Samuel Johnson (1709-1784)

Grootvorst der Britse letteren

Hij wordt vaak afgeschilderd als een onverzoenlijke Tory en een geborneerde conservatief, maar Samuel Johnson, de verpersoonlijking van de ‘Age of Reason’, was ook een scherp en opstandig denker.

DE BELANGRIJKSTE boeken van Samuel Johnson en de biografie van James Boswell zijn in het Engels nog altijd in druk. Van het woordenboek is een fraaie en aardige anthologie verschenen: Dr Johnson’s Dictionary: A Singularly Energetick Potpouri of Some 4,000 of the Most Entertaining and Historically Stimulating English Words and Definitions from Abacator to Zootomy Extracted from the World’s Foremost Feat of Lexicography Selected by the Superexcellent Linguist and Verbally Gymnastick David Crystal (2005).
Over Johnson zijn bibliotheken vol geschreven. Goede biografieën zijn W.J. Bate, Samuel Johnson (1977), L. Lipking, Samuel Johnson: The Life of an Author (1998) en Peter Martin, Samuel Johnson: A Biography (2008). Ook heel boeiend is Henry Hitchings, Dr Johnson’s Dictionary: The Extraordinary Story of the Book that Defined the World (2005).
Van de vlot leesbare, sterk op de anekdotes van Boswell en andere tijdgenoten gebaseerde biografie van Christopher Hibbert, Samuel Johnson: A Personal History (1971), verscheen dit jaar een herdruk.
Een informatieve website is
www.samueljohnson.com, waar onder meer vele, op onderwerp gesorteerde, citaten van Johnson zijn te vinden.

IN ZIJN LEZINGENREEKS On Heroes, Hero-Worship and the Heroic in History (1841) liet de ultraconservatieve historicus Thomas Carlyle zien dat we bij helden niet alleen moesten denken aan dappere strijders en grote vorsten, maar dat ook voor profeten, stichters van godsdiensten, priesters en dichters een heldenrol weggelegd kon zijn. Zodoende behandelde hij naast Napoleon en Cromwell ook Mohammed, Luther, Dante en Shakespeare. Carlyle besteedde tevens aandacht aan een heel nieuw type held, dat op dat moment slechts ongeveer een eeuw bestond en dat voor een deel de heroïsche rol van profeten en priesters had overgenomen: de man of letters. Niet elke literator was een held, maar de ware schrijver kon die rol wel degelijk vervullen. Hij was namelijk een man met een missie, een ziener die de tekenen des tijds verstond en de lezers de weg wees.
Dit nieuw type literator, deze onafhankelijke intellectueel kon alleen ontstaan omdat de wereld van het woord vanaf de zeventiende eeuw drastisch van karakter veranderde. Het lezerspubliek werd groter en in verschillende landen werd de preventieve censuur afgeschaft, waardoor drukkers en boekhandelaren zich veel meer konden richten op de wensen van de snel groeiende markt. Een auteur die een werk gedrukt wilde hebben hoefde niet langer op zoek naar een machtige patroon, die hem politieke of morele rugdekking kon geven. Lange tijd bleef het nog wel gewoonte om een invloedrijke beschermheer te zoeken, maar geleidelijk veranderde er iets in de afhankelijkheidsrelaties van schrijvers. Zij die van hun pen wilden leven waren nu in toenemende mate overgeleverd aan de gunsten en luimen van drukkers, boekhandelaren en uitgevers van tijdschriften.
Het Engelse begrip voor dit soort, weinig scrupuleuze, broodschrijverij is ‘Grub Street’, naar de werkelijk bestaande straat in Londen (nu Milton Street geheten), waar veel drukkers, journalisten en andere letterknechten woonden. Dat in Grub Street conformisme, opportunisme en modieuze oppervlakkigheid hoogtij vierden ligt voor de hand, maar toch stonden ook hier helden op die het publiek niet louter boden wat het dacht te willen hebben, maar wat zij dachten dat het publiek nodig had. Volgens Carlyle was Samuel Johnson een van de eerste men of letters die een dergelijke heroïsche taak op zich nam.

SAMUEL JOHNSON, wiens driehonderdste geboortedag op 18 september in Groot-Brittannië grootscheeps zal worden herdacht, stond al tijdens zijn leven bekend als ‘de Grote Khan van de Engelse literatuur’, een titel waarop gevarieerd werd met termen als ‘sultan’, ‘vorst’ of het minder vleiende ‘rinoceros’. Waar velen bij het achttiende-eeuwse Frankrijk in de eerste plaats aan Voltaire denken, zien Britten Johnson als de verpersoonlijking van de Age of Reason. Dit zegt trouwens veel over deze twee landen. De adellijke, in de hoogste kringen verkerende en door dubieuze speculaties rijk geworden Voltaire hoefde niet van zijn pen te leven, terwijl Johson vrijwel zijn leven lang als inktkoelie heeft moeten zwoegen. Bovendien was Voltaire de briljante spotter, die zijn pijlen vooral richtte op wat in zijn ogen het bastion van het obscurantisme was, de kerk, terwijl Johnson vóór alles een diepgelovige moralist was, die de Church of England als een onaantastbaar instituut zag. De kleine, elegante en slanke Voltaire en de grote, lompe, door huidziektes getekende en door allerlei tics geplaagde Johnson hadden ook uiterlijk weinig met elkaar gemeen.
Johnson werd in 1709 geboren in Lichfield, in het graafschap Staffordshire, waar zijn vader een weinig florerende boekhandel dreef. Als kind was hij veelvuldig ziek en zijn levenlang kampte hij met een onafzienbare reeks kwalen. Volgens verschillende hedendaagse medici moet hij bovendien hebben geleden aan het syndroom van La Tourette, waarbij de patiënt allerlei ongecontroleerde bewegingen en geluiden maakt. Ook ging Johnson gebukt onder langdurige depressies, al was hij dikwijls in staat om door keihard werken deze black dogs op afstand te houden.
Zijn studie in Oxford moest Johnson wegens geldgebrek en tegenvallende studieresultaten na een jaar al weer afbreken. (Hoewel de Engelsen hem steevast Dr Johnson noemen, heeft hij zijn academische graad pas later gekregen, als eerbewijs voor zijn literaire verdiensten.) Na een tijd weer bij zijn ouders te hebben gewoond, probeerde hij aan de slag te komen als (privé-) docent en solliciteerde hij vergeefs als schoolhoofd. Op zijn 26ste trouwde hij met de 21 jaar oudere Elizabeth ‘Tetty’ Porter, een weduwe met drie kinderen. Met het geld dat zij inbracht begon het echtpaar een eigen kostschool, wat op een fiasco uitliep.
In 1737 vertrok Johnson, zonder zijn vrouw maar mét een van zijn voormalige leerlingen, de later beroemde acteur David Garrick, naar Londen. Toen hij aan een boekhandelaar in de hoofdstad vertelde dat hij hoopte door middel van literaire arbeid aan de kost te komen, antwoordde deze: ‘Jongeman, je had nog beter de schouderlap van een sjouwerman kunnen aanschaffen.’ Johnson liet zich hierdoor niet uit het veld slaan en zou de daaropvolgende jaren op ‘Grub Street’ zijn kostje bij elkaar scharrelen. Hij verrichte vertaal- en correctiewerk voor de drukker Edward Cave, die onder meer The Gentleman’s Magazine uitgaf, waar ook Johnson bijdragen aan leverde. In 1738 publiceerde hij London: A Poem, dat gemodelleerd was naar de derde satire van Juvenalis. Het gedicht werd geprezen door onder anderen Alexander Pope, die toen op het toppunt van zijn roem stond.
Voor Johnson bleef het echter sappelen. Zijn toneelstuk Irene werd niet opgevoerd en hij moest allerlei vervelende klussen aannemen, zoals het catalogiseren van een immense bibliotheek die een boekhandelaar had opgekocht uit de inboedel van een overleden edelman. Daarnaast vervaardigde hij biografietjes van Engelse zeehelden, publiceerde hij een sterk ingekorte vertaling van een levensbeschrijving van Boerhave en schreef hij fictieve verslagen van de debatten in het Engelse parlement, waar in die tijd geen journalisten bij aanwezig mochten zijn en waarvan de notulen niet gepubliceerd werden. Zijn verzonnen toespraken waren zo levendig en overtuigend dat de anglofiel Voltaire ze voor echt versleet. Een serieuzer werk als de in 1744 verschenen beschrijving van het tumultueuze leven van de dichter Richard Savage, dat geldt als een van de eerste biografieën uit de westerse literatuur waarin aandacht wordt besteed aan de psychologie van de hoofdpersoon, bezorgde hem evenmin de zo verlangde roem. Ook toen zijn vriend Garrick in 1749 eindelijk zijn toneelstuk op de planken bracht, bleef het succes uit.
JOHNSON ZETTE ZICHZELF pas op de literaire kaart toen hij in 1750 begon met de publicatie van The Rambler, een twee maal per week verschijnend moral essay. Hoewel het fenomeen periodiek essay niet nieuw was, had Johnsons Rambler een ander, minder lichtvoetig karakter dan de aan het begin van de eeuw verschenen Tatler van Richard Steele, die later samen met Joseph Addison The Spectator uitgaf (niet te verwarren met het in 1828 opgerichte weekblad dat nog altijd bestaat). Johnson liet zijn licht schijnen over een reeks van onderwerpen, zoals de literaire kritiek, sociale hervormingen, het gevangeniswezen, prostitutie, weeshuizen, slavernij, machtsmisbruik, het verderfelijke stelsel van patronage in kunst en literatuur, tirannie binnen het gezin, vrouwen en het huwelijk, afgunst, luiheid, melancholie en ijdelheid. Zijn stijl was ironisch, soms zelfs satirisch, al bedreef hij zelden de bijtende satire die kenmerkend was voor Voltaire of Jonathan Swift. Hoewel hij uitgesproken moralistisch en diep gelovig was, was hij niet uitsluitend de betweter die zijn tijdgenoten geselde met verwijten. Het waren vooral zijn eigen zwakheden, angsten, en de verleidingen waaraan hij blootstond – kortom, die tekortkomingen die hij had beschreven in zijn in 1749 verschenen gedicht The Vanity of Human Wishes – van waaruit hij zijn gedachten ontwikkelde. Tegen dit alles diende men zich te wapenen met de Rede, een begrip dat Johnson overigens een traditioneel christelijke invulling gaf.
Johnsons moralisme en het feit dat hij zichzelf een Tory noemde, hebben ertoe geleid dat hij vaak nog wordt gezien als een starre conservatief, iemand die het verleden verheerlijkte en fel gekant was tegen alles wat wij associëren met de Verlichting of de moderniteit. Wie The Rambler – waarvan tot maart 1752 niet minder dan 208 nummers verschenen – en Johnsons latere essays en politieke pamfletten leest, komt er al snel achter dat dit beeld dringend dient te worden bijgesteld. Hij was inderdaad een pleitbezorger van de Church of England en van de traditionele, dus hiërarchische maatschappelijke en politieke instituties. Ook zijn opvattingen over vrouwen zouden hedendaagse feministes behoorlijk op de kast jagen. Hij was bijvoorbeeld van mening dat overspel door mannen begrijpelijk doch dat van vrouwen onvergeeflijk was. Ook zag hij voor vrouwen geen rol weggelegd in de kerk, omdat een vrouw die preekte hem deed denken aan een hond die op zijn achterste pootjes liep: ‘It is not done well; but you are surprised to find it done at all.’
Hierin verschilde hij waarschijnlijk niet van de overgrote meerderheid van zijn mannelijke tijdgenoten, terwijl hij tegelijkertijd ook opvattingen verkondigde die in het Engeland van de achttiende eeuw allesbehalve gemeengoed waren. Zo was hij voor goed onderwijs voor vrouwen, viel hij het machtsmisbruik van vorsten en aristocraten aan, was hij voor sociale maatregelen ten behoeve van de armen, had hij reserves ten aanzien van de doodstraf, en was hij een bijzonder fel tegenstander van slavernij. Niet alleen kocht hij een zwarte jongen vrij, die hij aannam als huisbediende en op zijn kosten onderwijs liet volgen, maar hij keerde zich ook tegen de voor onafhankelijkheid strijdende Amerikanen. In zijn pamflet Taxation No Tyranny (1775) hekelde hij de hypocrisie van degenen die in naam van de vrijheid de banden met Engeland wilden verbreken, terwijl zij tegelijkertijd op gruwelijke wijze omsprongen met hun zwarte medemensen. Dit tot grote woede van Benjamin Franklin, die Johnson verweet dat hij de slaven aanmoedigde in opstand te komen tegen hun blanke meesters.

DE RAMBLER MOCHT DAN verschijnen in een oplage van slechts vijfhonderd exemplaren, doordat dit soort blaadjes vaak werden doorgegeven of voorgelezen en er overal in het land roofdrukken verschenen, was Johnson begin jaren vijftig redelijk bekend. Zijn grote doorbraak, en de vestiging van zijn reputatie als de monarch van de Engelse literatuur, kwam echter in 1755 met de publicatie van zijn Dictionary of the English Language, in twee foliodelen van in totaal meer dan 2500 bladzijden, die ruim tien kilo wogen. Negen jaar eerder was Johnson, in opdracht van een consortium van drukkers en boekhandelaren, begonnen aan dit megaproject, waarbij hij geholpen werd door een vijftal assistenten. Van meer dan veertigduizend woorden gaf hij niet alleen de herkomst en betekenis, maar hij illustreerde ze tevens met zo’n 113.000 citaten uit de klassieke en Engelse literatuur.
In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, was Johnsons Dictionary niet het eerste Engelse woordenboek, maar het drukte meer dan de eerdere een blijvend stempel op de Engelse taal. Zijn aanvankelijke ambitie ‘to fix the English language’ moest hij gaandeweg laten varen, maar zijn vaak eigenzinnige definities en vooral de enorme schatkamer aan citaten maakten het boek gedurende ruim een eeuw tot onmisbaar gereedschap voor elke ontwikkelde Engelsman.
Bij verschillende lemma’s bleek dat Johnson niet altijd streefde naar waardenvrije wetenschap, maar soms ook wat rekeningen wilde vereffenen. Zo omschreef hij een ‘Tory’ als ‘een voorstander van de oude constitutie van de staat en de apostolische hiërarchie van de anglicaanse kerk, opposed to a whig’, terwijl hij bij dat laatste woord louter vermeldde: ‘De naam van een factie’. En een ‘patroon’ was volgens hem iemand die aanmoedigt, steunt en beschermt. ‘Gewoonlijk een ellendeling die ondersteunt met onbeschaamdheid en wordt betaald met vleierij’. En over de toen veelvuldig door vorsten verleende jaargelden schreef hij dat het ging om ‘betalingen aan een staatshuurling voor het verraden van zijn land’. Hier was de onafhankelijke man of letters aan het woord, die bovendien ernstig teleurgesteld was in de aanvankelijke beschermheer van het woordenboekproject, Lord Chesterfield. Jarenlang had deze edelman geen poot uitgestoken, maar toen Johnsons boek eindelijk verscheen wilde hij alsnog met de eer gaan strijken. De verontwaardigde maar zelfverzekerde brief die Johnson hem toen schreef, en die al spoedig overal circuleerde, is wel ‘the Magna Carta of the modern author’ genoemd. Toen Johnson enkele jaren later van koning George III een jaargeld kreeg aangeboden, weigerde hij dat overigens niet, al liet hij het betreffende lemma ongewijzigd.
Latere werken, zoals zijn roman Rasselas, de achtdelige Shakespeare-editie, zijn verslag van een reis naar de Hebriden en zijn Lives of the Poets verkochten bijzonder goed, al was hij onvoldoende zakelijk om hier ook financieel echt van te profiteren. In de Engelse letteren was Johnson een machtsfactor geworden. Bovendien oefende hij de nodige invloed uit middels de door hem, de schilder Joshua Reynolds en Edmund Burke gestichte club, waarvan iedereen met literaire ambities lid wilde worden.
Van de talrijke adellijke ‘groupies’, zowel mannen als vrouwen, die op Johnson af kwamen zou de 32 jaar jongere James Boswell de bekendste worden. Zijn in 1791, zeven jaar na de dood van Johnson, verschenen volumineuze biografie heeft sterk het beeld van Johnson voor het nageslacht bepaald. Hoewel het een zeer onderhoudend boek is, met prachtige anekdotes en sfeertekeningen, is het ook een karikatuur. Johnson wordt helemaal afgeschilderd als de grootvorst van de Britse letteren met dictatoriale neigingen en onwankelbare vooroordelen, de onverzoenlijke Tory en geborneerde conservatief, en de onvermoeibare conversationalist die nachtenlang in de kroeg debatteerde over literatuur en politiek en daarbij iedereen met veel aplomb de mond snoerde. Ontelbaar zijn de voorbeelden van Johnsons debatteerkunsten, waarbij hij niet alleen snedig maar ook buitengewoon bot uit de hoek kon komen. Niet zelden gebeurde het dat mensen eenvoudigweg hun mond niet open durfden te doen als Johnson iets beweerde.
Wat opvalt aan Boswells Life of Samuel Johnson is dat hij vrijwel nooit uit diens geschriften citeerde en vrijwel louter putte uit de vele gesprekken die hij met hem had gevoerd en uit getuigenissen van mensen die Johnson hadden meegemaakt vóór 1763, het jaar waarin Boswell hem voor het eerst ontmoette. Vandaar dat wie geïnteresseerd is in de criticus en dichter Samuel Johnson, in de moralist en de melancholicus, in de sociaal bewogen conservatief, in de biograaf en lexicograaf, en in de diepgelovige representant van de Verlichting, beter Johnson zelf kan gaan lezen. Dit zal niet iedereen bevallen, aangezien de radicale criticus William Hazlitt (1778-1830) al opmerkte dat Johnsons stijl leek op ‘het gedreun van nagemaakte donder in een van onze theaters’ en dat hij als schrijver altijd ‘op stelten liep’, aangezien de woorden altijd groter waren dan wat ze moesten uitdrukken.
Wie meer wil weten over de achttiende eeuw en over de Engelse literaire traditie, wie bereid is zich te verdiepen in een wijze van denken en een stijl die ver afstaat van het heden maar waarbij het uiteindelijk gaat om dingen die ons nog altijd bezighouden, is het lezen van Johnson een avontuur dat van harte kan worden aanbevolen. Je kunt er schrammen en builen bij oplopen, en zaken tegenkomen die je helemaal niet aanstaan, maar vervelend en saai is het geen moment.