Grond

Er waren twee dingen gebeurd die middag. Ten eerste was er om de hoek van de straat een kat gevonden. De overbuurvrouw wees me waar hij lag. Samen bogen we ons over het dier. Zijn bruinwitte vacht was nog helemaal gaaf en hij lag in een ogenschijnlijk heel ontspannen houding tegen de warme stoeprand aan. Het leek zelfs alsof hij zijn oogjes genietend toekneep; alleen aan de manier waarop zijn bekje open hing zag je dat hij niet meer leefde. ‘Het zullen die Polen wel geweest zijn’, fluisterde de buurvrouw samenzweerderig, ‘Die kerels die verderop aan het klussen zijn’. Ze had zelf gezien hoe hard ze reden, als ze tegen vieren hun spullen inpakten en vertrokken. En dat in zo’n raar hoog busje waarin je nauwelijks zicht hebt. Levensgevaarlijk. Ze zuchtte. Er was nog iets dat ik moest zien. Ik volgde haar naar de andere kant van de straat, naar het grote plantsoen dat we in eigen beheer hebben en waar in deze tijd van het jaar de pioenrozen bloeien. Pal tegenover haar huis waren die echter weggesneden, zag ik. Allemaal. Het zag er raar uit; alsof iemand een grote hap uit de lente had genomen. ‘Ja joh’, zei de buurvrouw met een verdraaide stem. ‘Dat plantsoen is toch van niemand, daar kunnen we de rozen wel even uit gaan jatten. Knipperdeknip. Leuk voor thuis!’ Ik vroeg me af of ze in deze zaak dezelfde verdachten op het oog had. Maar ‘knipperdeknip’, dat klonk niet echt naar klussende Polen, vond ik. Eerder naar Hollandse zuinigheid en zegeltjes sparen. ‘Ze hebben er niet één aan de struik laten zitten’, zei ze en legde een hand op haar borst, alsof ze zichzelf tot rust moest manen. ‘De schoften’, zei ik ferm. De buurvrouw knikte instemmend. Ze zou wel even een rondje gaan lopen, zei ze. Om her en daar eens te vragen van wie die kat kon zijn. ‘Dan mogen ze hem hier begraven’, zei ze. ‘Als ze geen tuin hebben.’ Ik knikte. Het was wel een mooi idee. De kat onder de rozenstruiken. Twee onopgeloste zaken in dezelfde grond.