Kleuterboeken

Groot met pindakaas

In navolging van Dick Bruna wordt in Nederland veel geschreven voor kleuters. De eenvoud is opvallend.

Boeken voor jonge kleuters zijn er zo langzamerhand in overvloed, ook van Nederlandse hand. Dick Bruna, die het genre min of meer heeft uitgevonden, is inmiddels aan zijn honderdste boekje. In Nijntje en Nina wordt weer eens duidelijk wat Bruna’s grote kracht is, nog afgezien van alle bekende kwalificaties wat betreft eenvoud en helderheid van tekst, belijning en kleurgebruik. Nijntje heeft een correspondentievriendin in een ver land. Deze Nina komt logeren en doet kleuterdingen met Nijn: thee met boterkoek nuttigen, ballen en krijgertje. Bruna weet het wezen van de integratie van blank en gekleurd knap te vangen en vooral ook zichtbaar te maken. Tussen de in de auto gepropte, zeer witte familie Pluis verschijnt ineens een buitengewoon bruin oor. Toppagina is deze: ‘en ’s avonds bij het uitkleden zei Nijntje: weet je dat/ ik ook liever een bruine buik en niet zo’n witte had.’ Daarnaast Nijn en Nina met opgeschorte jurken, waardoor hun buiken boven piepkleine slipjes opvallend verschillend in het oog springen. Op de volgende bladzijde liggen een bruin en een wit konijnenhoofd vredig naast elkaar te slapen.


Van een grote eenvoud is ook Fientje en meneer Fernandez door Patsy Backx. Het is een verhaaltje van bijna niks. Steppend door de grote stad rijdt Fientje meneer Fernandez de boodschappentas uit de hand. Met een over het hoofd geziene zak koekjes stept Fien later achter de eigenaar aan, tot ze een enorme hond op haar pad vindt: ‘Hij gromde en hij bromde, het kwijl liep langs zijn wang./ Hij wou de koekjes hebben en Fientje die was bang.’ Gelukkig is Fernandez een grootvaderlijke heer met nog net een tientje voor nieuwe koekjes. De vierregelige rijmen zijn ouderwets en het tekenwerk is weinig spectaculair, maar toch weet Backx, net als in haar vorige boek Stippie en Jan, een intieme verhaalwerkelijkheid op te roepen, waar het voor kleine kinderen goed toeven is. Prachtig is het beeld van Fientje met wapperende haren en das op haar step: helemaal alleen en vrij door de grote wereld zoevend. Dat je dan avonturen beleeft, ligt voor de hand.


Jan Jappie en de veelvraat van Geertje Gort en Ceseli Josephus Jitta is voor al die kleine mensen die denken groot te kunnen worden op uitsluitend boterhammen met pindakaas. Jan Jappie wantrouwt alles waar de volwassenen van beweren dat je er groot, gezond, sterk en slim van wordt. Hoe kun je nu een papventje met papspieren worden als je pap juist verafschuwt?! Tante Stien — enorm en rond in bloemetjesjurk met schort geperst - hanteert een oud dreigement dat werkt: ‘als je niet eet komt de veelvraat je halen.’ Die veelvraat schijnt in oma’s keukenkast te wonen en Jan Jappie begint een boeiende correspondentie met hem. Die leidt tot een slottafereel met een opgewekt jongetje achter een bord met kaalgegeten vissengraat. Gelukkig lonken er naast de gezonde fruitschaal nog wat vette bonbons. De enigszins brave strekking is licht verteerbaar dankzij de grappige briefjes en gedachtesprongen en vooral dankzij de groots opgezette, bizarre, soms ook ontroerende prenten.


Dick Bruna, Nijntje en Nina. Mercis Publishing, ƒ10,50;


Patsy Backx, Fientje en meneer Fernandez. Uitg. Gottmer, ƒ23,90; Geertje Gort/Ceseli Josephus Jitta, Jan Jappie en


de veelvraat. Uitg. Zirkoon, ƒ27,50