Groot brengen en klein krijgen

Nu ik grootvader ben, spreek ik met mijn dochter over het onderwerp ‘opvoeding’.

Medium opheffer

Na de Tweede Wereldoorlog waren mijn ouders daar druk mee in de weer; het ene na het andere opvoedingsboek werd gekocht. Ik ben de titels kwijt – ik heb al die boeken weggedaan – maar omdat mijn ouders hun geloof in de oorlog waren verloren en ze humanist werden, moest er ook aandacht besteed worden aan het kind.

Rust, regelmaat en reinheid natuurlijk, de drie R’en. Maar ook de geest moest gestaald. Belangrijk was een ruime algemene ontwikkeling. De fundamenten van onze samenleving moesten in het dagelijks leven worden opgenomen. Dus er werden bijbelverhalen verteld of historische verhalen. Dat waren verhalen over Willem van Oranje en Filips II (‘Niet de staten, maar gij, gij, gij’), over Michiel de Ruyter, over Gerrit van der Veen en Anne Frank, maar ook over grote Denkers en Doeners. Dit laatste kwam vooral door het tijdschrift Het beste uit Reader’s Digest dat altijd biografieën publiceerde over invloedrijken. Bestaat dat tijdschrift nog? Ik herinner me een verhaal over Thomas Alva Edison, Ford, de autofabrikant, en ook Werner von Braun, de uitvinder van de raket.

Altijd begonnen als gewone jongens.

Het grote opvoedingsdoel was een mondig, weerbaar mens te zijn, dat zich overal kon redden door zijn geharde mentaliteit. Wilskracht moest ook aangeleerd worden.

Nu ging er veel mis in die opvoeding. Dat kwam door de jaren zestig en zeventig, waarin ik een slappe hippie werd.

Maar nu heb ik een kleinzoon. Wat wil ik dat hij kan, en wat wil mijn dochter?

Mijn eigen dochter heb ik niet zo’n goede opvoeding gegeven. Typerende regels uit haar jeugd zijn: ‘Laat papa maar slapen, hij was gisteravond laat thuis’, en: ‘Je bent door de week bij mama, en in het weekend bij papa, tenminste als alles gaat zoals het hoort, maar je kent je vader.’

Mijn ex-vrouw heeft mijn dochter geweldig opgevoed.

Maar nu het stof van de jeugd gedaald is, vraag ik me af wat ik wil dat mijn kleinzoon voor een man wordt.

Ik weet het niet. Ik wil dat hij boeken leest, maar hij mag ook wel naar films kijken. Ik wil dat hij zelf muziek kan maken en kan tekenen en schrijven. Meer niet, eigenlijk.

Mijn kleinzoon kijkt naar het meest weerzinwekkende tv-programma dat ik ken: Monster Cars

‘Waarom wil je niet méér? Waarom wil je niet dat hij gaat studeren, of zijn talen goed spreekt, of wegblijft van drugs?’ vraagt mijn dochter.

‘Omdat ik al die zaken wel kan willen, maar ik geloof niet dat je daar als ouder enige invloed op hebt.’

Keurig opgevoede jongens meldden zich vroeger aan bij de RAF en nu bij IS. Welopgevoeden werden fraudeurs; de meesten werden wat hun vader was, een enkeling wist zich door zijn uitzonderlijkheid te onderscheiden.

We hebben, voorzover het mijn kennissen betreft, allemaal aan de cocaïne en andere drugs gezeten. Ondertussen heb ik begrepen dat ‘race, milieu et moment’ er niet toe doen, dat Marx’ ‘sociale omstandigheden’ eveneens naar de prullenbak kunnen en dat je ook niks kunt zeggen over Dawkins’ ‘zak met genen’ die je nu eenmaal bent.

Ondertussen kijkt mijn kleinzoon naar het meest weerzinwekkende televisieprogramma dat ik ken: Monster Cars. Hij wil dat ik met hem meekijk.

Maar dat verdom ik. Hoewel, ik doe het even en zeg dan dat opa het niet leuk vindt. Maar hij is dolenthousiast.

Zei Horatius niet ‘Pluk de dag’ in dat gedicht waarin hij ook zegt: ‘Terwijl wij praten, zal de afgunstige tijd al gevlucht zijn.’

De afgunstige tijd – zo is het.

Tussen ons en de tijd heerst een wederzijdse jaloezie.

Opvoeden heeft maar in beperkte mate zin. Kinderen doen wat hun ouders doen, en soms doen ze iets anders.

Ik zet Monster Cars uit en pak mijn gitaar.