Groningen door algerijnse ogen

Het festival van Rotterdam houdt graag de mythe in stand dat er zoiets als typische ‘Rotterdam-films’ zouden bestaan. Ik heb altijd gedacht dat de ‘Rotterdam-film’ niet te definiëren was omdat hij zich in een eigenzinnige gedaante onverwacht voordoet. De ‘Rotterdam-film’ is geen genre, maar een restcategorie die overblijft nadat alle bestaande etiketten zijn uitgeput. Maar in de NRC las ik dan toch een definitie, die nog wel uit de mond van directeur Simon Field zou zijn opgetekend. ‘Een “Rotterdam-film” is de grillige eerste of tweede film van een liefst jonge regisseur, bij voorkeur geen Amerikaan, die met een bescheiden budget gemaakt is. De film moet authentiek overkomen en een origineel onderwerp hebben, dat toch in een bepaalde traditie staat, bijvoorbeeld verwijst naar het neorealisme. Vaak gaat zo'n film over de lower class.’

Laat ik Field toch beter kennen. Een ‘Rotterdam-film’ kan ook de heldere vijftigste film van een tachtigjarige regisseur zijn (bijvoorbeeld Viagem ao principio do mundo/ Journey to the Beginning of the World van Manoel de Oliveira), hij kan wel degelijk met een behoorlijk budget door een Amerikaan gemaakt zijn (bijvoorbeeld The Blackout van Abel Ferrara), hij kan een artificiële pastiche zijn die zich niet om traditie bekommert (bijvoorbeeld Office Killer van Cindy Sherman) en hij kan het neorealisme en de arbeidersklasse aan zijn laars lappen (bijvoorbeeld Die 120 Tage von Bottrop van Christoph Schlingensief).
Toch zijn er ook films die opmerkelijk goed voldoen aan de vermeende definitie. Eén zo'n film is La vie de Jésus van Bruno Dumont, die door het festival op een pre-view-tournee door het land werd gestuurd. Dumont schetst in zijn aan het neorealisme refererende debuutfilm een portret van het Noord-Franse platteland. Het is het type film waarbij je de vraag kunt stellen: waarom kan dat in Nederland nu niet? Het zou toch mogelijk moeten zijn om in het Nederlandse landschap met eenvoudige, realistische filmische middelen een mooi verhaal te vertellen? Waarom gebeurt dat dan nooit? Of bijna nooit, want er is sinds kort een fraai voorbeeld van een Nederlandse zogenaamde 'Rotterdam-film’ in de vorm van De Poolse bruid van Karim Traïdia.
De film speelt op het Groningse platteland en gaat over de onmogelijke, maar mooie liefde tussen een eenzame stugge boer en een getraumatiseerde Poolse prostituee. Op een goede dag rolt de hoer letterlijk het leven van de boer binnen. Uitgeput, bebloed en met over haar naakte lijf slechts een regenjas rolt ze voor de voeten van de boer in een greppel. Hij draagt haar naar huis als een gewond dier, waar hij haar als een stuk vee met de slang schoonspuit. Hij verzorgt haar aanvankelijk met een liefdeloze vanzelfsprekendheid, want ook een zwerfhond zou hij niet laten creperen. Zij spreekt zijn taal niet, maar dat hindert nauwelijks, want een man van veel woorden is hij toch niet. Bovendien heeft hij andere zorgen aan zijn hoofd. De grote zorgen van een hedendaagse boer die minder van de natuur afhankelijk is dan van de bank. Het maakt hem niet uit waar Anna vandaan komt en ook niet wat haar verleden is. Natuurlijk geeft hij haar niet met de pooier mee die haar komt halen, want hij zou geen enkel mens of dier met een patserige man met stadse fratsen meegeven. Het kan moeilijk anders of er groeit iets moois tussen Anna en Henk. Film is tenslotte 'a boy & a girl’. En natuurlijk komt het tot een gewelddadige confrontatie met de mannen uit het verleden van Anna. Want film is tenslotte ook 'a woman & a gun’. De originaliteit en overtuigingskracht van De Poolse bruid schuilen niet in zijn waarover, maar in zijn waarop. De van oorsprong Algerijnse Traïdia kijkt op zo'n fraaie schilderkunstige manier naar het Groningse landschap dat iedere Nederlandse cineast daar jaloers op moet worden. Er wordt in de film hoogst overtuigend geacteerd en een levensecht Nederlands gesproken. De film is met andere woorden goed, origineel en ook nog eigenzinnig. Het is een 'Rotterdam-film’.