouwen af bij het kiezen van een baan. Ten slotte haken veel van de vrouwen die uiteindelijk toch in de techsector terechtkomen ook snel weer af. Deze moeizame doorstroom naar de arbeidsmarkt – ook wel de leaking pipeline – is misschien wel het grootste probleem, zegt Esther van Schaik van expertisebureau vhto. Daarom wil de organisatie meisjes en vrouwen in al deze fases herhaaldelijk in aanraking brengen met technologie: van programmeerlessen op basisscholen en meeloopdagen voor middelbare scholieren tot loopbaanadvies voor studenten. ‘Met één keer een rolmodel ontmoeten ben je er nog niet.’

Om een echt structurele verandering in gang te zetten richt vhto zich bovendien niet alleen op vrouwen zelf, maar ook op hun omgeving, en dus op de samenleving als geheel. Dit door middel van trainingen voor docenten, informatiepakketten voor ouders en kinderboeken over meisjes die gek zijn op technologie. Natuurlijk zullen meisjes ook boekjes over Barbie of sprookjesprinsessen lezen, zegt Van Schaik. Maar de vooroordelen tegen techniek zijn zo doorgedrongen in onze cultuur dat alle invloeden helpen om meisjes te laten inzien dat vrouwen wel degelijk overweg kunnen met technologie.

De geschiedenis toont dat vrouwen inderdaad prima met technologie uit de voeten kunnen. Sterker nog: de allereerste programmeurs waren bijna uitsluitend vrouwen. In zijn boek The Computer Boys Are Coming onderzoekt de Amerikaanse wetenschapshistoricus Nathan Ensmenger de geschiedenis van computersoftware en de opkomst van de ‘computer expert’. In de jaren veertig en vijftig, de begindagen van de computer, werd het programmeren van computercode grotendeels overgelaten aan vrouwen. Toen het Amerikaanse leger in 1946 de Eniac opleverde, de tweede computer aller tijden, huurde het een groep vrouwen in om alle opdrachten in te voeren in code.

Toch stonden deze ‘Eniac girls’ niet bepaald bekend als technische bollebozen, stelt Ensmenger: hun programmeerwerk werd gezien als een uitvoerend, weinig intellectueel beroep. Iets wat je met je handen doet. Het denkwerk konden ze maar beter overlaten aan de mannelijke ‘planners’, die stonden een tree hoger op de ladder en schreven de codetaal die de vrouwen vervolgens invoerden. Maar al snel bleek dat het programmeerwerk meer inhield dan hersenloos toetsen intikken. Verbanden leggen, bugs verhelpen, oplossingen testen; dat hoorde er ook allemaal bij. Vanaf de late jaren vijftig kreeg het programmeren van computers daarom langzaam een nieuwe betekenis. Het werd een complex en inventief ambacht bij uitstek, waarbij je weinig had aan strikte regels. Een ‘zwarte kunst’, alleen voorbehouden aan de meest creatieve denkers. En dat konden toch alleen mannen zijn?

‘We willen allemaal dat de wereld gelijk is, maar daar moeten we zelf iets aan doen’, zegt Simone Brummelhuis vanachter haar Utrechtse katheder. Ze wil vooral geen slachtofferpositie innemen, dat zou de goede zaak alleen maar tegenwerken en de schuld bovendien bij mannen leggen, terwijl die meestal de beste bedoelingen hebben. Bij haar netwerkclub TheNextWomen ligt de nadruk op individuele wilskracht, al kijken ze ook naar een abstracter niveau: dat van culturele normen, die bepalen hoe de samenleving mannelijkheid en vrouwelijkheid definieert. Dáár moeten wij iets aan doen, zegt Brummelhuis.

Zo krijgt een klein groepje vrouwelijke go-getters de verantwoordelijkheid om verandering te brengen in zoiets ongrijpbaars als de sociale structuur van een samenleving. Maar dat kan nooit de bedoeling zijn, stelt Esther van Schaik van vhto. Ze is vol lof over vrouwen die in hun eentje tegen de stroom inzwemmen. Zij doorbreken een trend, laten zien dat het ook anders kan. Maar het probleem, en dus ook de oplossing, kan niet alleen bij hen liggen – het gaat iedereen aan: ‘We willen niet alleen meisjes maar juist ook jonge jongetjes laten inzien dat vrouwen en technologie heel goed samengaan.’