Groots, tragisch en Pruisisch

Erwin Planck, zoon van de beroemde fysicus Max Planck, wordt vooral herinnerd om zijn verzet tegen Hitler. Uit het dit jaar verschenen Die Plancks blijkt dat hij daarvoor wel een flinke mentale draai moest maken.

Astrid von Pufendorf
Die Plancks: Eine Familie zwischen
Patriotismus und Widerstand
Propyläen Verlag, 500 blz., € 22,-

Sybe Izaak Ripsens
Einstein in Nederland:
Een intellectuele biografie
Ambo, 245 blz., € 18,95

‘De gedachte jou weer dienst te zien doen binnen de vaderlandse grenzen en in onze buurt, doet me erg veel vreugd. Pruisen kent bovendien toch een oude roemvolle militaire traditie, en wat die inhoudt heeft ons juist de huidige tijd weer op indringende wijze geleerd. Want het is die traditie die het leger sterk houdt en de motivatie onverstoorbaar.’

Je vraagt je af op wie Max Planck, een van Duitslands grootste wetenschappers van zijn generatie, trotser is: op zijn zoon of op zijn vaderland. Het is 1917. Erwin Planck heeft voordat hij terugkeert naar Berlijn de loopgraven van dichtbij gezien en twee jaar in Franse gevangenschap doorgebracht. Zijn broer Karl sneuvelde in 1916 bij Verdun. Tot aan het eind van de Eerste Wereldoorlog blijft vader Planck niettemin met hartstocht spreken over de Duitse onverzettelijkheid.

De brief getuigt ook van de genegenheid die Erwin Planck van zijn vader ontving. Bij alle familiaire tegenslagen die ze samen te verduren kregen – kort na Karl stierven ook Erwins beide zussen binnen twee jaar – werd de band met de loop der jaren alleen maar inniger. Zoveel blijkt uit de correspondentie tussen vader en zoon, waaruit in Die Plancks overdadig wordt geciteerd.

Von Pufendorfs boek baseert zich in hoofdzaak op het tot dusver onbekende persoonlijke archief van Erwin Planck. Het gunt de lezer daardoor veel van dergelijke inkijken in het leven van de familie Planck en vormt een welkome aanvulling op de relatief geringe biografische kennis van Erwins beroemde vader. Maar het eigenlijke thema van het boek is de politieke carrière van Erwin zelf. Aan de hand daarvan schetst de auteur een belangwekkend en gedetailleerd beeld van de Republiek van Weimar en haar teloorgang. Erwin Planck speelde namelijk een actieve rol in de wijze waarop de republiek langzaam afgleed in de richting van Hitlers extreem-rechtse dictatuur.

Dat deed hij, zo betoogt Von Pufendorf, vanuit dezelfde vaderlandsliefde die zijn vader zijn hele leven zo hardnekkig bleef koesteren. Hij ging de politiek in met het verlangen van Duitsland weer een trotse, zelfstandige en rechtgeaarde natie te maken. Met hulp van generaal Kurt von Schleicher, zijn vroegere baas op de generale staf in Berlijn, klom hij op in de politieke gelederen. Von Schleicher bezorgde hem een invloedrijke positie in de rijkskanselarij, waar Erwin zijn belangen moest verdedigen. Von Schleicher was de hoogste ambtenaar op het Reichswehrministerium, dus die belangen dienden vooral het leger.

De generaal meende dat de positie van de Reichswehr het best gewaarborgd was in handen van de rijkspresident. Hij gruwde ervan het leger onder controle te stellen van het parlement, lees: van sociaal-democraten en communisten. De angst voor het linkse gevaar verbond alle rechtse partijen en rijkspresident Hindenburg met hen. Zodoende wist Von Schleicher na het opstappen van de sociaal-democratische kanselier Müller de rijkspresident er begin 1930 van te overtuigen zijn zegen te geven aan een rechtse minderheidscoalitie, die hij en Planck al weken in het geheim hadden voorbereid. De brieven die Planck aan zijn vrouw stuurde, tonen de intensiteit en het enthousiasme waarmee hij zich daarvoor inzette.

Die inspanningen leidden ertoe dat de rol van het parlement in de Republiek feitelijk uitgespeeld raakte. Waarom verkiezingsuitslagen volgen als je via de president regeringsleider kunt worden? Ook Adolf Hitler wist een paar jaar later de weg naar Hindenburg te vinden. En hij had, toen hij met diens zegen op 30 januari 1933 rijkskanselier was geworden, zoals bekend, radicalere methoden om zijn politieke tegenstanders uit te schakelen. Von Schleicher werd eind juni 1934 een van de vele slachtoffers van de Nacht van de Lange Messen. Planck hoorde nadien dat ze hem ‘vergeten waren’.

Na de machtsovername van Hitler had Erwin zijn politieke carrière al beëindigd. Maar pas na de moord op zijn mentor, anderhalf jaar later, gingen zijn ogen open voor het dreigende gevaar van de nationaal-socialisten. Hij ging actief in verzet tegen de nieuwe machthebbers en slaagde er dankzij zijn grote netwerk vooral in mensen – vaak vroegere hoge staatsfunctionarissen – uit de oppositie met elkaar in contact te brengen.

Om die reden werd Planck later, na de mislukte aanslag op Hitler door Von Stauffenberg op 20 juli 1944, opgepakt en terechtgesteld. Zijn inmiddels 87-jarige vader had nog hemel en aarde bewogen om zijn zoon vrij te krijgen. SS-baas Himmler ontving de smeekbede: ‘Ik verzoek u, geachte Herr Reichsführer, zich in mijn positie te verplaatsen en te bedenken wat het voor mij zou betekenen – mede gelet op mijn naam, die in Duitsland en de rest van de wereld bekend is – als ik ook deze zoon door een zeer harde veroordeling zou moeten verliezen.’ Maar ook een wanhopige brief aan Hitler zelf, van wie Planck op zijn tachtigste verjaardag nog een persoonlijke felicitatie had ontvangen, mocht niet baten.

Erwins levenswandel illustreert hoe slecht de naoorlogse morele categorieën passen op de situatie in de jaren dertig. Von Pufendorf is er heilig van overtuigd – soms iets te – dat vaderlandsliefde en andere vrome idealen Plancks onverstoorbare leidraden vormden. Ondertussen leverde hij niettemin een actieve bijdrage aan de ineenstorting van het democratische experiment van Weimar. Zijn conservatieve, Pruisische opvoeding zal debet aan die dubbelzinnigheid zijn geweest.

De verhouding van zijn vader Max Planck met het Duitsland van de jaren dertig was in ieder geval niet minder gecompliceerd. Zijn afkeer van het nationaal-socialisme was groot, maar vaderlandsliefde en nationalisme zaten bij Planck ingebakken. Die verdwenen niet zomaar. Bovendien moest hij als voorzitter van het Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft (nu: Max-Planck-Gesellschaft) de belangen – dat wil zeggen: onafhankelijkheid – van de wetenschap verdedigen en bijgevolg soms pijnlijke compromissen aangaan. Vanuit zijn functies was zijn aanwezigheid bij nationaal-socialistische propagandafestiviteiten verplicht. De kritiek van zijn vriend en collega Einstein was er niet minder om.

In 1933 probeerde Planck Hitler er in een persoonlijk onderhoud van te overtuigen dat het uitwijzen van alle joden de doodsteek voor de Duitse wetenschap zou betekenen. Aan de andere kant bracht hij ook eens de Hitlergroet. Daar opende hij de ceremonie mee ter nagedachtenis van de in 1934 gestorven fysicus Frits Haber. Maar wat had die geste te betekenen? De bewuste herdenkingsceremonie voor de naar Zwitserland gevluchte jood was hem juist expliciet verboden door de nazi’s. Veel van Habers vroegere collega’s bleven weg van de herdenking, maar Planck zei liever te worden opgepakt dan verstek te laten gaan: ‘Haber bleef trouw aan ons, wij blijven trouw aan Haber.’

Max Plancks ambivalente verhouding tot het Hitler-regime doet denken aan het schandaal rond de chemicus Peter Debye, dat de gemoederen in beperkte kring in Nederland nog altijd bezighoudt. De Nederlander Debye – een bekende van Planck – was eind jaren dertig voorzitter van het Deutsche Physikalische Gesellschaft. In die hoedanigheid, zo wist historicus Sybe Izaak Rispens voor zijn begin dit jaar verschenen boek Einstein in Nederland boven water te halen, had hij in 1938 alle joodse medewerkers van het genootschap per brief het ontslag aangezegd. De brief was ondertekend met ‘Heil Hitler!’

Nu valt er op Debyes levenswandel op z’n zachtst gezegd wel wat aan te merken. Het duurde tot 1940 voordat hij zijn invloedrijke positie opgaf om naar de Verenigde Staten uit te wijken, terwijl hij zijn collega’s al sinds 1933 gedwongen of uit protest het land had zien verlaten. Die houding is vaak vertaald als politieke afzijdigheid, maar kan net zo goed verwijtbaar opportunisme worden genoemd. Toch was het niet zijn houding – die tenslotte bekend was – maar de met veel bombarie gepresenteerde brief die voor opschudding zorgde. Het ‘Heil Hitler’ was de voornaamste reden voor de Universiteit Utrecht om geschrokken de naam van het plaatselijke Debye Instituut te schrappen. De Universiteit van Maastricht heeft voor het laatst de Debye-prijs uitgereikt.

Zowel de directeur van het Debye Instituut als de projectleiders van het Berlijnse onderzoeksproject Die Deutsche Physikalische Gesellschaft im Dritten Reich verweerden zich tegen deze overhaaste beslissingen. Op hun website valt onder meer te lezen dat de betekenis van die brief niet overdreven moet worden. Ook een wetenschapper van meer onomstotelijke reputatie als Max von Laue ondertekende eens een brief met het gewraakte ‘Heil Hitler’. Max Planck had dat trouwens óók gedaan, onder een brief aan de minister van Onderwijs, in een laatste poging het verbod op Habers herdenking ongedaan te maken.

Uitgeput stierf Max Planck twee jaar na zijn zoon, in 1947. Ter gelegenheid van zijn vijftigste sterfdag in 1997 gaf de historicus Fritz Stern een treffende typering van de fysicus: ‘In de geschiedenis van Europa verschijnt Max Planck aan ons als een Duits fenomeen: in zijn rechtlijnigheid, zijn resultaten, zijn opofferingen, zijn momenten van politieke onzekerheid.’ Erwin Planck is – zoals hij in Von Pufendorfs fascinerende boek naar voren komt – wat dat aangaat altijd een zoon geweest van zijn vader. Je kunt ervoor kiezen hem af te rekenen op zijn actieve rol in de afbraak van de Weimarer democratie – en zijn vader op de Hitlergroet of de wijze waarop hij een brief ondertekende. Waardevoller is wellicht een omgang met het verleden die Fritz Stern bepleit: ‘Zoals we Max Plancks grootsheid en tragedie vandaag herdenken, zo moet ook zijn zoon Erwin in onze gedachten worden betrokken. Hun levens zijn voor ons zowel erfenis als waarschuwing.’