Groot woord

Wanneer ik voor het laatst gehuild had bij een boek. Ik zat voor een literair televisie programma in een forum met twee collega- critici, en het ging over de kwestie of je persoonlijke gevoelens mee mocht laten spelen in een recensie.

In mijn recensies is zelfs de punt die ik aan het einde van een zin zet hoogst­persoonlijk. Maar dat zei ik niet. Ik was bezig mijn blouse recht te trekken, want die zat nogal frommelig volgens de opnameleider. Hij zei niks over de knoop die op cruciale hoogte ontbrak aan het overhemd van mijn ene tafelgenoot, of de vlekken op het shirt van de andere. In mijn tas zat Desperate Characters van Paula Fox. De hoofdpersoon wordt in het begin gebeten door een wilde kat, een scène die me rillingen tot in mijn haarwortels had bezorgd. Juist omdat ze toen ze hem aaide glimlachend had bedacht hoe lang geleden het moest zijn geweest dat hij een menselijke streling had gevoeld, en nog steeds glimlachte toen het beest zich oprichtte, zijn klauwen in haar hand sloeg en haar keihard beet. Ik vond het zo goed beschreven, omdat het inderdaad altijd een tijdje duurt voordat je wilt toegeven dat er iets pijnlijks gaande is. Ik huil best vaak, daar niet van. Die ochtend nog, toen ik in de weekendbijlage van NRC Handelsblad een interview las met actrice Ariane Schluter. Huilen is een groot woord, maar er prikte wel iets. Het kwam door een gedicht dat ze citeerde. Ze noemde eerst een gedicht dat ik ook al heel lang koester, De danser van Martinus Nijhoff.

Onder mijn huid leeft een gevangen dier/ Dat wild beweegt en zich naar buiten bijt.

Ariane Schluter had het gedicht achter zich gelaten, vertelde ze. Dat had te maken met het feit dat ze aan het leren was de dingen op een ontspannener manier aan te pakken. De amateur in zichzelf ook een kans te geven, door bijvoorbeeld piano te gaan spelen. ‘Dit was nu eens iets waar ik niet goed in hoefde te zijn. Van niemand, zelfs niet van mezelf.’

Ik heb ook nooit goed begrepen waarom je iets zou doen zonder er heel goed in te worden, en eigenlijk gewoon meteen maar de beste. Ik probeer er niet op neer te kijken als mensen zich opeens tot het aquarelleren bekeren, of een cursus beeldhouwen gaan volgen, maar niet eens zo heel diep van binnen vind ik het vreselijk. Ik haat dilettantisme, zei ik onlangs nog tegen een vriend, een opmerking waarvan later bleek dat hij daar nachten wakker van had gelegen. Hij dacht dat ik het over hem had, maar ik denk dat ik het meer over mezelf had. Ik kan me niet voorstellen dat ik zomaar ‘iets’ zou gaan doen, op zangles gaan, me bij een roeivereniging aansluiten, gaan zitten sudokuën, zomaar een boek lezen. Alles maakt deel uit van een groter plan.

Een van de pijnlijkste passages in Het jaar van magisch denken is als Joan Didion na de dood van haar man te binnen schiet hoe hij steeds vaker was gaan zeggen dat ze ‘geen plezier’ hadden. Waar zij dan altijd tegenin ging: we deden zus toch? En deden we niet zo? Terwijl ze ondertussen wel begreep wat hij bedoelde. ‘Hij bedoelde dingen doen niet omdat ze van ons verwacht werden of omdat we ze altijd hadden gedaan of er de plicht toe voelden, maar omdat we ze wílden doen. Hij had het over wíllen. Hij had het over leven.’

De ironie wil dat Didion even verderop vermeldt hoe ze die ochtend zit te staren op het kruiswoordraadsel in de krant, en het woord zoekt waarvoor de omschrijving luidt: ‘op onnutte wijze besteden’. Als ze heeft bedacht dat het antwoord ‘verdoen’ moet zijn, pijnigt ze zichzelf onmiddellijk met de vraag: ‘Hadden we dat gedaan? Vond hij dat we dat gedaan hadden?’ Terwijl ik inmiddels denk dat de klacht van haar man luidde dat ze te wéinig tijd hadden verdaan. Arme Didion. ‘Waarom heb ik niet geluisterd toen hij zei dat we geen plezier hadden?’ schrijft ze. ‘Waarom had ik niets ondernomen om ons leven te veranderen?’ Ja, waarom. Omdat zij het misschien niet (meer) in haar macht had om hem een plezierig leven te bezorgen. En dat dat een te verstrekkend inzicht was om zomaar onder ogen te zien.

Haar pianolessen helpen Ariane Schluter om in haar toneelspel wat meer los te laten, intuïtiever te durven zijn. Misschien heeft het ook wel te maken met het toelaten van plezier. Zoals zij het uitlegt, geloof ik het, ook al vind ik plezier ingewikkeld. ‘Als je Chopin speelt, moet je met je hand soms ver naar links reiken, bijvoorbeeld om de lage a te raken’, vertelt ze. ‘Van mijn pianoleraar moest ik dat doen zonder naar die toets te kijken. Dat kan niet, riep ik. Jawel, zei hij, hij is er al, in je hoofd, die klank, je hoeft hem alleen maar te pakken.’ En vervolgens citeert ze het gedicht dat De danser heeft verdreven, Nooit kwaad van Hugo Claus. Toen ik de laatste regel las van het gedicht begonnen mijn ogen te prikken. Vertrouw op haperingen. Ik weet niet of ik dat zou durven.