Grossieren in gemene grappen

Carol Shields, Het Swann-symposium. Vertaald door Edith van Dijk. Poëzie vertaald door Chawwa Wijnberg. Uitgeverij De Geus 1996, 393 blz., 349,90; Carol Shields, Het toeval. Vertaald door Marianne Gossije. Uitgeverij EPO-De Geus 1997, 444 blz., 349,90
EEN TIJDJE geleden was op televisie een BBC-documentaire over Charlotte Brontë te zien, die een mooi inzicht bood in de bizarre vormen die de biografische interesse voor een schrijver kan aannemen. Er was plotseling een foto opgedoken in de nalatenschap van een oude mevrouw die ooit bevriend was met de vriendin/biografe van Charlotte Brontë, Elisabeth Gaskell. De grote vraag was nu: is dit de schrijfster van Jane Eyre of niet? De echte Brontë-liefhebbers, verenigd in de Brontë-society die ieder jaar een pelgrimage naar de ouderlijke pastoriewoning in Haworth organiseert, wisten zeker van niet: deze lelijke vrouw met die verbeten trek om haar mond kòn gewoonweg Charlotte niet zijn.

De feministische biograaf van Charlotte Brontë zag daarentegen haar idee bevestigd dat de enige afbeelding van Charlotte Brontë die tot nog toe was overgeleverd, een getekend portretje, sterk geromantiseerd was. Op de net ontdekte foto was eindelijk het ware gezicht van haar object te zien: ambitieus en gefrustreerd. Haar bevlogen uiteenzetting over de geniale schrijfster die misschien wel liever gewoon man en kinderen gehad had willen hebben, werd afgewisseld met verhalen van de society-leden over hun spirituele ervaringen met Charlotte, en beelden van het idolaat door de pastorie schuifelende publiek.
Het Swann-symposium, de vierde roman van de Canadese schrijfster Carol Shields, die twee jaar geleden veel succes boekte met De stenen dagboeken (Pulitzer Prize 1995), gaat over een soortgelijke bezetenheid van mensen die het alleenrecht op een dode schrijfster opeisen. Mary Swann heet ze, en ze heeft een bundeltje gedichten afgescheiden voordat ze in mootjes werd gehakt door haar echtgenoot. Althans, dat laatste wordt verondersteld, want behalve dat haar lichaamsdelen wel zo'n beetje allemaal zijn teruggevonden en het lijk van haar man even verderop werd aangetroffen, is er weinig zeker bij Mary Swann. Ze leidde een obscuur en teruggetrokken leven op het platteland, bezocht af en toe de plaatselijke bibliotheek en bleek achteraf dus dichtersaspiraties te hebben. Postuum werden haar gedichten gepubliceerd, door de uitgever die Mary de avond voorafgaand aan haar dood had bezocht.
De gedichten zijn van het soort waarmee je alle kanten op kunt. Ze gaan over water, bloed en het steken van radijs, en zijn nogal onbeholpen wat taal, rijm en structuur betreft. ‘Puur’ of 'authentiek’ kun je ze ook noemen. Leven en werk van deze Mary Swann zijn kortom feitelijk zo onbetekenend dat de literatuurwetenschappers en biografen in spe zich in rijen van drie opstellen om er hun betekenis in te blazen.
CAROL SHIELDS schreef een wreed boek over een dankbaar onderwerp. De schrijfster, in het dagelijks leven werkzaam aan de universiteit van Manitoba in Canada, weet waarover ze schrijft. Voorzover niet 'van binnenuit’ moet ze het geploeter, gedroom en gezwets van literatuurvorsers uit haar nabije omgeving kennen. En niet te vergeten: de jaloezie en de wrokkige ijdeltuiterij. Ze heeft dit wereldje gevangen in een soort hyperrealistische vertelstijl die het midden houdt tussen realisme en groteske overdrijving.
Luchtigjes wordt ieder hoofdstuk vanuit een ander perspectief verteld: achtereenvolgens dat van de vrolijk-feministische literatuurwetenschapster, de gedreven biograaf, de opgedroogde bibliothecaresse en de ondanks zijn leeftijd nog immer bronstige uitgever. Ieder heeft zo zijn of haar redenen om zich juist op de bonkige Mary Swann te storten. Uiteindelijk blijken ze echter allemaal een zinloze droom na te jagen. Hoezeer, dat weet aan het slot van de roman alleen de lezer.
De wijze waarop de schrijfster hem deelgenoot maakt van het grote Swann-complot, is superieur. Shields bedrijft satire die doet denken aan de academic novels van de Engelse auteur David Lodge. Waar Lodge het zijn romanpersonages echter gunt tegen beter weten in te blijven dromen van een meeslepender leven, is Shields zonder genade. Nooit werden de inspanningen van een biograaf, het uit losse stukjes informatie 'het levensverhaal van de mens’ componeren, zo geridiculiseerd als in dit boek. Nooit werden en passant zo veel pijnlijke waarheden verkondigd over het schrijven van romans versus het schrijven van biografieën, het karakter van schrijvers versus dat van gewone mensen en de groeiende haat van de biograaf jegens zijn object. En nooit, behalve dan in het gedicht 'Leeszaal’ van Annie M.G. Schmidt, kwam een bibliothecaresse smartelijker tot leven.
TOCH IS EEN van de eerste romans van Shields, onlangs in vertaling uitgekomen onder de titel Het toeval, pas ècht leuk. Het Swann-symposium is een klucht, getoonzet op een manier die voortdurend aanleunt tegen een tóóntje. Klaarblijkelijk gericht op het ontlokken van een schaterlach, maar in de praktijk een lichte depressie veroorzakend.
Voor Het toeval geldt precies het tegenovergestelde. 'Ik wilde over een gelukkig huwelijk schrijven’, vertelde de schrijfster, ter gelegenheid van de vertaling op bezoek in Nederland. Het resultaat van deze potentieel slaapverwekkende onderneming is verbazingwekkend. Dat is niet eens zozeer het gevolg van de speciale constructie van twee boeken in één ('Het verhaal van de man’ en 'Het verhaal van de vrouw’ schreef Shields oorspronkelijk als twee aparte boeken), maar eerder van de scherpte waarmee Shields 'deze behoedzame dagelijkse rondgang, deze eentonigheid’ heeft weten te verbeelden.
Voor het eerst in haar huwelijk laat Brenda Bowman haar echtgenoot Jack en kinderen Rob en Laurie een paar dagen alleen. Vanuit Chicago vliegt ze met haar handgemaakte quilts helemaal naar Philadelphia om een bijeenkomst van naaldkunstenaars bij te wonen. Deze variant op de beproefde Bridges of Madison County-formule (huisvrouw komt in verleiding en dreigt huis en haard te verlaten) weet Shields op geheel eigen wijze leven in te blazen.
Thuisblijver Jack, al jaren bezig het definitieve boek over Indiaanse handelsrituelen te schrijven, ziet zich in de korte periode dat Brenda van huis is, geconfronteerd met desastreuze ontwikkelingen in zijn werk en zijn vriendenkring. Eigenlijk zijn zowel Brenda als Jack (beiden net veertig) op een punt in hun leven aangekomen dat ze verwonderd om zich heen kijken en denken: 'Is dit alles?’ - zonder dat ze daar nu direct conclusies aan verbinden. Want tja, 'echte mensen, zelfs de sterksten onder hen, waren helaas behept met zwakten en tegenstrijdigheden’.
Voor zwakheden heeft Shields een ongelooflijk scherp oog, evenals voor alles wat naar pijnlijkheden zweemt. Net als in Het Swann-symposium grossiert ze in Het toeval in gemene grappen. Daar staan de onvergetelijke intieme scènes uit een huwelijk tegenover, opzienbarend in hun alledaagsheid. Het resultaat is een aanstekelijke verbeelding van het eeuwige drama van de eindigheid van liefde en de huwelijkse trouw.