Profiel Riccardo Chailly

Grootmeester in deeltijd

Na zestien jaar neemt Riccardo Chailly deze maand afscheid van het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij gaat naar Leipzig, waar hem als chef van het Gewandhausorchester en de opera een interessante dubbelfunctie wacht. Wat laat hij achter?

Chailly uitwuiven is glad ijs voor wie hem, zoals ik, onthaalde als een boer met kiespijn. Toch moet het. Hij kan als factor niet van tafel. Zestien jaar lang leidde hij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Zolang hij op de bok stond, wat hij voor een chef naar eigentijdse maatstaven vaak deed, klonk het orkest naar hem — en dat wil zeggen koel en gis, als hij zijn dag had. Daar komt bij dat hij vertrekt op een moment waarop het symfonieorkest volgens bepaalde nihilisten het decor is van een diepe crisis. Dat is een extra reden hem en zijn orkest als hypothetisch middelpunt van die malaise nader te bezien.

De teneur van het moderne geweeklaag is bekend: de grote dirigenten zijn verdwenen, de platenindustrie is ingestort en met de muze wordt het nooit meer wat het was. Toch lijken bij het Koninklijk Concert gebouworkest de problemen mee te vallen. Van Chailly’s honorarium zal het orkest niet beter zijn geworden; in het verleden hoorde je verluiden dat hij, destijds in guldens, per seizoen zo’n drie miljoen bijeensloeg. Maar de zalen zijn in Am sterdam nog goed bezet en de kritiek heeft in het algemeen niet veel over Chailly te klagen.

De directe toekomst lijkt geen punt van zorg. De nieuwe chef, de zestigplusser Mariss Jansons, is een geweldige dirigent met een grote naam. Geen revolutionaire keus, dat is één. Door zijn leeftijd en gezondheids toestand geen verbintenis voor eeuwig, dat is twee. Maar naar statuur gemeten lijkt de komst van Jansons eerder een stap voorwaarts dan een terugval in een provinciale status quo.

Ook anderszins geen onheilspellend nieuws onder de zon. Het programma van het komende seizoen oogt geruststellend. De prestigeveteranen Haitink, Harnoncourt en Colin Davis zijn gaapverwekkend trouw present. Het KCO reist weer met vrucht en speelt van hier tot Tokio. Alleen de platen industrie staat niet meer trappelend van ongeduld te wachten op een uitgelezen kans het wonder van de Amsterdamse klankcultuur, al naar gelang de invalshoek wel vergeleken met de tonen van de schilders Rembrandt en Vermeer, te registreren voor de eeuwigheid. Maar daar past het orkest een mouw aan door zelf een platenlabel te beginnen.

Interessant: niets wekt de indruk dat het KCO zonder zijn chef nu reddeloos verloren is. Chailly vertrekt, het leven gaat door. Men speelt straks Strauss en Mahler, Schumann en Tsjaikovski als zo vaak. Af en toe komt er, met Knussen of Ed Spanjaard op de bok, zoiets als hedendaagse kunst voorbij, gevat in het vergulde kader van een serie Aanbevolen avontuur. Wat heeft, als alles blijft zoals het altijd is geweest, het KCO verloren aan de gaande man? Het kan niet niets zijn. Zestien jaar is voor een chef in deze tijd van jobhoppers een kleine eeuwigheid. Heeft de verbintenis iets blijvends opgeleverd?

Moeilijke vraag. Een schrijver, componist of schilder laat iets na. Bij uitvoerende musici ligt dat lastiger. Een dirigent kan platen maken, dat is waar. Maar de cd is, ondanks de schijn van eeuwigheid, vooral momentopname. Een klank- en speelcultuur? Het zijn mythische begrippen. Chailly’s geslepen klank is als geval van muzikale signatuur een te persoonlijk bezit om diepe sporen na te laten. Ook de exactheid van het samenspel, volgens sommigen een van Chailly’s belangrijke verdiensten, is persoonsgebonden: onlangs deed het KCO onder nota bene Bernard Haitink die theoretische verworvenheid met luie onzorgvuldigheid teniet, zoals ik mocht ervaren.

Aan de vluchtigheid van het Chailly- régime kleeft nog een ander, menselijk aspect. Chailly is uit de aard der zaak geen man om te beklijven. Een vlotte prater, maar geen imponerende persoonlijkheid. Hij mist een demon, wat ook terugslaat op zijn musiceren. Een deel van het orkest heeft het getuige de berichten in de krant met hem gehad: de animo om zijn contract langdurig te verlengen blijkt vier jaar geleden al gering te zijn geweest, onthulde Het Parool in 2002. Dat kan duiden op sleur in intermenselijke zin, maar ook op scepsis over de gezamenlijke muzikale perspectieven.

Inderdaad, met Haitink gaat het in de jaren tachtig nauwelijks anders. Verschil is dat Chailly van meet af aan veel meer dan Haitink al het aureool van jonge, zelfbewuste meester met zich meedraagt. Hij lijkt veel communicatiever dan Haitink, en is een meester in het wekken van verwachtingen. Daarmee brengt hij onder gunstiger gesternten een bepaalde opwinding teweeg die nieuwe glans geeft aan het prachtige corvee dat het orkestbestaan als Rijksmuseum van de muze is geworden. Het nadeel van dit voordeel: muzikale tegenvallers komen harder aan dan waar de scepsis heerst die ooit de jonge Haitink in de pers ontmoette. Misschien is ook Chailly, net als zoveel kapelmeesters van zijn toch niet onaanzienlijke kaliber, het slachtoffer geworden van dit mechanisme. Wellicht is het zelfs onvermijdelijk dat het is gebeurd.

Het begin van het Chailly-tijdperk is ach ter af beschouwd al iets te stralend. In januari 1985 debuteert de Milanees, dan 32, als gast bij het Concertgebouworkest. Op de lessenaars niet Mahler, Bruckner, Britten of Tsjaikovski maar zijn landgenoten Berio, Petrassi en Bussotti. Drie dagen later dirigeert Chailly de Rhapsody in Blue van Gershwin en Puccini’s Capriccio sinfonico. Een opgewekt palet. Geen slappe sandwich van verplichte demonstratiestukken maar een kleurrijke melange van dansant, verleidelijk en nieuw. Een half jaar later wordt op een persconferentie bekend gemaakt dat Chailly in 1988 Haitink opvolgt.

Dat is snel. Verklaarbaar snel; zijn internationale reputatie wettigt een regime van grote stappen voorwaarts. Hij is een gekwalificeerde operadirigent, die als 25-jarige zijn debuut maakt bij de Scala van Milaan. In 1982 wordt hij benoemd tot chef-dirigent van RSO Berlin, het Radio Symfonieorkest van Berlijn, waar het grote Decca al snel opnamen met hem gaat maken. In 1986 krijgt Chailly er nog de leiding over het Teatro Comunale van Bologna bij.

Naast zijn snel rijzende ster werkt ook de Amsterdamse situatie in zijn voordeel. Aan zijn komst gaat in en rond de Grote Zaal van het Concertgebouw een lange, soms moeizame relatie met een grote voorganger vooraf. De scheiding tussen Bernard Haitink en het KCO is een pijnlijke geschiedenis. In 1985 kondigt Haitink, die naar Covent Garden gaat, zijn vertrek aan. Dat had ook niet veel langer moeten duren. De relatie is versleten. De chef is nukkig, zijn verhouding met de artistiek leider verstoord; zoals in alle uitgebluste huwelijken is er gedonder met een deel van het orkest over te kleine en te grote dingen.

Dan wordt een goedlachse, kosmopolitische dertiger al snel ervaren als een godsgeschenk. Actie blijft reactie. Chailly is fris. Geniet het leven even zichtbaar als de kunst. Niet meer dat steile van de man die op Brits grondgebied wel Boring Bernie wordt genoemd; het volle leven. En dan voldoet de nieuwe ook nog ruim aan de criteria die als een val voor hem zijn uitgezet. Een solide positie in het internationale muziekleven, breed repertoire, daadwerkelijke belangstelling voor nieuwe muziek en een beschikbaarheid van liefst vier maanden per seizoen.

Er komt nieuw repertoire van de schappen. Decca doet er alles aan om de cultuurverandering in hifi-stereo te laten schitteren. Zelfs Berio mag hij opnemen, als eigentijdse componist toch niet bepaald de natte droom van boekhouders en marketeers. Ook verkeert de nieuwe soepel met de pers, binnen en buiten de kolommen. Hij is, zolang het leven lacht, een pleaser. Hij zegt de juiste dingen over het mooie Amsterdam, over zijn zuidelijke inslag en de bijbehorende behoefte muziek te laten zingen als een opera; hij weet de grofste dooddoeners te laten bekken. Stokpaard: zijn Latijnse inslag. Zingen, opera, Italië.

Maar daarnaast wordt, door hemzelf niet in de laatste plaats, van hem verwacht dat hij zich meet met componisten die van oudsher in verband worden gebracht met het Concertgebouworkest: Mahler, Bruckner en de overige grote symfonici. Hij houdt ze even af, maar kan niet eeuwig wachten. De gevolgen van zijn eerste Amsterdamse confrontatie met die vrijgespeelde meesters zijn soms verschrikkelijk. Hij neemt een Zesde symfonie van Mahler op die kant noch wal raakt. Zijn Tweede symfonie van Brahms is een gotspe. Het Bruckner-peil verschilt van dag tot dag, maar erg is bij Chailly meteen heel erg.

Nu wordt het persoonlijk. In 1990 werk ik bij Het Parool. Ik oefen het beschamende beroep van recensent uit. Wat ben ik kwaad op Chailly, de man die mijn geliefde Mahler naar de knoppen slaat. En ik doe flink in de traditie van Frits Bom, of van het actualiteitenslag dat op tv geen etmaal na de knal hooghartig brave Enschedese brandweercommandanten tot de orde roept: ik schrijf het op en luid de noodklok of het oorlog is.

Tussen de regels door betoog ik dat Chailly moet wegwezen, en met de nadruk van mijn 25 jaar verklaar ik hoe en waar hij faalt. «Melodische lijnen stromen, mede door die straffe, ritmische dressuur, zelden door en overal ontstaan merkwaardige cesuren, die het luisteren naar Brahms’ Tweede symfonie tot een ware beproeving maken. De Latijnse klaarheid, in de praktijk niets meer of minder dan een bijna technocratische perfectie, werkt in veel gevallen averechts, vooral in Mahlers Zesde symfonie. Dramatisch is Chailly alleen in partituren waarin de emoties een verborgen leven leiden en de interpreet zich heerlijk kan uitleven; pakt de componist echter flink uit, dan is het voor Chailly opeens niet interessant meer. In Bruckners Vierde heerst dood tij.» En verder, schrijf ik, past de dirigent niet in de traditie van het KCO. Een goede definitie van die term vind ik in mijn verhaal niet terug, maar nood breekt wet in tijd van oorlog.

Zelfs als alle regels waar zijn zijn ze belache lijk. Belachelijk is het pontificale van de stellingname; belachelijk het voorbarige van het oordeel. Want de gewenning komt, en de gesmade dirigent wordt beter. Zowel in wat hij al goed kan als in het repertoire waarin hij, net als iedereen, begint als lijder aan een achterstandssyndroom: het zal niet comfortabel voelen Mahler in te zepen waar een Haitink en een Mengelberg dat met succes hebben gedaan. Zijn Mahlers worden ordelijker. Zijn opname van Bruckners Tweede symfonie bevat, moet ik nu toegeven, een intrigerend eerste deel. Zo strak, licht en ernstig, zo on romantisch scherp en diep, zo interessant veel tegelijk. Het lijkt wel kunst, bij tijd en wijle.

Heeft dat groeiproces Chailly tot grote dirigent gemaakt?

Wat is een grote dirigent vandaag? Ooit was de ideale maestro de in brede kring verafgode synthese van dictator en profeet, een doelwit van gewenste verheerlijking. Hij heette Mengelberg, Von Karajan of Toscanini. Nu God ook in de Grote Zalen dood is, blijkt de maestro in de eerste plaats een zetstuk in het spel van vraag en aanbod. Muziekcriticus Roland de Beer schreef: «Wat een grote dirigent is — vraag het niet aan de orkesten. Grote dirigenten zijn zij die ze niet of moeilijk kunnen krijgen.» Grootheid is het synoniem van kostbaarheid: de prijs is het bewijs.

Geen dirigent is meester in de volle breedte, groots in alles wat hij doet. Wat voor de ouden gold, geldt nu dus ook voor Gergiev, voor Rattle en Chailly. Net als zijn collega’s is Chailly een grootmeester in deeltijd. Een grootmeester in Verdi en Rossini. In Bruckners Tweede. In Messiaens Turangalila-symfonie, in de Kammermusiken van Hindemith. Niet in de Negende van Mahler.

Grootheid vragen is onmenselijk. Grootheid willen is niet anders dan de hoogste eisen willen stellen: steeds ook de hele waarheid willen, naast het simpele behagen. Zelfs Brahms zijn of Prokofjev is dan niet genoeg. Een Bach of Mozart moet je zijn, een Beet hoven, een Bruckner. Zij blijven. De anderen, de gewone en de ongewone mensen, zijn passanten. Niet per definitie overbodig, nooit volledig onontbeerlijk.

Voor dirigenten geldt een trede lager op de kunstenladder ongeveer hetzelfde: zowel in hun gezagsverhouding tot de componisten als in hun onderlinge hiërarchie. Een dirigent is in het gunstigste geval een bekwame tolk- vertaler, een bemiddelaar die komt en gaat. Ook Chailly is een passant geweest, passant in dienst van blijvers die hij af en toe bekwaam van dienst was. Hij laat de boodschap na dat grootheid zeldzaam is, ook in de grote ziel die hij soms groot heeft laten schijnen op de bühne. Als de bekwame tolk-vertaler uit Milaan de Negende van Mahler dirigeert, hoort hij met zijn scherpe oor de onmacht zingen. Dat zegt het stuk, en leert hem tijdens het concert zijn menselijke onmacht om die vluchtigheid te overwinnen. Dan het bewijs: de luisteraar verveelt zich koninklijk, zij het niet zonder een slap gevoel van eerbied voor de boodschapper die hem de barre feiten overbracht. Ook dat is kunst, en mensenwerk, geen wonder en geen schande. Het beste, maestro, en maak ook in de toekomst dat we ons met vrucht vergissen.