Essay Het product krant en de lezer als consument

Groot nieuws uit Laku

Hoe moet de crisis van de journalistiek worden aangepakt? In een tijd waarin nieuws langzamerhand een grote show is geworden, moeten redacties zich bezinnen op de taak van de krant. En misschien een mannetje aanstellen.

Medium essay  nieuws

AAN HET EIND VAN DE ZOMER VAN 1935, toen de regentijd nagenoeg was afgelopen, reisde de Engelse schrijver Evelyn Waugh naar Abessinië. Hij had de opdracht gekregen van The Daily Mail om als journalist verslag te doen van Mussolini’s fascistische leger, dat op het punt stond het land in te nemen. The Daily Mail gaf hem een typemachine en tijdens de lange zeereis naar Djibouti leerde hij zichzelf tikken.
Waugh, die toen al een zekere faam als romancier genoot, bracht het er als journalist niet zo best vanaf. Hij bivakkeerde met nog zo'n honderd journalisten in hetzelfde oncomfortabele hotel in Addis Ababa, waar ze elkaar nauwlettend in de gaten hielden, in de angst het grote nieuws te missen. Gelukkig lag het kantoortje waar de journalisten hun telegrammen naar hun redacties verzonden naast het hotel, waardoor het vrijwel onmogelijk was aan elkaars aandacht te ontsnappen. Waughs verblijf in dat roedel versterkte zijn minachting voor het journaille. ‘Lousy competitive hysterical lying’, was zijn bondige samenvatting van de soort in zijn latere reisverslag Waugh in Abyssinia.
Een beetje makkelijk schoppen achteraf, dat was het wel. Want toen er, na eindeloos wachten in Addis Ababa, eindelijk breaking news was, bevond Waugh zich tweehonderd mijl verderop, in het oosten van het land, en duurde het vier dagen voordat hij weer in de hoofdstad was. Het nieuws was toen al lang dood. En toen hij eerder dan andere journalisten zicht kreeg op het begin van de Italiaanse invasie - Waugh was als rooms-katholiek pro-Mussolini en had goede bronnen onder de Italianen - dacht hij de concurrentie te slim af te zijn met een telegram in het Latijn. Op het hoofdkantoor van The Mail vertrouwden ze dat niet en gooiden het in de prullenbak. Na vijf maanden kreeg Waugh de zak van The Daily Mail en verliet hij Abessinië met een groot gevoel van opluchting. Een half jaar later begon hij aan wat de meest hilarische en scherpste roman over journalistiek zou worden die ooit is geschreven. Scoop luidde de titel van de satire, die na een kleine twee jaar ploeteren in 1938 verscheen.
Kort gezegd is het verhaal in Scoop dit. Er is een 'very promising little war’ uitgebroken in de fictieve Oost-Afrikaanse republiek Ishmaelia en de directeur van de krant The Daily Beast besluit een bijzondere correspondent te sturen, de modieuze reisboekenschrijver John Courteney Boot. Omdat de roman ook een comedy of errors is, wordt niet de reisschrijver, maar William Boot naar Afrika gestuurd, de vriendelijke en wereldvreemde columnist van de krant, die gespecialiseerd is in barokke mijmeringen over natuur. De journalistieke mores worden door zijn ogen beschreven, en dat levert voortdurende bevreemding op. Het begint al met zijn instructies. 'What the British public wants first, last and all the time is News’, wordt hem voorgehouden door Lord Copper, de baas van The Beast. Dat News, met een hoofdletter, iets anders is dan de gecompliceerde werkelijkheid blijkt al snel. Hij moet weten dat de patriotten altijd gelijk hebben en winnen, maar dat ze snel moeten winnen, want voor oorlogen die zich voortslepen heeft het publiek geen geduld. Lord Copper vat het nog eens voor hem samen: 'Een paar scherpe overwinningen, een paar opmerkelijke heldhaftige daden aan de kant van de patriotten en een kleurrijke intocht in de hoofdstad. Dat is de politiek van The Beast bij een oorlog.’
Tijdens zijn reis ontmoet Boot de journalist Corker, die hem leert wat journalistiek behelst. Hij legt uit dat alle kranten en persbureaus verslaggevers naar Ishmaelia sturen omdat de concurrenten het doen. Er zal daar sprake zijn van snijdende competitie om het nieuws. En nieuws, legt hij uit, 'is wat een kerel die nergens werkelijk om geeft wil lezen. En het is slechts nieuws tot hij het gelezen heeft. Daarna is het dood. Wij worden betaald om nieuws te leveren. Als iemand vóór ons een verhaal heeft gestuurd, is ons verhaal geen nieuws.’
Corker illustreert wat nieuws is met een paar sterke verhalen. Over de sterreporter die een bloedstollend ooggetuigenverslag fabriceerde van het zinken van een oorlogsschip vier uur vóórdat het geraakt werd. Over dezelfde journalist die op weg naar een revolutie in een van de hoofdsteden op de Balkan in de trein in slaap viel en zijn verhaal vol barricades, brandende kerken, geratel van machinegeweren en dode kinderen vanuit het verkeerde land schreef. Maakte niet uit, binnen de kortste keren reisde een horde journalisten af naar de hoofdstad waar hij verbleef en brak de revolutie alsnog uit.
Als ze eenmaal in Ishmaelia zijn, gebeurt er tijdenlang niets, de schaar journalisten leeft samengepakt in Hotel Liberty, slaapt met z'n vieren op een kamer, en houdt elkaar loerend in de gaten. Maar de sterverslaggever van The Daily Brute heeft ergens apart een kamer gehuurd en is iedereen te snel af als hij alleen naar Laku trekt en daar de rebellenleider spreekt. Nu wil het geval dat Boot van een oude studievriend die op de ambassade werkt, weet dat Laku, de stad die vijftig mijl van de hoofdstad ligt, helemaal niet bestaat. 'Laku’ betekent 'ik weet niet’ in het Ishmaelitisch. Toen de kaart van het land werd getekend en aan de inwoners werd gevraagd wat er aan de andere kant van het oerwoud lag, was het antwoord: 'Laku’.
Om een lang verhaal kort te maken: of Laku nu bestaat of niet, het nieuws ligt daar, dus het roedel journalisten vertrekt naar Laku en strandt in het oerwoud. Alleen Boot blijft achter in de hoofdstad. Daar voltrekt zich nu wél opeens de revolutie, hij is nog de enige journalist ter plaatse en kan de scoop op z'n dode akkertje naar The Beast telegraferen.
**
NATUURLIJK HAD WAUGH, zoals het een satire betaamt, het nodige overdreven in Scoop, maar veel weerspiegelde wel degelijk zijn eigen ervaringen. De Engels-Amerikaanse journalist Christopher Hitchens, die in 2000 een voorwoord bij Scoop schreef en Fleet Street als zijn broekzak kende, noemde de roman zelfs 'genadeloos realistisch’ en nog steeds actueel. De ongelikte avonturiers die toen de journalistiek nog konden bevolken, mogen nu vervangen zijn door academici met een braaf gezinsleven, de onwetendheid, het kuddegedrag en kluitjesvoetbal, het cynisme en de 'u vraagt wij draaien’-mentaliteit waar Waugh de journalisten mee behepte, behoren nog steeds, of beter: opnieuw, tot de terugkerende klachten over de journalistiek. Niet alleen van de koningin, politici en bestuurders, maar ook van 'gewone’ lezers en kijkers die de media met regelmaat van sensatiebelustheid, onwaarheid, haast en hypes betichten.
Er heeft nooit een journalistiek Luilekkerland bestaan, een tijd waarin journalisten altijd nauwgezet en foutloos werkten. Sterker, je kunt zelfs stellen, en dat wordt ook vaak gedaan, dat de journalistiek de afgelopen decennia onafhankelijker en beter was (en nog steeds is) dan ooit. Om het vizier op Nederland te richten: de kranten maakten zich vanaf de jaren zestig los van hun zuil. De journalistiek werd onafhankelijker en objectiever, ontideologiseerde. Uitgevers investeerden in kwaliteit: de redacties breidden uit, kranten kregen meer katernen, journalisten specialiseerden zich, de onderzoeksjournalistiek maakte een vlucht. Het perspectief van de nieuwsmedia wisselde: ze identificeerden zich niet meer met de autoriteiten en de politiek, maar met de samenleving.
Maar de emancipatie van de journalistiek had ook een keerzijde. De media hadden geen vanzelfsprekende aanhang meer - hun eigen zuil - en moesten vechten om de aandacht van het lezerspubliek. De concurrentie nam kortom toe, maar door de ideële nivellering van het medialandschap gingen media zich tegelijk steeds meer op elkaar richten. Er ontstond een gemeenschappelijke nieuwsagenda, met, in de slechtste gevallen, steeds meer van hetzelfde - het kuddegedrag dat Waugh al hekelde. En omdat media niet alleen een sociale institutie zijn met een maatschappelijke taak, maar ook een industrie die winst moet maken raakte het nieuws steeds meer doordrenkt met amusement en emotie. Dat laatste uit zich niet alleen in al het extra’s waar de kranten over zijn gaan schrijven - lifestyle, eten, BN'ers - maar ook in de presentatie en de keuze van het nieuws. Liever het sensationele incident en politieke ontwikkelingen die als theater kunnen worden gebracht (zie de verslagen van de algemene beschouwingen) dan verhalen over structurele ontwikkelingen.
Volgens H.J.A. Hofland vormde 1989 een cesuur. De Koude Oorlog was een werelddrama waarin men gedwongen was betrokken te zijn en ideologisch partij te kiezen. Na de val van de Muur zette de depolitisering in en begon de betrokkenheid te smelten als poolijs. In 1989 traden ook de commerciële televisiezenders tot het bestel toe en begonnen fun, entertainment en sport aan hun onweerstaanbare opmars. Het nieuws ging steeds meer aan de wetten van de amusementstelevisie beantwoorden; het werd steeds meer een show. De kranten voelden de hete adem van de televisie in hun nek en begonnen hun eigen aandeel in het divertissement te leveren.
Hofland schetst vooral grote maatschappelijke ontwikkelingen die maken dat de media losgezongen raakten van hun oorspronkelijke taak: het dienen van het algemeen belang, bijdragen aan, om het met een modebegrip te zeggen, 'actief burgerschap’. Hoflands analyse is eigenzinnig; over het algemeen doen andere verklaringen opgeld als het gaat over de druk waaronder de media, en dan met name de kranten, staan. In de eerste plaats hebben de kranten veelal nieuwe eigenaren gekregen. In Engeland en Amerika verkochten de oude patriarchen - rijke families die de kranten als hun speeltje zagen en niet direct winst wilden maken - hun bezit aan mediaconglomeraten die het wél om fikse winstmarges is te doen. Ook in Nederland kwamen de kranten in de afgelopen tien jaar in handen van grote bedrijven of zelfs bikkelharde investeringsmaatschappijen die, om met Honoré de Balzac te spreken, vooral 'handelaren in bedrukt papier’ zijn. Daarnaast kampen dagbladen over de hele wereld met teruglopende lezersaantallen, een vergrijzend lezerspubliek, een krimpend advertentieaanbod, de concurrentie van nieuwe media.
In het lopende debat over de crisis van de journalistiek gaat het bovenal over het laatste, over de penibele financiële situatie waarin de kranten en serieuze journalistiek verkeren, en duikt telkens het uitgekauwde lijstje van slinkende inkomsten, stijgende kosten en het uitblijven van nieuwe 'verdienmodellen’ op. Met verdienmodellen wordt bedoeld: manieren om geld te verdienen aan nieuws op internet.
**
BEHALVE VAN EEN FINANCIËLE CRISIS is er in de media echter ook sprake van een inhoudelijke crisis, en die inhoudelijke crisis wordt wel versterkt door het financieel zware weer, maar staat daar gedeeltelijk ook los van. In 1999, dus vóórdat de kranten in financiële moeilijkheden kwamen, plaatste Frank van Vree in zijn inaugurele rede als bijzonder hoogleraar persgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit al kanttekeningen bij een journalistieke cultuur die vooral marktgericht is. 'De media’, stelde hij, 'dreigen zo uit te groeien tot een glijmiddel voor commerciële belangen.’ Ook de kwaliteitsjournalistiek gaf in zijn ogen terrein prijs aan de commercialisering door meer en meer plaats in te ruimen voor hybride vormen van verslaggeving, waarin de persoonlijke en psychologische benadering belangrijker is dan de inhoudelijke.
Ook John Nichols en Robert W. McChesney vinden het een misverstand te denken dat al dat feilen van de journalistiek veroorzaakt is door de opkomst van het internet en het weglopen van lezers en adverteerders. In hun boek The Death and Life of American Journalism uit 2010 stellen ze dat de crisis van de journalistiek in de jaren zeventig begon en verder doorbrak in de jaren negentig. Zij definiëren die crisis ook vooral inhoudelijk en wijten die aan de grote mediacorporaties die hun winst probeerden te maximaliseren door redacties in 'winstmachines’ te veranderen, waarbij ze voor lief namen dat de journalistiek trivialiseerde. De uitholling van het nieuws en de vervreemding van jonge lezers en kijkers werd verhuld door de massieve winsten die werden gemaakt.
In zijn veelbesproken Flat Earth News, in 2010 in het Nederlands vertaald als Gebakken lucht, wijst Guardian-journalist Nick Davies eveneens met de beschuldigende vinger naar de magnaten die de media vanaf de jaren tachtig in handen kregen. Als 'apolitieke accountants’ haalden (en halen) ze uit winstbejag allemaal hetzelfde trucje uit: ze besparen op de kosten door te snijden in hun redacties, onder het motto dat ze met minder mensen betere kranten gaan maken. Die kleinere redacties moeten meer nieuws produceren, want we leven in een 24-uurs-nieuwseconomie. Redacteuren moeten vaak zowel voor krant als internet schrijven en zich aan een dwingend productieregime onderwerpen. Tegelijk wordt er bezuinigd op het netwerk van zowel lokale als internationale correspondenten die de media altijd van eigen nieuws hebben voorzien. En daar bovenop wordt de nieuwsagenda verbreed met showbizz-nieuws, lifestyle en sport, want de eigentijdse krant moet, zoals het heet, 'publieksgericht’ zijn.
Het gevolg is in de ogen van Davies niet alleen een trivialisering van het nieuws en meutevorming, maar nog erger: leugens, verdraaiingen en propaganda halen meer dan ooit ongefilterd de media. Davies benadrukt dat dit niet komt doordat journalisten lui, onwetend en cynisch zijn - dat waren ze altijd al, en de meeste trouwens niet. De oorzaken zijn structureel: doordat kranten 'kopijfabrieken’ zijn geworden waar 'lopendebandjournalistiek’ wordt bedreven hebben journalisten geen tijd meer om persberichten en kopij van persbureaus te controleren, laat staan de deur uit te gaan en zelf een goed netwerk op te bouwen. Daardoor zijn de meeste media een doorgeefluik van kant-en-klare stukjes geworden, herkauwers van pers- en pr-berichten en producent van verhalen die vooral eenvoudig te maken, goedkoop, niet-controversieel en veilig zijn.
Als voorbeeld haalt hij het bericht aan over Paul Hucker, een voetbalfan uit Ipswich, die zich voor het wereldkampioenschap van 2006 liet verzekeren tegen de gevolgen van een sporttrauma. Als het Engelse elftal het toernooi vroegtijdig zou moeten verlaten, dan zou hij een uitkering van een miljoen pond krijgen van een internetverzekeringsmaatschappij. Via het Britse persbureau AP belandde het bericht in de Engelse media, maar binnen de kortste keren dook het in kranten over de hele wereld op, ook in kwaliteitskranten, ook in Nederland. Een paar minuten googelen leerde Davies dat Paul Hucker in meer verhalen over verzekeringen figureerde en dat hij directeur is van een reclamebedrijf dat is gespecialiseerd in campagnes voor internetbedrijven. Het was kortom een publiciteitsstunt.
Dit is slechts een grappig verhaaltje, maar hoe kunnen de overbelaste journalisten in de nieuwsfabriek zich weren tegen de veel geraffineerder beïnvloeding van voorlichters, spindoctors en geheime diensten? Davies laat zien dat de media bij cruciale thema’s, als de oorlog tegen Irak, de war on terror en de opwarming van de aarde in veel gevallen achter inlichtingendiensten en bij de klimaatverandering achter nepdeskundigen en pseudo-denktanks, gefinancierd door oliebedrijven, aan liepen.
In de Nederlandse media is het (nog) niet zo bar en boos als in veel Engelse en Amerikaanse, maar ook hier is het aantal voorlichters, pr-agenten en spindoctors de laatste tien jaar explosief toegenomen, en ook hier gebruiken de media, zeker de helemaal onderbezette regionale kranten, kant-en-klare persberichten en nemen ze hun toevlucht tot vluchtige opiniepeilingen, belrondjes onder deskundigen en Bekende Nederlanders en korte portretjes van 'gewone’ Nederlanders in plaats van de veel tijdrovender journalistieke waarheidsvinding.
**
TOCH IS HET TE SIMPEL om te denken dat het allemaal de schuld is van de grote mediabedrijven en de toegenomen commercialisering sinds de jaren tachtig. Dan zou de crisis slechts een kwestie zijn van eigendomsverhoudingen, en hoewel eigendomsverhoudingen zeer bepalend zijn, is de crisis fundamenteler en existentiëler. Kijk naar Scoop, dat is geschreven in de jaren dertig, toen de kranten bestierd werden door de oude patriarchen waar Davies met enige nostalgie aan terugdenkt. What the British public wants first, last and all the time is News’, zei Lord Copper, de baas van The Beast, al. Voor voortslepende oorlogen, dat wil zeggen voor langer durende ontwikkelingen, heeft het publiek volgens de patriarch geen geduld.
De lezer wil, in het beeld dat Lord Copper van hem heeft, geen context, geen analyse, maar een snelle opeenvolging van nieuwe feiten. De journalist Corker is mogelijk nog cynischer over zijn veronderstelde lezerspubliek: dat bestaat uit onverschillige kerels, die alleen geprikkeld worden als iets nieuw is. Het zijn, anders gezegd, passieve consumenten die voortdurend op een nieuwe prikkel wachten.
Nieuws is zo beschouwd zelf een 'consumer good’, een consumptieartikel. Niet voor niets hebben we het tegenwoordig over de 'nieuwsconsument’. In zijn klassieke cultuurkritische werk The Image uit 1961 omschreef de Amerikaanse historicus Daniel J. Boorstin nieuws al als zodanig, als een verkoopbaar product. En dat was het in zijn ogen al sinds halverwege de negentiende eeuw. Het verkoopbare product moet wel aan een aantal eisen voldoen, waarvan de belangrijkste is dat het voortdurend moet veranderen. Boorstin begint zijn boek met een schets van de 'extravagante verwachtingen’ van de nieuwsconsument. Als deze bij het ontbijt de ochtendkrant openslaat, verwacht hij iets anders te lezen dan wat hij de avond daarvoor op tv heeft gezien. Als hij ’s middags naar het radionieuws luistert, gaat hij ervan uit dat hij wordt bijgepraat over nieuws dat een paar uur eerder nog niet in de krant stond. Die 'extravagante verwachtingen’ zijn met de komst van nieuwe media als internet en Twitter alleen maar extravaganter geworden.
Het enige probleem daarmee is dat de onstilbare behoefte aan nieuw, nieuwer, nieuwst groter is dan de natuurlijke capaciteit van de wereld. Net als oliebronnen kunnen nieuwsbronnen wel eens zijn opgedroogd. Boorstin brengt de eerste Amerikaanse krant in herinnering, de Public Occurences Both Forreign and Domestick, die in 1690 in Boston uitkwam. De krant beloofde met een regelmaat van eens in de maand verslag te doen van het nieuws, en voegde eraan toe eventueel vaker te zullen verschijnen, als zich een 'overvloed van gebeurtenissen’ zou voordoen. De verantwoordelijkheid voor het nieuws lag toen nog uitsluitend bij God - of de duivel. Het was de taak van de journalist verslag te doen van aanzienlijke gebeurtenissen die onder zijn aandacht werden gebracht. Aanzienlijk, dat waren gebeurtenissen in de orde van natuurrampen en schipbreuken.
De permanente stroom van nieuws is een illusie en vraagt om illusies. De journalist kan niet zomaar op nieuws wachten, zoals in de tijd van de eerste kranten, hij moet naar nieuws op zoek, moet ernaar graven, moet het misschien zelfs máken. En omdat er altijd mensen, bedrijven, organisaties zijn die graag het nieuws halen, is de grens tussen wat écht nieuws is en wat ingestoken nieuws vaag geworden. Boorstin muntte daar het begrip 'pseudo-event’ voor, en het hedendaagse nieuws is ervan vergeven, van pseudo-gebeurtenissen. Onze veranderde attitude tegenover 'nieuws’ noemt hij dan ook niet zomaar een basaal feit in de persgeschiedenis, maar een revolutionaire verandering in onze blik op de wereld.
The Image kwam voort uit een essay dat Boorstin schreef naar aanleiding van het beroemde televisiedebat tussen Kennedy en Nixon in de campagne om het presidentschap in 1960. Een pseudo-gebeurtenis is, in de definitie van Boorstin, niet spontaan maar gepland en de relatie ervan tot de werkelijkheid is ambigu. Een verkiezingsdebat berust op een innige samenwerking tussen de politici en de nieuwsmakers, die niet alleen het decor, de belichting en de make-up voor hun rekening nemen, maar ook in onderhandeling met de deelnemers de regels bepalen. Vervolgens geeft het debat weer aanleiding tot nieuw pseudo-nieuws: politieke commentatoren wijzen de winnaar van het debat aan, in opiniepolls worden de reacties van de kijkers gepeild. En dit hele spektakel voorspelt in feite niet of iemand een goede president zal zijn; het laat vooral zien wie zich het meest als een vis in het water voelt van het gekozen format.
Tot andere pseudo-gebeurtenissen rekent Boorstin de persconferentie, het persbericht, jubilea, fotosessies, opiniepeilingen, het lekken van bijvoorbeeld politici, hun proefballonnetjes en 'off the record’-opmerkingen. In alle gevallen hebben de betrokkenen er baat bij om in het nieuws te komen, of tenminste het nieuws naar hun hand te zetten, en is de relatie tot de werkelijkheid diffuus. Bij pseudo-gebeurtenissen maakt het niet uit of ze betekenisvol zijn, als ze maar nieuwswaardig zijn. Ze zijn gecreëerd om mediadeuren te openen. Denk aan de vele onhaalbare voorstellen die Wilders oppert en die telkens weer 'nieuws’ zijn. Hoe dan ook zorgen de pseudo-gebeurtenissen ervoor dat het onduidelijk is wat echt nieuws is en wat gemaakt nieuws, en loopt de nieuwsconsument als het ware rond in een spiegelpaleis vol spiegels die de werkelijkheid reflecteren maar evenveel lachspiegels die de werkelijkheid vertekenen. Dat kan niet anders dan een vervreemdend gevoel geven.
**
DE JOURNALIST WILL IRWIN schreef in 1911 in zijn boek The American Newspaper een kritische analyse van de pers en constateerde dat er in de nieuwe tijd een groeiende publieke behoefte aan nieuws was, 'als een schreeuwende primaire behoefte van de geest, vergelijkbaar met de honger van het lichaam’.
Die vergelijking tussen het verlangen naar nieuws en fysieke honger is vaker gemaakt. Onlangs publiceerde nrc.next het essay Avoid News van de Zwitserse schrijver Rolph Dobell, die de behoefte aan nieuws niet zomaar met trek in eten vergelijkt, maar met de zucht naar suiker. Nieuws is voor het brein wat suiker is voor het lichaam: het biedt instant-bevrediging, maar is niet voedzaam, je wordt er niet gezond (dat wil zeggen: wijs) van, maar je krijgt er obesitas en suikerziekte door. Nieuws wordt net als snoep in kleine hapjes gepresenteerd, in 'tidbits’, maar leert de werkelijkheid niet beter begrijpen en zet niet aan tot denken. Juist omdat het niet bevredigt, heb je behoefte aan steeds meer. Dobell eindigt met een oproep om van de nieuwsverslaving af te kicken, gewoon met een cold turkey. Check niet meer telkens via internet of telefoon het nieuws, schakel de radio en tv uit, doe de krant de deur uit en lees voortaan boeken of lange artikelen die al die losse nieuwsfeitjes verbinden en proberen de complexiteit van de werkelijkheid recht te doen. Kies voor lang en diep, niet voor kort en snel.
De aloude mediagoeroe Marshall McLuhan zag media als verlengstukken van het menselijk lichaam. De nieuwsmedia waren in zijn ogen niet de uitbreiding van de maag - al geeft NRC Handelsblad tegenwoordig expliciet aan ook de maag van de lezer te willen bedienen - maar van de zintuigen, van onze ogen en oren. Zo bezien krijgen onze zintuigen zo veel prikkels te verstouwen dat we ze nauwelijks meer kunnen verwerken en in een permanente staat van ongerichte opgewondenheid verkeren, en die opwinding zoekt steeds weer naar nieuwe gelegenheden. Naar nieuwe prikkels, naar nieuw nieuws.
**
NIEUWS IS ALTIJD AL een verkoopbaar product geweest - zie Lord Copper - met alle problemen van dien, maar die problemen zijn versterkt door de toenemende commercialisering, de toegenomen concurrentie in een markt die onder druk staat en de versnelling door de nieuwe media. De remedie van Rolph Dobell, een volkomen nieuwsarm dieet, is wel heel abrupt en behalve onrealistisch ook onwenselijk. De gedachte dat een democratie gebaat is bij goed geïnformeerde burgers is per slot van rekening niet achterhaald. De kwaliteitsmedia kunnen beter zelf met een remedie komen. Die zou kunnen liggen in het relativeren van het begrip nieuws, daar dwarser tegenover staan en meer een eigen agenda volgen. Want nieuws is per definitie een tautologisch begrip: nieuws is dat wat nieuwswaarde heeft en de nieuwswaarde wordt bepaald door redacties. Of zoals een Amerikaanse journalist ooit zei: 'News is what a good editor chooses to print.’ Waarom zouden de kwaliteitsmedia de versnelling niet kunnen vertragen, en nieuws bieden dat completer, diepgravender en beter gedocumenteerd zicht biedt op de grote hedendaagse kwesties?
De onafhankelijkheid en autonomie die de journalistiek heeft bereikt na het afschudden van de verzuiling heeft bevrijdend gewerkt, maar ook voor een vacuüm gezorgd. Het houvast van de politieke ideologie of religieuze levensbeschouwing is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe ideologie: die van objectiviteit en neutraliteit. In plaats van een parochieblad willen vrijwel alle kranten een brede nieuwskrant zijn. Maar objectiviteit is een nogal lege ideologie, waardoor de journalistiek, als ze niet oppast, speelbal wordt van al het nieuws dat op haar afkomt. Het was niet zo gek dat Hofland de crisis van de journalistiek in verband bracht met maatschappelijke ontwikkelingen, en dan vooral met de revolutie van het consumentisme na de val van de Muur. Het is moeilijk te zeggen wat gevolg is en wat oorzaak: de media weerspiegelen een consumentistische maatschappij en jagen die tegelijk ook aan. De krant is een consumentenartikel dat aan de ene kant volop ruimte geeft aan kritiek op het consumentisme, maar even goed het consumentisme uitdraagt in lifestyle-bijlagen, luxe-spullen-katernen, auto-, mode- en woonspecials.
Geforceerde re-ideologisering werkt niet, dat hebben we aan de actualiteitenprogramma’s van de publieke omroep kunnen zien. Verkieslijker is het als op alle afzonderlijke redacties permanent wordt gedebatteerd over wat zij onder nieuws verstaan. Dat er als het ware een mannetje op elke redactie rondloopt dat zich niks van dringende deadlines aantrekt, dat alle opwinding gelaten langs zich af laat glijden en terwijl alle journalisten achter het laatste drama aan rennen steeds weer de irritante vraag stelt: is dit wat wij onder nieuws verstaan? En dat dat mannetje uiteindelijk in het hoofd kruipt van elke individuele journalist.


Dit is een ingekorte versie van de Joost Divendal-lezing die Xandra Schutte afgelopen zondag uitsprak in De nieuwe liefde