Groot gelijk

Bob de Graaff & Elsbeth Locher-Scholten
J.P. Graaf van Limburg Stirum, 1873-1948: Tegendraads landvoogd en diplomaat
Waanders, 552 blz., € 34,95

Wanneer een biografie op de flaptekst al meldt dat vrijwel alle persoonlijke documenten zijn vernietigd, is dat geen geweldige uitnodiging om het boek te gaan lezen. Een biografie waarin het persoonlijke element noodgedwongen onderbelicht moet blijven, ontbeert immers juist datgene dat zo’n boek aantrekkelijk maakt: een kijkje achter de schermen van het leven van een publieke figuur. Hierdoor weet je van tevoren al dat de geportretteerde op afstand zal blijven.

Uiteraard was deze biografie van Johan Paul graaf van Limburg Stirum nog interessanter geweest wanneer de auteurs hadden kunnen beschikken over dagboeken en een rijke privé-correspondentie. Het neemt niet weg dat het boek zoals het er nu ligt al heel boeiend is. Omdat de man uit hoofde van zijn functies – hij was van 1916 tot 1921 gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en daarna ambassadeur in Caïro, Berlijn en Londen – uitgebreide brieven en ambtsberichten schreef, krijgen we een goed beeld van de ontwikkelingen die hij meemaakte en van zijn eigen gedachten daarover.

Ook interessant is het inkijkje dat dit boek biedt in een wereld die niet meer bestaat, namelijk die van hoge edellieden die belangrijke posten in het landsbestuur en de diplomatieke dienst bekleedden, en daarvoor vaak flink moesten interen op hun kapitaal, aangezien hun vergoeding de kosten bij lange na niet dekte. Hoewel Van Limburg Stirum behept was met alle vooroordelen van zijn klasse, en hij zich nauwelijks kon verplaatsen in de gedachtewereld van mensen van ‘lagere geboorte’ was hij niet volkomen wereldvreemd.

Naast zijn Indische periode is vooral zijn gezantschap in Berlijn van belang, aangezien hij daar Nederland vertegenwoordigde in een periode die uiterst tumultueus en cruciaal was, de jaren 1927-1937. Behept met het ‘milde antisemitisme’ dat in hoge kringen bon ton was, had hij aanvankelijk meer oog voor de economische belangen van Nederland dan voor het lot van de Duitse joden. Zoals zo velen onderschatte hij in eerste instantie Hitler – een man die volgens hem ‘in het geheel geen wil’ had – en geloofde hij dat de conservatieve krachten in Duitsland dit ‘menneke’ wel onder de duim zouden weten te houden.

Dat zijn biografen hem kwalijk nemen dat hij te veel nadruk zou hebben gelegd op de overeenkomsten tussen de nazi’s en de communisten en, anders dan de Britse gezant, te weinig oog zou hebben gehad voor het ‘extreem-rechtse’ karakter van Hitler, is onzin. Zeker waar het gaat om Duitsland rond 1930 zijn de begrippen ‘rechts’ en ‘links’ totaal onwerkbaar. Van Limburg Stirum had groot gelijk dat hij beklemtoonde dat Hitler voor alles een revolutionair was.