Misbruik in de hulpindustrie

Groetjes uit het hulpverlenersparadijs

Dat seksueel misbruik een structureel verschijnsel is in de hulpsector weet iedereen al tientallen jaren. Waarom moest het dan toch zo lang duren voor het aan het licht kwam?

Medium nyc101903
Port-au-Prince, 2010. Het Coconut Villa Hotel, dat grotendeels intact is gebleven tijdens de aardbeving en waar veel hulpverleners en journalisten verbleven © Peter van Agtmael / Magnum / HH

De wereld viel in verbijstering achterover door de onthullingen over de seksfeesten van Oxfam in Haïti, maar we hadden het al heel lang kunnen weten. Meteen na de aardbeving in Haïti (2010) verscheen bij een Amerikaanse uitgever bijvoorbeeld de taalgids Essential Expressions for Communicating in Haiti met een hoofdstuk speciaal voor humanitairen die vanuit de hele wereld op het rampgebied af stroomden en geen Kreyòl spraken. Er stonden zinnetjes in zoals ‘Is there an American restaurant?’ (Gen yon restoran Ameriken?) en ‘Is there a menu in English?’ (Ou gen yon meni an angle?), naast ‘You need not have sex with people for free food’ (Ou pa oblije kite moun pou manje moun dwe resevwa gratis) en ‘Do not give up your children to others for food’ (Pa boukante timoun ou yo pou manje). Zelfs taalgidsschrijvers wisten wat er in de hulpsector in Haïti gaande was.

Misbruik in de hulpindustrie is gebruikelijk genoeg om in het internationale hulpverlenersjargon een eigen afkorting te hebben: ‘sea’, Sexual Exploitation and Abuse.

Dat we dit tot ‘Oxfam’ niet wisten valt voor een deel de internationale journalistiek te verwijten. Al tientallen jaren verschijnen, soms vertrouwelijke, maar best te achterhalen rapporten over sea, maar de journalistiek doet er niets mee, of soms wel, maar dan op pagina 5 rechtsonder. Als de journalistiek het noodzakelijke onderzoek niet doet, doet niemand het, want de hulpindustrie zelf houdt de lippen vanwege de reputatieschade het liefste stevig op elkaar. Het was ook pas post Oxfam dat onze minister Kaag van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking met ons deelde dat we waarschijnlijk nu pas het topje van de ijsberg zien, en het was ook pas nu dat haar voormalige Britse ambtgenoot Priti Patel onthulde dat haar ambtenaren het al ten minste twintig jaar wisten, maar oogjes toeknepen. De directeur van Save the Children, een van de hulporganisaties die nu betrapt is op seksueel misbruik, biecht ook nu pas op dat hij wist dat het niet om één rotte appel, maar om een structureel verschijnsel in de sector gaat.

De hulpindustrie heeft zich ook nooit gegeneerd om zich in oorlogs- en crisisgebieden te laten zien als een internationale jetset op vakantie. Hun witte suv’s stonden elke avond rijen dik geparkeerd voor de sushibars in Monrovia, de casino’s in Port-au-Prince en de paaldansclub in Kabul. De kindertherapeut die zich na werktijd met een kindprostituee op schoot ontspande, de hoge VN-man die zijn suv uit klom met twee jonge inheemse meiden en zijn gulp open – iedereen weet ervan en steeds meer verhalen komen los.

In 1992-1993 verschenen al rapporten over sea in en rond de vluchtelingenkampen in Cambodja; toen de internationale hulpoperatie daar begon waren zesduizend ‘prostituees’ geteld, twee jaar later waren het er 25.000. Ik zet ‘prostituees’ tussen aanhalingstekens, want in de arme landen waar de hulpsector werkt, is het scheidslijntje tussen professioneel sekswerk en overlevingsseks flinterdun.

In 2000 gebeurde in Bosnië precies dat. ‘Een kleinschalige lokale prostitutiemarkt werd getransformeerd tot een grootschalige industrie’, schreef Amnesty. Humanitairen, VN-bestuurders en Navo-militairen uit onder meer de VS en Duitsland, werden verdacht van vrouwenhandel.

2002: de unhcr verklaarde veel klachten over seksueel wangedrag in veertig internationale partnerorganisaties in West-Afrika gegrond. 2003: Italiaanse en Deense VN-medewerkers uit Eritrea weggestuurd wegens verkrachting van kinderen. 2007: 114 VN-blauwhelmen uit Haïti verwijderd voor verkrachting van kinderen vanaf zeven jaar. In 2011 volgde de Oxfam-affaire in Haïti. In 2018 kwam het allemaal in de krant. Save the Children, msf, het internationale en het Nederlandse Rode Kruis, plan en Unicef kwamen sindsdien ook uit de kast.

Eind vorige week werden Oxfam en Save the Children gehoord in het Britse parlement. Kevin Watkins, de baas van Save the Children, vertelde dat zijn organisatie in onderzoeken naar seksueel misbruik altijd weer op ‘problemen’ stuitte met ‘mannen die poortwachters naar voedsel, onderdak en veiligheid zijn’. Hij schetste een bijna sinistere wereld waarin die mannen als ‘roofdieren’ rondsluipen, belust op de ‘grote macht’ die de sector aan hulpverleners toekent.

De hulpindustrie ís een grootmacht: de regeringsdonoren hebben arme landen financieel in de tang (met ten minste honderdvijftig miljard dollar per jaar) en bepalen de koers voor arme landen, en hun partnerorganisaties mogen het kapitaal ter plekke besteden. Het was voor Oxfam in 2011 vanzelfsprekend om van het misbruik geen aangifte te doen bij de Haïtiaanse autoriteiten, met als excuus dat die er ‘toch niets mee zouden doen’. Iederéén in de hulpindustrie werkte om Haïtianen heen. De Haïtiaanse regering mocht slechts één procent van de wederopbouwfondsen van donorregeringen een bestemming geven en het Haïtiaanse middenveld van organisaties en bedrijven werd 0,2 procent gegund. De rest van de 9,5 miljard dollar die voor Haïti’s toekomst was ingezameld, belandde op de bankrekeningen van internationale ngo’s, de VN en Europese en Amerikaanse bouw- en consultancybedrijven.

De donoren en hun partners creëerden een staat-in-een-staat, een ‘ngo-republiek’, waarin zíj beslisten wat het beste was voor de Haïtianen.

Hulp­verleners hadden het heerlijk, met fabuleuze salarissen, mooie huizen, koks en satellietschotels

De ngo-republiek regeerde vanuit Log Base, het logistieke hoofdkwartier van de wederopbouwmissie, dat verschanst lag achter hoge, witgekalkte muren met VN-blauwe randen aan de rand van de weg naar het vliegveld in hoofdstad Port-au-Prince. Wie iemand in de ngo-republiek wenste te spreken, moest bij de slagbomen een visum kunnen laten zien in de vorm van een bevestigde afspraak met een ingezetene. Zonder, stuurden gewapende militairen je weg. Aan de ene kant van de muur het verwoeste aardbevingsgebied, aan de andere kant gekoelde kantoorcontainers langs paden die waren omzoomd door bloeiend tropisch struikgewas. Over die paden bewogen zich hulpverleners en VN-bestuurders in golfkarretjes. Ze hadden het heerlijk in Haïti, met fabuleuze salarissen, mooie huizen om in te wonen, koks en tuinmannen, 24 uur per dag elektriciteit, satellietschotels, een uitgaansleven. De ngo-republiek voerde zijn eigen (VN-)vlag, munteenheid (de Amerikaanse dollar) en zelfs een eigen klimaat: in The Deck Bar&Grill, de personeelskantine, bliezen luidruchtige windmachines koude mistwolken over de hoofden van lunchende hulpverleners. Op het menu onder meer sushi, uit Duitsland overgevlogen aardappeltjes, jasmijnrijst en ijs van Häagen-Dazs. Voertaal van de vergaderingen over Haïti’s wederopbouw (gemiddeld zeventig per week) was Engels, wat gewone Haïtianen niet spreken.

Haïti telde 565 nationale, provinciale, regionale en dorpsbesturen, met burgemeesters, gemeenteraadsleden en ambtenaren die zich vernederd voelden en gedemotiveerd waren door de scheepsvrachten buitenlanders die hún werk deden. In beschadigde kantoren, of in tenten, zaten ze achter lege bureaus, zonder elektriciteit, telefoons of computers en vertelden me hun verhalen over ngo’s die onaangekondigd dorpen binnen walsten, nergens toestemming voor vroegen en niemand raadpleegden, terwijl er in die 565 sections communales, behalve gekozen besturen, een schat aan ideeën, ervaring en kennis te vinden was.

In het enige openbare hospitaal in de hoofdstad legde medisch directeur dr. Jacques Pierre-Pierre me uit hoe ngo’s Haïti’s toch al karige publieke voorzieningen ondermijnden. Ngo’s kunnen veel hogere salarissen betalen. Universiteiten en scholen verloren daardoor hun docenten aan de buitenlandse organisaties, kranten en radiostations zagen hun beste journalisten overlopen en dr. Pierre-Pierre was de meeste van zijn artsen en verpleegkundigen kwijt.

Een Haïtiaans spreekwoord zegt ‘Sak vide pa kanpe’: een lege zak kan niet rechtop staan. De Haïtiaanse overheid is zwak, toen en nu, maar dat is mede te danken aan de ngo-republiek die er weinig of niets in investeert. Het is bovendien geen excuus om ze dus maar te negeren; de regering is gekozen, de ngo’s kwámen gewoon.

Het verhaal van Haïti is van toepassing op dozijnen landen die de VN classificeert als ‘ldc’s’, Least Developed Countries. Zonder buitenlandse hulp kunnen de ldc’s niet overleven. De donoren openen en sluiten de hulpkranen, ngo’s draaien de projecten en ‘problematische machtige mannen’ in die ngo’s bepalen wie wanneer toegang krijgt tot de hulp en tegen welke prijs.

Onze minister Kaag deed een oproep tot kalmte aan mensen die overwegen om op te houden met doneren. In hulporganisaties doen ontzettend veel mensen al jaren veel goed werk, zegt ze.

Het is als twijfelende donateur goed om te bedenken dat particuliere giften voor het voorbestaan van de hulpindustrie niet relevant zijn. Het aandeel van het volk in de omzet is gemiddeld minder dan tien procent. De miljarden dollars waar het in de sector werkelijk om draait komen van regeringen: de VS, het VK, de EU, Europese regeringen. Met hén hebben de grote, machtige hulporganisaties een relatie en contracten, niet met ons of de lokale bevolkingen. De Haïtiaanse regering weet tot de dag van vandaag niet eens hoeveel ngo’s er eigenlijk waren na de aardbeving: de meeste namen na de landing niet de moeite zich bij het ministerie te registreren.

De publieke opinie is echter wél belangrijk voor het voortbestaan van organisaties. Het zijn angstige tijden voor sectoren die tot voor kort onaantastbaar leken. Door #MeToo heeft afgelopen weekend het imperium van filmproducent Harvey Weinstein faillissement moeten aanvragen en #NeverAgain begint de nra in het nauw te drijven.

Vooralsnog is de hulpindustrie zich na ‘Oxfam’ aan het herpakken. De donorregeringen zeggen wat we willen horen: ze ‘eisen opheldering’, een ‘zerotolerancebeleid’ en ‘robuuste preventiesystemen’. Ngo’s, tenminste de handvol die betrapt is, hebben verklaard dat ze altijd álles al deden aan ‘safeguarding’ (het nieuwe buzzword in de sector) en beloven dat nu nog méér te zullen doen.

Recht doen aan de slachtoffers lijkt het beste begin. Honderden aangiftes zijn onderzocht – waarschijnlijk zijn er duizenden nooit ingediend, omdat de ngo-republieken er toch niets mee zouden doen. Voorzover bekend is niet één dader ooit voor een rechter verschenen, in zijn thuisland niet, en dáár, in het oorlogs- of crisisgebied al helemaal niet.

Dat slachtoffers ooit gecompenseerd zijn voor wat ze is aangedaan, is daarmee onwaarschijnlijk. De ‘hoogste standaarden van transparantie’ die de hulpindustrie ons nu belooft, zouden als eerste dáár mooi kunnen worden geplaatst.

Deze week vertelden klokkenluiders aan de bbc dat in Zuid-Syrië hulp in ruil voor seks ‘zo endemisch was dat vrouwen niet naar hulpdistributies toe konden zonder gestigmatiseerd te raken. Men nam aan dat als je ging je dus in ruil wel seks zou hebben gehad.’ Het ging om lokale partners van internationale ngo’s. Het misbruik werd bevestigd in 2015, ngo’s beloofden ‘zero tolerance’, maar het duurt tot de dag van vandaag voort.