Muriel Barbery

Grootmeester van het culinaire genot

Muriel Barbery, De delicatesse

Uit het Frans vertaald door Theo Buckinx

Uitg. Prometheus, 116 blz., ƒ31,95

De delicatesse is een roman die in Frankrijk en nergens anders ter wereld geschreven had kunnen worden. Het is allang niet meer zo dat alleen Frankrijk toonaangevend is op het gebied van de haute cuisine, maar de gastro nomie, de hartstocht voor geraffineerde gerechten of voor de pure eenvoud van regionale specialiteiten, maakt dat Fransen driehonderd kilometer omrijden voor een klein maar fameus restaurant en urenlang kunnen mijmeren over de herinnering aan een geslaagd souper. Van dat soort dingen hebben Nederlanders geen kaas gegeten. Vooral het schrijven over eten is een kunst die alleen Franse culinaire critici waarlijk beheersen. Daarvoor heb je niet alleen een perfecte smaak nodig, maar ook het vermogen om in je verbeelding die smaak te herscheppen en met literaire middelen te beschrijven, zoals sommige mensen dat met geuren kunnen, iets waar Süsskinds Het parfum een virtuoze illustratie van is. Smaken kunnen tevens, zoals Proust dat als eerste zo indringend beschreef, herinneringen opwekken en gebeurtenissen uit lang vervlogen tijden in al hun intensiteit reconstrueren. In Frankrijk worden de grote culinaire critici dan ook als een apart en superieur soort beschouwd, koningen, goden bijna, die reputaties kunnen maken en breken. Zij worden gevierd, bewonderd en gevreesd, en verkeren in de hoogste kringen. Zo'n god is de held uit Muriel Barbery’s eerste roman.

Eens heer en meester van de beste tafels van Frankrijk, geroemd en gehaat als meedogenloze scherprechter van de rijkste feestmalen, ligt hij nu in de slaapkamer van zijn appartement aan de rue de Grenelle te sterven. Hij overziet zijn leven en zijn kennismaking met de gerechten en de mensen die hem tot de grootste culinaire criticus ter wereld hebben gemaakt. Dankzij de smaken en geuren die hij tot de meest inspirerende rekende, reist hij een laatste keer naar de plekken waar hij ze voor het eerst leerde kennen. Vooral probeert hij zich een bepaalde smaak te herinneren; hij verwacht dat de herkenning ervan de eerste en laatste waarheid van zijn leven zal zijn. De herinnering aan de smaak van mintthee, gegrild vlees en honingkoekjes laat Tanger herleven, de naar de zee geurende gegrilde sardines van zijn grootmoeder voeren hem terug naar de vakanties van zijn kindertijd in Bretagne, maar de net geplukte tomaat die onder de honderdjarige lindeboom van tante Marthe werd genuttigd noch de sinaasappelsorbet van zijn favoriete restaurant Marquet kunnen, ondanks zijn fenomenale vermogen om de smaak in zijn hoofd te herscheppen, die eeuwige waarheid openbaren.

Terwijl deze grootmeester van het culinaire genot bezig is met het enige wat hem ooit werkelijk heeft geïnteresseerd, leren we hem kennen via de monologues intérieurs van zijn naaste familieleden, de huishoudster, collega’s en minnaressen, maar ook zijn kat en zelfs het Venusbeeldje dat hij zo graag aanraakte. Een weinig sympathieke figuur, die zijn liefhebbende vrouw telkens weer bedroog, zijn kinderen voor idioten uitmaakte, zijn vijanden verpletterde en egocentrisch zijn eigen genot najoeg. Het enige wat hem bijzonder maakte, was tevens de oorzaak van zijn mislukking als mens: zijn maniakale zoektocht naar perfecte smaken was zo overheersend dat hij een contactgestoorde, asociale egoïst werd die bijna autistisch door het leven ging en na zijn dood door niemand gemist zal worden.

De delicatesse is een ingenieus geschreven roman waarin de meerstemmige opbouw ons de wereld binnenvoert van personages die tegelijk vervuld zijn van haat, afgunst en fascinatie voor deze ongeliefde maar indringende figuur. Het is vooral een heel erg lekker boekje voor wie zich kan overgeven aan het genot van lekker eten en in staat is om in zijn verbeelding mee te proeven van de beschreven smaken en gerechten. Muriel Barbery heeft een zeldzaam elegante en beeldende pen waar het om eten gaat. Zij heeft zich volledig in haar personage ingeleefd en kan op bijna fenomenologische wijze een gerecht ontleden: «Luchtig, ja, een sorbet is luchtig, bijna onstoffelijk, hij schuimt lichtelijk in het contact met onze warmte, hij vervluchtigt, eenmaal overwonnen, bedwongen, vloeibaar gemaakt, in de keel en laat op de tong slechts de aangename herinnering aan de vrucht en het water achter dat eroverheen is gestroomd.» Smaken zijn bij haar veel meer dan zuiver zintuiglijke sensaties: zij worden verheven tot bijna filosofische essenties, incarnaties van schoonheid en esthetisch genoegen, zij krijgen menselijke eigenschappen en zijn in staat om natuur en cultuur, leven en kunst in zich te verenigen.

En hoe eindigt het met de culinaire grootmeester? De herinnering aan die lang gezochte smaak keert terug, en daarmee wordt inderdaad de verrassende levensles duidelijk waarmee alles weer wordt omgekeerd. Voor de lezer valt nog maar één ding te doen: opnieuw beginnen en zich weer mee laten voeren langs deze gastronomische maar calorieloze tocht die mooi, kundig en zeer geraffineerd vertaald werd door Theo Buckinx. Lezen over eten kan soms nog bevredigender zijn dan het eten zelf.