Beeldende kunst

Grofvuil en Calvijn

Twee berichten in Het Parool vestigden onlangs de aandacht op de zorgwekkende toestand van de hedendaagse kunst. In een Londense galerie bleek een overijverige schoonmaker de titel van Damien Hirsts installatie Onopgeruimde studio letterlijk te hebben opgevat en — zo blijkt na onderzoek — slechts vijf procent der Nederlanders koopt met enige regelmaat moderne kunst.

Hirsts zorgvuldig op de galerievloer gedrapeerde wc-rollen, lege flessen, tassen, asbakken, schildersezel en ladder werden door de schoonmaker zonder pardon bij het grofvuil gezet — om daags daarna door de galeriehouder van de ondergang te worden gered.

In wat voor staat verkeert de kunst wanneer ze zelfs in de beschermde omgeving van de galerie voor afval wordt aangezien? En demonstreert dit voorval niet eens te meer, ondanks jaren van geduldige kunsteducatie, de onoverbrugbare kloof tussen het kunstbegrip van de working class en van de gemakzuchtige cory feeën van een pseudo-avant-garde die de kunstgeschiedenis van de jaren zestig en zeventig in de uitverkoop gooit?

Toch moeten we niet raar opkijken wanneer dit voorval Hirsts werk meerwaarde verleent. Door de (bijna-)gang naar de stortplaats kan Onopgeruimde studio nu worden opgenomen in het illustere rijtje kunstwerken dat sneuvelde door bruut onbegrip van de buitenwereld. Fraaiste voorbeeld hiervan is natuurlijk de met vet beklede Joseph Beuys-badkuip, die door de huishoudster van een kunstverzamelaar (een onderminister van een Duitse deelstaat) tijdens een feestje in de jaren zeventig werd gebruikt als koelplaats voor bierflessen. Zij stortte het bad vol ijsblokken en reinigde het ding na afloop grondig. Na afloop van het feest was het Beuys-werk volksdemocratisch direct opgelost in Jif- en Andy-dampen — hetgeen het kunstwerk een kunsthistorisch tragisch aureool verleende en de maker van het werk de status gaf van onbegrepen slachtoffer van een kunstvijandige maatschappij. Er kleefde kortom een verhaal aan het werk dat bijdroeg tot de mythe van de kunstenaar — waardoor de commerciële waarde van de output kon worden opgeschroefd.

Zorgwekkend is ook de staat van het Nederlands galeriewezen, zo blijkt uit een onlangs door de Boekmanstichting verricht onderzoek. In het rapport Kunst te koop! staan de koele cijfers vermeld: jaarlijks halen zeshonderd moderne en hedendaagse kunstgaleries een gemiddelde omzet van 170.000 gulden. Dat is te weinig om een rol van betekenis te kunnen spelen op de internationale kunstmarkt, constateert auteur Melle Daamen, die daarmee het aloude spookbeeld oproept van de Nederlandse galeriehouder als sappelende grutter-in-kleinkunstzaken. Het gebrek aan allure is het gevolg van de Hollandse voorkeur voor kale interieurs waarin de naam van het Opperwezen wordt geëerd door de muren transcendentaal wit te verven in plaats van ze rijkelijk te stofferen met schilderijen, en door de vermaledijde subsidiepraktijk: een te grote groep kunstenaars zou zich van de markt hebben afgewend omdat ze van subsidies kan leven (vijftig miljoen jaarlijks). Oplossing: stimuleer het kunstkoopgedrag door het creëren van meer belastingaftrekmogelijkheden en laat kunst «in de markt» functioneren. Te vrezen valt echter dat de broodnuchtere Nederlander inderdaad liever een tweede huis koopt dan een kunstwerk — waarmee bewezen is dat de kunstvijandige arm van Calvijn tot in het hedonistische heden reikt. Amen.