De val van Matthijs van Nieuwkerk was al zo lang van tevoren aangekondigd dat hij een running gag was geworden. Er gingen geen drie dagen voorbij of iemand appte zonder enige aanleiding: ‘Ik heb gehoord dat er een groot artikel aankomt.’

Maar een uur of wat nadat het lang verwachte stuk online was gekomen, verscheen een ander bericht. Iemand die zich hardop afvroeg of het resultaat van al dat werk niet toch een klein beetje tegenviel? Hoewel ik het er niet mee eens was, kon ik haar de vraag niet kwalijk nemen. De vraag had, denk ik, alles te maken met hoe lang het artikel in de lucht had gehangen. Laat een verhaal lang genoeg ongeschreven en niemand hoeft het nog te lezen om te weten wat erin zou moeten staan. Als zij collega’s moest geloven, zei ze, dan was er nóg wel iemand over wie je zo’n stuk kon schrijven.

Het bleef in mijn hoofd zitten. Net als de vriend die verzuchtte dat het hem toch dwarszat dat er zoveel mensen voor het stuk waren geïnterviewd maar dat uiteindelijk blijkbaar vrijwel niemand met zijn of haar naam in de krant had willen staan. En ook dat het toch wel raar was dat het dramatische voorbeeld waarmee het verhaal opende, dat van de geluidsman die in het bijzijn van zijn collega’s werd gekleineerd, helemaal aan het einde volgens het slachtoffer netjes bleek te zijn afgehandeld. Het had iets lulligs allemaal, zei hij.

Ik vond het niet zo heel raar dat mensen er blijkbaar nog altijd niets voor voelden om openlijk hun verhaal te doen. Enerzijds omdat het probleem dat onder woorden gebracht moest worden, noem het een angstcultuur, bij gebrek aan een juridisch kader altijd iets ongrijpbaars zal houden. Anderzijds omdat de mensen die nu door deze hele zaak in verlegenheid worden gebracht in de tussenliggende jaren alleen maar machtiger leken te zijn geworden.

Over die vermeende lulligheid moest ik langer nadenken. Had er teleurstelling in doorgeklonken? Had het iets te maken met hoe we de afgelopen jaren zo regelmatig waren geconfronteerd met veel extremer gedrag dan dat van Van Nieuwkerk? Nee, de voorbeelden waren op een bepaalde manier ook echt lullig, dacht ik. Maar dat was nu juist het punt. De lulligheid van de incidenten, het kinderachtige gekrijs tegen de geluidsman die op een verkeerd moment een bandje had ingestart, het ontslag van de visagiste wier föhn Van Nieuwkerk wantrouwde, de eindredacteuren die als het even zo uitkwam hun redacteuren van het ene op het andere moment keihard lieten vallen: het was allemaal illustratief voor het probleem. In een angstcultuur gaat het immers niet alleen om de momenten waarop iets tot uitbarsting komt en grenzen expliciet worden overschreden, het gaat vooral ook om hoe zulke dingen altijd kunnen gebeuren, hoe de mogelijkheid ervan in alles doorwerkt en de morele grenzen er in zekere zin dus nooit zijn.

Het gaat vooral ook om hoe zulke dingen altijd kunnen gebeuren

Wie boven aan de hiërarchie staat merkt daar niet veel van. De sfeer is immers prima, behalve op de momenten dat hij dat even niet is. Wie wat lager in de pikorde staat weet beter: een goede sfeer is een verraderlijk iets.

Een eerste verklaring van Van Nieuwkerk getuigde volgens BNNVARA van te weinig zelfreflectie. Maar de tweede, die uiteindelijk de krant haalde, was niet minder pijnlijk om te lezen. ‘Ik zeg niks nieuws: televisie is een meedogenloze, competitieve arena. Er waren redacteuren bij wie deze grote uitdaging in goede handen was, en met wie ik heel lang heb gewerkt, en trouwens nog werk. En er waren redacteuren voor wie dat minder gold, of ging gelden. En voor hen had ik helaas weinig tijd. Laat staan voor eventuele nazorg. Maar ik realiseer me nu beter dan toen dat ook bij al die redacteuren verwachtingen, dromen en ambities hoorden over een spannende baan bij de televisie. Daar had ik met een milder oog naar moeten kijken.’

Hij had, met andere woorden, begripvoller moeten zijn voor hun tekortschieten. Terwijl voor iedereen die het verhaal had gelezen duidelijk was dat hij de druk niet aankon. Zijn medewerkers konden hem niet aan.

‘Bel Sywert maar, vraag maar wat Sywert ervan vindt.’ Was dat uiteindelijk het meest ontluisterende zinnetje uit het stuk? Negen woorden die, ook voor wie de columns van Nico Dijkshoorn heeft weten te verdringen, in één klap duidelijk maken dat het verhaal over de topprestatie die werd geleverd en de prijs die daarvoor werd betaald onzin is. Een angstcultuur werkt saaie, veilige keuzes in de hand. Ze kiest altijd voor de middelmaat en probeert die te verkopen als excellentie.

Sywert noemde de aftocht van Van Nieuwkerk, de man die de oud-scholierenleider meer dan wie ook had gesterkt in zijn overtuiging dat hij in principe overal verstand van had, ‘triest’. Maar het hardst moest ik lachen om een tweet van Peter Vandermeersch. Hij schreef: ‘Ik ben tussen 2010 en 2019 keer of 70 aangeschoven bij #dwdd. Neen ik zag lang niet alles aan de “achterkant”. Maar zag hoe hoog de lat lag. Veeleisend waren ze. Lastig. Moeilijk. Hard. Ontevreden soms. En daarom ook maakten ze de beste tv van Lage Landen.’

Ik dacht aan de giftige mails die hij als hoofdredacteur van NRC iedere ochtend verstuurde. En aan hoe gênant ik het als simpele stagiair vond om ze te lezen. Ik dacht aan het ontluisterende stuk dat een paar jaar later in HP/De Tijd was verschenen. Kon het echt zo zijn dat hij het zelf allemaal was vergeten?