Er zijn, naast het lezen van kranten, weinig activiteiten die zo zwaarmoedig stemmen over de eigen soort als een bezoek aan de dierentuin, maar het moest er eens van komen. Tijdens de koffie luisterde ik met een half oor naar het nieuws, terwijl de dochter haar yoghurt over tafel uitsmeerde. De minister van Frustratie lag overhoop met de minister van Verstrooidheid omtrent het grotere geheel, de woningcrisis en de klimaatcrisis hadden intieme foto’s gedeeld op Instagram en het vertrouwen van het volk was een Spaanse vulkaan in gelazerd, of iets van dien aard. Ik vulde een tas, zoals tientallen anderen die ik zou gaan tegenkomen, voortsjokkend met hun krentenbollen, tuitbekers en luierdoekjes. ‘We gaan naar de giraffen kijken’, zei ik tegen de dochter. Ze staarde stoïcijns naar de lepel in haar hand en sloeg er toen meerdere keren hard mee op tafel, als om een gezelschap tot de orde te roepen dat ik niet kon zien.

Bij de ingang voeg ik me in de mensenstroom. Ik maak er hoe dan ook deel van uit, aanwezig of niet, met of zonder toegangsbewijs. Van deze en van talloze andere menigten trouwens, van cijfers en statistieken, van doelgroepen en subcategorieën, net als de dochter die in haar wagen zit en vandaag voor het eerst in haar leven giraffen zal zien. Giraffen en medemensen. Gillende kinderen, reusachtige broodjes Unox met klodders saus, vaders die apen nadoen en achteloos neergeworpen snoeppapiertjes naast het informatiebord over de plasticsoep. In een lang vervlogen puberteit heb ik, na wat bescheiden protest, geaccepteerd dat ik tot het menselijk ras behoor en sindsdien is de weerzin gestaag overwoekerd door berusting. Al zou je ook van vermoeidheid kunnen spreken, zulke dingen zijn moeilijk te onderscheiden. ‘De levensvreugde ligt hier voor het oprapen’, zeg ik vrolijk tegen de dochter. Als we het roofdierverblijf passeren moet ik aan Rilke denken.

Voort gaan we, naar de olifanten, die als buitenaardse beeldhouwwerken in hun kunstmatige wei staan, dicht opeengepakt. Ze lijken elkaar, aaiende slurf na aaiende slurf, zowel te troosten als af te tasten. ‘De matriarch leidt de kudde’, staat op een bordje. Misschien weten olifanten dat ze het grotere geheel zijn, denk ik. Zoiets scheelt veel gedoe tijdens formaties.

De dochter heeft intussen vooral oog voor het rotsblok waar ik haar wagen naast heb geparkeerd. Eindelijk een dier binnen handbereik. ‘Sote’, zegt ze, wat ‘grote’ betekent. Ze streelt het oppervlak eerst aarzelend met haar vingertoppen en geeft er dan, als een grimmige reactie uitblijft, een goedkeurend klopje op. Onbezielde dingen kunnen ook iemand zijn, heb ik gemerkt, je moet er alleen oogcontact mee maken. Intussen wordt het druk achter me. Twee tieners met blauw haar wachten op meer ruimte. Een van hen heeft een zwarte tas met een sticker van Mark Rutte; er groeien twee horens uit zijn hoofd. Ik rij de wagen achteruit, terug naar het pad, op naar de giraffen. De dochter draait zich om en zwaait weemoedig het rotsblok na.

Zijn blik is van het langsgaan van de stangen zo moe geworden dat
hij niets meer ziet. Wel duizend stangen houden hem gevangen en
meer dan duizend stangen is er niet.

De zachtheid van zijn lenig sterke pas die steeds de allerkleinste
kring beschrijft, is als een dans van kracht rondom een as waarin
een machtig willen is verstijfd.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen geluidloos op –.
Dan gaat een beeld erdoor naar binnen, glijdt door het van
spanning stille lijf naar zijn hart – en gaat teloor.

De panter Rainer Maria Rilke Uit:
Vertaald door Peter Verstegen Van Oorschot, 1997