Menno Hurenkamp

Grof geschut

De afgelopen weken doken her en der in de pers illustraties op van een zwaarbewapende Amerikaanse soldaat. Het zijn steevast bouwtekeningen van een breedgekaakte figuur, bepakt met dodelijke wapens en draadloze communicatiemiddelen. Van de verschillende objecten die dit lid van de Special Forces draagt leiden stippellijntjes naar de kantlijn. Daar lees je dat de man onder meer een granaatwerper bij de hand heeft, een geweer voor de lange afstanden en een machinegeweer dat vijftig kogels per seconde naar de tegenstander vuurt. Aan zijn riem hangen handgranaten die rook of dodelijke scherven verspreiden, een messenset, lampen, medicijnen, een nachtkijker en een mobiele satelliettelefoon. Verder draagt hij een multifunctioneel horloge, dat vermoedelijk als extraatje de tijd in Kaboel vermeldt, en een rugzak met algemeen-militaire parafernalia (veters, biscuits) van een kilo of veertig. Vanwege het echte James Bond-gevoel krijgt elk object in de marge ook een serienummer mee. De Rangers dragen bijvoorbeeld mes SL32-47. Het is voorlichtingsmateriaal van de Amerikanen, om het publiek de superioriteit van hun leger te demonstreren. Maar door het wegebbende momentum van het moeizame luchtgevecht tegen een stelletje geitenhoeders, keert die zelfverzekerdheid zich tegen de afzender. In plaats van ons te informeren over de grootse daden die de wereld te wachten staan, lijkt de getekende held ons te moeten overtuigen van de ratio achter de militaire operatie. De breedkaak wekt nu de indruk te smeken: «Met iemand als ik, zo groot, zo goed bewapend, dan kan het toch niet anders of je hebt één zo’n terrorist in een mum van tijd te pakken?» Als een grootheid faalt, is de zwakte overweldigend. De plaatjes worden bezweringsformules.

De mensen die elk Amerikaans antwoord op de aanslagen steunen, zien zich geconfronteerd met eenzelfde soort boemerang. Ze tuigen de rechtvaardiging voor een massale aanval op Afghanistan net zo hoog op als de bewapening van de Ranger. Hun argument is dat voor bescherming van de vrijheid alles moet wijken. Dat klinkt ook goed, tot het fout gaat.

De publiciste Elsbeth Etty verwijt zodoende diegenen die tégen bombardementen zijn, maar voor bestrijding van terrorisme, naïviteit. Ze doet dat zo fel dat je je stiekem afvraagt of ze bomber Etty als geuzennaam zou waarderen. Als een schrijvende Ranger gespt Etty grote woorden aan haar gordel. Er is volgens haar maar één serieus scenario: bombarderen tot het gevaar van het terrorisme is geweken! Wat precies in puin gegooid moet worden — het Taliban-regime, Bin Laden en zijn adepten, of de van moordlust doortrokken islamitische regio in het algemeen — blijft ongewis. Net als het te verwachten resultaat daarvan (het terrorisme definitief uitgeroeid, de Arabieren weer een tijdje in hun hok?).

Dat door zo’n ongerede verdediging van een wijds begrip als «de vrijheid» je internationale steun in razend tempo afneemt, zal niemand verbazen. En wat vreemd toch dat iemand doet alsof er geen andere scenario’s denkbaar zijn. Zet méér losgeld op de baardige hoofden van de Taliban. Stuur méér vorstelijk betaalde verklikkers en spionnen de Afghaanse bergen in.

De dollar is nog altijd de meest effectieve dieptebom.