De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Groninger koek

Door een tweet van @wimdaniels ontdekte ik dat ik in het bezit ben van het allereerste boekenweekgeschenk.

Staat al jaren in mijn boekenkast, nooit naar gekeken. Uitgegeven ter gelegenheid van de tweede Boekenweek, mei 1932. Het eerste boekenfeest was in november 1930. De CPNB bestond nog niet, in het colofon wordt melding gemaakt van ‘de vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels’. Aan 33 schrijvers en schrijfsters werd gevraagd een aantal vragen te beantwoorden:

‘I. Hoe kwaamt ge tot het schrijven van uw eerste boek?

II. Voor welk uwer boeken hebt ge een voorliefde en om welke reden?

III. Wilt ge ons iets vertellen van uw liefhebberijen?

IV. Wilt ge ons reeds iets ontsluieren omtrent uw toekomstplannen?

V. Hoe denkt u over onzen modernen tijd?’

Het valt me op dat veruit de meesten volledig vergeten zijn, het boekje doorbladerend kom ik sporadisch een naam tegen die me nog iets zegt, en dan waarschijnlijk uitsluitend omdat ik tijdens mijn studie iets aan literatuurgeschiedenis gedaan heb. Lodewijk van Deyssel, A. den Doolaard, Jan Greshoff, Victor E. van Vriesland. Van de vrouwen zegt alleen de naam Top Naeff me iets. De woorden ‘saai’ en 'gezapig’ komen bij me op, zeker als ik daadwerkelijk zo her en der een stukje tekst lees. Maar dat is niet eerlijk: ik zeg dat vanuit het nu, en lees eens wat Cor Bruijn – die ik ken omdat ik zijn prachtige kinderboek De dijken breken (over de watersnoodramp van 1916) heel vaak gelezen heb, en die u allemaal kent van Sil de strandjutter (beide boeken nog niet verschenen in 1932) – te melden heeft over de moderne tijd: 'Daar denk ik niet alleen over, die onderga ik. En alle dagen schrijnt het in me, dat wij met al onze hulpmiddelen, met al onze wetenschap, met al onze energie en al ons geloof ons zelf zoo in de modder gewerkt hebben, en daar leeft alle dagen weeraan de hoop op, dat het ons toch ééns gelukken moge ons samenleven zoo in te richten, over de hééle aarde, dat de zegen, die verborgen ligt in onze hulpmiddelen, in onze wetenschap, in onze energie en ons geloof, ook werkelijk ons deel zal worden.’ Ook meldt hij: 'Toekomstplannen heb ik niet.’

Om de een of andere reden ben ik het meest geïnteresseerd in de liefhebberijen van de auteurs. H.G. Cannegieter laat weten: 'Ik rook niet en drink geen alcoholische dranken. Maar ik ben dol op gramofoonplaten en Groninger koek.’ Anton Coolen schrijft ze niet eens op, want 'een opsomming wordt geheel overbodig, omdat ze de liefhebberijen zijn van iedereen’. Anna van Gogh-Kaulbach heeft geen liefhebberijen omdat gezin en werk te veel tijd opslokken. Maar als ze een liefhebberij zou kunnen uitkiezen: 'Dieren verzorgen en vriendschap sluiten met dieren!’ Top Naeff houdt de kaken stijf op elkaar, immers: 'Sinds jaren zit ik tot de tanden gewapend tegen: het interview.’ Willy Pétillon: 'Ik houd ervan om lange gesprekken te houden met mijn hond en kat, als ze in volkomen luiheid vlak bij me voor den haard liggen te schroeien in opperste gelukzaligheid; ik houd ervan om op mijn paard door de duinen te zwerven bij zon of bij storm of bij regen, om alles achter je te laten, wat er je bekropen mocht hebben van zorgen of zwaartillendheid; om onder een wijden hemel, blauw of met zware wolken, je problemen als van zelf te zien oplossen in een ijlen dunnen nevel, die langzaam weg-drijft en alles meeneemt wat je hinderde. Dat is geluk!’ Rouwdouwer A. den Doolaard (dat was nog eens een echte kerel): ’(…) een stuivende daling over een moeilijke gletscher, waarbij één verkeerde beweging je het leven kan kosten, is voor mij een hoogtepunt van het aardsch bestaan.’ Om mee af te sluiten een verzuchting van Alie van Wijhe-Smeding, die de somberte van Cor Bruijn diepte geeft: 'Malaise in de harten en in het geld! Ik bezit éen effect, zegge éen, dat stond op 900 en is gedaald op 67.’

Natuurlijk, de jaren dertig, de crisisjaren. Als ik toen geleefd zou hebben zou ik ook van een gletsjer zijn gaan stuiven of tegen mijn door de kolenkachel doorstoofde kat zijn gaan praten, desnoods Groninger koek eten. En toch. Ik zou ik weet niet wat geven om naar het Boekenfeest van dat jaar te mogen. Trouwens, volgens Wim Daniëls is mijn boekenweekgeschenk maar liefst zeventig euro waard.