Groots

In Utrecht is er deze maand een festival rond Jan Jacob Slauerhoff. Ik had aanvankelijk mijn bedenkingen. Een festival rond Slauerhoff, dat is dus een feest maken van melancholie. Vive la mort! Zo’n festival met Portugese hapjes, fadomuziek tot raps bewerkt, en een schuim-en-asch-party in badkleding in de late uurtjes.

Ook dacht ik: Slauerhoff? Wat moeten zíj met míjn Slauerhoff, die duizenden feestvierders? Want zo gaat dat: je ontdekt als vijftien­jarige een dichter die precies verwoordt wat je zelf zo’n beetje vermoedde, je ontdekt iemand die een meeslepende vorm geeft aan je eigen maar half bewuste gisting van gevoelens en ideeën, en zo iemand houd je dan het liefst voor jezelf. Ik las eens een recensent die zo enthousiast was over een boek dat hij het wel bij iedereen door de brievenbus zou willen gooien. Zo zit ik niet in elkaar. Wat ik echt goed vind, daar blijven de anderen maar liever vanaf met hun hebberige tengels.

Het viel allemaal mee. De avond waar ik zelf aan meedeed was een mooie, wat ingetogen avond met intelligente en bevlogen sprekers. Willem Otterspeer vertelde over de invloed van Slauerhoff op W.F. Hermans, Jan Brokken belichtte Slauerhoff vanuit zijn eigen reisverhalen, ik haalde wat middelbareschoolherinneringen op en biechtte een gevoelde geestverwantschap op. Interviewster Aleid Truijens stelde goede vragen. We voldeden, kortom, voorbeeldig aan de codes van de culturele avond voor publiek (vrouwen, 55-plus, hoger opgeleid).

Toen was het pauze en was het de beurt aan Kader Abdolah. Als Kader Abdolah het woord neemt, krijg je geen lezing, maar een vorm van performance, met als vast onderdeel de lichtelijk komische kunstgreep om voortdurend over zichzelf in de derde persoon te spreken.

‘Deze drie mannen hebben Slauerhoff niet begrepen. Zij hebben niet gezien wat Kader Abdolah wel heeft gezien. Kader Abdolah komt uit Perzië, het land van de poëzie. Kader Abdolah kreeg van een buurvrouw voor het eerst een gedicht: jonge sla. In Perzië is géén jonge sla… In Perzië is ook geen zee…’ Enfin, na lange omzwervingen kwam Kader Abdolah terug bij zijn verwijt: wij hadden Slauerhoff niet begrepen. Immers: ‘Alléén Kader Abdolah heeft gezien dat Slauerhoff schrijft… over de ángst!’

Tsja. Kom daar inderdaad maar eens op. Daar zaten we dan, drie mannen die er niets van begrepen. Angst. De grote Perzische profeet was neergedaald in onze bedjes met jonge sla, hij had de klei geroken, onze dichtertjes vertaald met een woordenboekje en geconcludeerd dat ze in hun broek scheten van angst.

‘Slauerhoff was niet een gróóts dichter’, luidde een andere levensles, gebracht op een toon alsof het een compliment was. Bij de interviewster ontvouwde hij een volgende theorie. ‘Het mooiste op aarde is… de vrouw! Daarna komt… de kúnstenaar… de dichter…’

‘Die trouwens ook een vrouw kan zijn’, probeerde Aleid Truijens, en eventjes haperde de perfomance – je zag hem denken: een vrouw en kunstenaar inéén, ja… daar had hij nooit aan gedacht, maar inderdaad, theoretisch gezien kon dat natuurlijk niet worden uitgesloten – maar met onverstoorbare geestdrift leidde hij zijn gehoor naar wat hij zelf als definitieve slotconclusie beschouwde, waarna hij het publiek bedankte, nog voor er een nieuwe vraag kon komen. Kader Abdolah bepaalt zelf wanneer een interview voorbij is.

Er kwam nog een paneldiscussie met alle deelnemers. Even overwoog ik het plaagstootje aan te halen van een jonge Turkse schrijver, die in DWDD Abdolahs werk samenvatte als: ‘Een berg, een pratend schaap en een vijgenboom.’ Maar dat vond ik te flauw, en gelukkig kwam Willem Otterspeer met een veel elegantere repliek: ‘Er zit natuurlijk wel iets in, dat je als buitenstaander bepaalde aspecten van een cultuur scherper kunt zien, zoals wij in Nederland de Perzische poëzie ook veel beter begrijpen…’

Dat is pas groots: iemand op z’n nummer zetten zonder dat hij door heeft dat hij op z’n nummer wordt gezet.

En met die vermeende ongrootsheid van Slauerhoff rekende Jan Brokken definitief af in een gloedvol geïmproviseerd slotpleidooi, dat naar een instemmend applaus uit het publiek toewerkte.

En toch, dacht ik op de terugweg, ’s nachts in de auto, is het niet helemaal onzin. Als vreemdeling valt je van alles op wat voor inboorlingen te vanzelfsprekend is om nog te zien. Alleen al het zien van wegwijzers en reclames in vreemde talen op treinstations of langs snelwegen kan je al de opwinding bezorgen dat je iets exotisch tegemoet gaat, dat er een andere wereld wacht, die nieuw is en raadselachtig.

Dat is een van de redenen voor Slauerhoff geweest om voortdurend op reis te gaan. En weer zag ik Kader Abdolah voor me. Slauerhoff had zichzelf ook niet begrepen, had hij betoogd. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, schrijft hij, maar Kader Abdolah heeft gezien dat je in gedichten helemaal niet kunt wonen. Alleen in het weggaan kon hij wonen.’