Groot klein leed

‘Ach, die oorlog - het huwelijk van mijn ouders, dat was de oorlog.’ Gepast was ‘s mans opmerking niet maar waar waarschijnlijk wel. Want zo klein als de betekenis van een gezin politiek is, voor kinderen is het het universum. Natuurlijk drong de Grote Oorlog ook het gezin binnen, maar zoals we de aanvankelijke beeldvorming van 'heroische worsteling’ moesten afwerpen om te constateren dat bovenal ‘het leven doorging’ - leven dat grotendeels bestond en bestaat uit het triviale en het laffige; of uit het voor direct betrokkenen grootse, maar in de context van de tijd piepkleine als liefde en bedrog - zo moeten we de legitimiteit van het slechte huwelijk als ware oorlog voor direct betrokkenen erkennen.

Pas laat begreep ik hoe sterk de oorlog ons huis had bezet en kon ik sommige gebeurtenissen, maar vooral een sfeer van nervositeit en angst, herleiden tot het feit dat mijn moeder Duitse was. ‘Goede’ Duitse, maar Duitse. Toch gebeurde er in mijn kinderjaren iets dat veel erger was dan de oorlog: ik mocht naar een herstellingsoord. 'Mocht’ - want ik vermoed dat het 1945 of 1946 was en het aantal stadskinderen dat de sporen van oorlog en hongerwinter meedroeg moet enorm zijn geweest. Vaag herinner ik me een keuring en de blijdschap thuis over uitverkiezing. Die vond, ontdekte ik recent, niet alleen plaats op basis van lichaamszwakte maar ook op die van zenuwachtigheid ('Je was ook zo een raar kind’, zei m'n moeder - ik liet het er maar bij).
Waardoor ik dacht aan Het verhaal van Kees, prachtig televisiespel, waarin de kleine Willem Wilmink, overigens tijdens de oorlog, op doktersadvies vanwege 'spanning’ zijn Twentse stadje verruilt voor een boerderij. Ach, men dacht en denkt dat melk, vers van de koe, wonderen verricht, ook voor het zenuwgestel. Kees’/Willems heimwee viel in het niet bij het mijne, misschien ook omdat hij in een familie belandde. De heenreis is de enige draaglijke herinnering: het was de eerste bewust ervaren treinreis en de aardige mevrouw die ons bracht leerde me het spoorboekje lezen. Dat zij de enige is die ik me als individu herinner van de volwassenen die het zesweekse verblijf in De Ketelaar te Ellecom begeleidden, vind ik nu veelzeggend. Er is letterlijk niemand geweest van die vele vrouwen die aan het mateloze heimwee, de eenzaamheid, het verdriet aandacht besteedde, al was het maar met een aai over het koppie.
'Je was ook zo een raar kind’, heb ik altijd gedacht, voor mijn moeder het zei. Maar sinds twee weken en dank zij het onvolprezen geschiedenisprogramma OVT van de VPRO weet ik dat ik lang niet de enige was die bij elke trein die voorbij ging dacht 'die gaat naar huis’; die ’s middags moest slapen maar radeloos voelde hoe de tijd niet verder wilde. Er heerste een regime waarin discipline bovenaan stond, waarin zwakkeren ondergingen in de grote groep, waarin het eten voedzaam maar weerzinwekkend was. Toen klonk een Elly & Rikkert-lied, Bleekneusje, dat dit leed omschreef. En ik barstte… nee, integendeel: mijn ontroering verdween op slag. En ik begreep dat ik dit stukje maar niet moest schrijven. Te klein leed.