Grootste, diepste, hoogste

Van Geert Lernout herinnerde ik mij voornamelijk enige postmoderne kletsmeierij ter verdediging van het postmodernisme, zodat ik zijn boek James Joyce, schrijver (Kritak, 1994) vol vooroordeel opensloeg.

Lernoud is Joyces stadhouder in de Lage Landen. Hij leidt het James Joyce Studiecentrum in Antwerpen, geeft lezingen over Joyce, vertaalde Joyces Exiles voor het Kaaitheater, leidde Joyces toneelstuk in, in opdracht van de uitgeverij Acco, en publiceerde onlangs in Bzzlletin een essay over Joyces Finnegans Wake. Kortom, hij is een gelovige, een mensensoort waaraan meestal een steekje los zit.
Niettemin, zijn James Joyce, schrijver is een goed, beheerst geschreven boek dat zich moeiteloos staande houdt naast Richard Ellmanns beroemde Joyce-biografie. Dat is voor een gelovige een hele prestatie.
Het enige probleem van het boek is de eerste zin, die niet tot verder lezen noodt. Deze zin luidt: ‘James Joyce is de belangrijkste schrijver van deze eeuw en misschien wel van de hele literatuurgeschiedenis.’ Zoiets valt vanzelfsprekend in de categorie loze beweringen.
Om te beginnen is deze eeuw nog lang niet om, zodat - ik noem maar een paar willekeurige namen - Oek de Jong en Joost Zwagerman nog alle kansen hebben. Wat maakt Joyces Ulysses belangrijker of onbelangrijker dan Thomas Manns Der Zauberberg of Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften?
Het zijn, toegegeven, onavontuurlijke voorbeelden van boeken die a) dik, b) veelgeprezen en c) merendeels ongelezen zijn, behalve door mij, want anders zou ik mij niet aan deze precaire discussie wagen.
Wie is ’s werelds meest diepzinnige filosoof? Wie is de meest begenadigde componist? Wie is Nederlands grootste schrijver? Het zijn bij gebrek aan objectieve criteria onbeantwoordbare vragen. 'Wie bepaalt dat?’ schreef Harry Mulisch in een kritisch stuk over Gerard van het Reve. 'Dan moet ik hen die dat bepalen toch eerst de beste lezers vinden. Van het Reve is “onze grootste schrijver”, hoor ik van hemzelf en anderen. Wel, dat zegt mij niets, ik ben ook de grootste schrijver, Hermans is ook de grootste schrijver, wij zijn allemaal de grootste schrijver.’
Toch hebben wij, in onze onbeteugelde culturele bevlogenheid, de aandrift onze hartstochten te kwantificeren. De Mattheus is beter dan de Johannes - of niet? Proust is beter dan Flaubert - of andersom. Helaas beschikken wij niet over een genialiteitsdetector met ingebouwde waardeschaal en criteria als dikte van de betreffende roman of lengte van de betreffende compositie. Net als de levensduur die de betreffende kunstenaar beschoren was. Naar deze maatstaf gemeten was Mozart (35) groter dan Verdi (88) en was Jacques Perk (22) genialer dan Nicolaas Beets (89).
Alle bovenstaande, even interessante als onvruchtbare bespiegelingen hebben slechts een doel: het loven en prijzen van Georg Buchner, auteur van het naturalistische drama Woyzeck, het historische drama Dantons Tod, de novelle Lenz, het blijspel Leonce und Lena en het politieke pamflet Der Hessische Landsbote. Drieentwintig jaar oud geworden.
Of hij ’s werelds grootste schrijver is, ik weet het niet. Ik weet alleen dat, ware hij niet op drieentwintigjarige maar op drieendertigjarige leeftijd gestorven, hij alle anderen - van Shakespeare tot Racine, van Kafka tot Joyce - moeiteloos in zijn zak had gestoken.