David van Reybrouck

Grootmoeders met kraamboeketten

David van Reybrouck
Slagschaduw
Meulenhoff/Manteau, 199 blz., € 18,95

In de roman Slagschaduw gaat het om rouwen. De held Rik, een freelance journalist uit Brussel, rouwt om een verloren geliefde en om een gestorven collega. Hij onderneemt ondertussen een zoektocht naar achtergrond en ontstaan van een bekend standbeeld op het Sint Jansplein in Brussel: dat van de verzetsstrijdster Gabrielle Petit uit de Eerste Wereldoorlog. Zij spioneerde voor het Engelse leger en werd op 1 april 1916 door de Duitsers ter dood gebracht. Het beeld werd in 1923 onthuld en is gemaakt door de beeldhouwer Egide Rombaux. Riks onderzoek spitst zich toe op de vraag wie ooit model voor dit beeld stond. Waarom deed ze dat en wat is er van haar geworden? Hij hoopt hier een artikel over te schrijven voor een Belgisch weekblad en tegelijkertijd met zichzelf in het reine te komen.

Het dwingende verband in deze roman tussen de zoektocht naar een kunstenaarsmodel en het rouwen van de held ontging me. Natuurlijk, Claire, de verloren geliefde van de held, stond voor hem model bij een cursus beeldhouwen, zo heeft hij haar leren kennen. En dat levert wel bespiegelingen op over beeldhouwen, maar een dwingend verband met de verhaallijn ontbreekt. Bovendien zijn die bespiegelingen af en toe nogal pompeus: ‘Elke les kon ik de wereld vergeten, elke keer als ik bij het begin het plastic van mijn werkje haalde om verder te werken waar ik de vorige keer gestopt was, dook ik onder in die brede stroom: dan was er alleen maar klei en het zinnelijke genot om het denken aan mijn handen over te laten.’ De kunstenaar weer eens geschetst als bevlogen genie, soms zou ik daar graag van af willen. Ik had meer willen weten over Gabrielle Petit, een echte heldin uit de Belgische historie, en zeker ook over Egide Rombaux, wiens beelden je op allerlei plaatsen in Brussel nog terug kunt vinden en die een paar jaar hetzelfde model gebruikte. Hier had veel meer in gezeten; nu is dit alleen decor.

Van Reybrouck laat zijn held stevig somberen over de dood van een vriend en vooral over het verlies van Claire die hem heeft verlaten, waarbij naast woede en verdriet toch vooral zelfmedelijden een belangrijke rol speelt. ‘Ik zie mijn contouren in de spiegel. Een man die met zijn jas nog aan een zwembroek uitspoelt, niet wetend of dat nog zin heeft. Ik zie hem denken: veel van wat ik uithaal, heeft wellicht nog minder zin.’ Hiermee is de toon van dit boek wel gezet. ‘Vrijdag had ik aldoor aan Claire moeten denken. Het werd vroeg donker, de hele dag was onguur geweest. Er hing regen in de lucht.’ Met deze zwaar aangezette weersymboliek die het hele boek in zijn greep heeft, krijg je de lezer natuurlijk bijna als vanzelf aan het zelfkwellen en het treuren, maar dat doe ik toch al, ook zonder dit boek, het werd me wel eens te veel. ‘In een hoek van het bassin lagen dode bladeren bijeengewaaid.’ Nou, zo kan-ie wel weer.

Wat is nu precies het bijzondere aan de liefdesgeschiedenis met Claire? Zoiets wil ik weten van een boek als dit, laat me maar eens zien wat je ervan bakt. Ja, natuurlijk, Claire is mooi, ze is leuk, ze is bijzonder, ze neukt fijn, ze is danseres en ze staat model (altijd die kunstenaars!). Allemaal ingrediënten die al honderden jaren bekend zijn uit de traditie van het liefdesboek die Van Reybrouck blijkbaar goed kent. ‘“Jij leeft echt te veel in het verleden, Rik.” Ze zei het eerder bezorgd dan verwijtend. Ze keek heel lief.’ Met zulke teksten krijg je mij niet meer meteen op de banken. De schrijver komt vaak niet voorbij het soort zinnen dat je liever niet al te vaak zou willen lezen, omdat je als lezer toch altijd hoopt dat er nog andere formuleringen mogelijk zijn. Wanneer hij Claire heeft ‘veroverd’ (weer zo’n woord) bepeinst Rik: ‘Eindelijk mocht ik aanspoelen, stranden op haar kust en ontwaken naast haar lijf. Ik was maandenlang schipbreukeling geweest; nu kwam er eindelijk land in zicht.’ Let ook weer op het zelfmedelijdende taalregister: stranden, aanspoelen, schipbreukeling. Claire ontpopt zich later, in de ogen van de held, als een kleinburgerlijke trut die graag wil trouwen en gelukkig wil worden met kinderen, een toekomst, et cetera. Ja, die vrouwen toch, als ze maar huisvrouw kunnen worden, leer mij ze kennen! Uiteraard kan de held, die zijn mannelijke autonomie hoog in het vaandel heeft staan, hier niet mee leven. Hij moet zijn eenzame weg gaan. Van Reybrouck zoekt het werkelijk in dit soort tegenstellingen tussen man en vrouw en laat zijn held tot overmaat van ramp hautain neerkijken op Claire’s familie en op grootouders bij het kraambed: ‘Met hun kolossale kraamboeketten voor zich uitgestrekt baanden de kersverse grootmoeders zich een weg door de gangen van het complex.’ Nee, dan Rik, politiek correct, autonoom, hartstochtelijk en zwaar antiburgerlijk.

Ik merk dat ik dit boek zwaarder begin af te vallen dan nodig is. Het zit goed in elkaar en Van Reybrouck kan goed schrijven, al besef ik dat dit compliment nu ineens iets weg heeft van de dooddoener van de eeuw. Het gaat toch verdomme niet alleen om goed schrijven! Misschien ben ik te veeleisend en is het ook nooit goed. Ik ga er maar weer eens over nadenken.