Opheffer

Grofheid als commercieel product

Vijfentwintig jaar geleden was ik leraar Nederlands. Ik gaf les aan «anderstaligen». Veel Surinamers, Turken, Marokkanen.

Ik had hoop.

Ik dacht: deze kinderen kijken naar onze televisie, zien ons nieuws, horen onze popmuziek, merken hoe aantrekkelijk wij leven, zien wat vrijheid werkelijk is, kortom: zij zullen met hun kinderen die fouten niet maken.

Ik had «anderstalige» meisjes in de klas, toen al, met hoofddoekjes, die in de toiletten zichzelf opmaakten en voordat ze naar huis gingen alles van hun gezicht smeerden. Ik had ook meisjes in de klas die zelfmoord pleegden omdat ze uitgehuwelijkt waren. Amsterdam had toen een vertrouwensarts die het druk had.

En nu, vijfentwintig jaar later?

Ik heb geen hoop meer — mijn hoop bleek vals. Die anderstaligen zijn nog steeds anderstalig en moeten niets hebben van onze vrijheid. Onze vrijheid blijkt helemaal niet aantrekkelijk. De tegenstelling die er momenteel in ons land is, heeft te maken met gebruik en misbruik van onze vrijheid.

Sterker: onze vrijheid blijkt ook voor onszelf niet aantrekkelijk. De roep om normen en waarden is in feite een roep om onze vrijheid — nu nog vrijwillig — te beperken. Je kunt het ook zien aan de vrijheid van meningsuiting die onder druk staat. Paul de Leeuw, Theo van Gogh — ze worden gecensureerd. In Amsterdam nam de politie afgelopen week onschuldige affiches in beslag. De politie heeft excuses aangeboden, maar toch… het geeft een richting aan.

Zoals er leden van ons kabinet (en ons parlement) zijn die allochtonen met een Nederlands paspoort willen kunnen oppakken en die het zwijgrecht teniet willen doen. Op straat zomaar aangehouden worden en gefouilleerd, vindt zelfs burgemeester Cohen (PvdA) een normale zaak. We houden niet van vrijheid, lijkt het wel.

Aan de andere kant is het inderdaad zo dat alles steeds groffer wordt en dat we dat leuk vinden. Grofheid is commercieel geworden. Laatst werd ik door een blad gebeld met het verzoek om «een beetje een grof scheldstuk» te schrijven. Ik hoor het ook als tv-presentator en interviewer op de radio. De roep om «een hardere aanpak» en de zin: «Het mag best een beetje ruwer.»

Je hebt ook de eigenaardige tendens in kringen waar men het hardst roept om normen en waarden die het meest met voeten te treden. In het parlement zijn al de woorden kut, klote, lullig en dergelijke opgedoken. Journalisten krijgen een ram voor hun kanis, want een politicus kreeg «een rood waas voor zijn ogen». Hij is trouwens van de normen-en-waarden-partij.

Politieke correctheid is fout, maar niet in alle gevallen; het vrijheidbeperkende element erin is verkeerd.

Ikzelf doe eraan mee, bijna omdat ik niet anders kan. Ik hoor me om de andere week zeggen of schrijven dat ik de islam een achterlijke, gevaarlijke godsdienst vind; ik voel me gedwongen dit te zeggen omdat naar mijn smaak het debat over de islam de verkeerde richting uit gaat. Maar dit terzijde. Zoals grofheid een commercieel product is geworden, is empathie dat ook — het is even vals. Het zijn verkitschte begrippen en dus inhoudloos geworden.

Genuanceerd kritisch zijn — en in je satire ongenuanceerd, maar scherp, zodat je een visie onherstelbaar verandert — is niet commercieel, dus niet voor een breed publiek, dus niet invloedrijk en daarom voor de media onaantrekkelijk. Maar het is uiteindelijk de enige manier om kwalitatief goede veranderingen tot stand te brengen.

En daarvoor heb je vrijheid nodig. Veel vrijheid. Totale vrijheid.