De biografen van Vincent van Gogh

‘Grote god. Vincent zeurt om een hoedje’

Voor hun biografie van Vincent van Gogh gingen Steven Naifeh en Gregory White Smith dingen zien die de schilder gezien had en liepen zij waar de schilder had gelopen. ‘Je weet dat je ooit bij die zonnebloemen uit zult komen.’

STEVEN NAIFEH en Gregory White Smith hielden zich tien jaar lang bezig met niets anders dan Vincent van Gogh. Ze zagen al zijn werk, lazen alle brieven van hem, aan hem, over hem; ze lazen alles wat Van Gogh zelf gelezen had, ze lazen alle kunsthistorische, medische en forensische literatuur en reisden zijn hele leven na. Zij spreken geen Nederlands, en lezen het ook niet, en daarom huurden zij een dozijn vertalers in, die alle primaire en secundaire bronnen beschikbaar maakten. Hetzelfde deden ze om de meer archaïsche Franse en Duitse literatuur te kunnen begrijpen. Ten slotte lieten ze ook nog eigen software schrijven om de gegevens te kunnen ordenen. Dat mondde uit in een boek van duizend pagina’s en een online bestand van 28.000 noten.
En toch verontschuldigen zij zich voor het gesprek dat zij nog altijd ‘Vèn Go’ zeggen en niet 'Váhn Goggh’, zoals het zou moeten.
Ik sprak de heren, twee vroege zestigers, in het Amstel Hotel te Amsterdam. Zoals alle biografen die afscheid moeten nemen van hun onderwerp, omdat het boek nu eenmaal af is, blijken Smith en Naifeh zowel genereus en enthousiast als bezitterig en trots. Het is hun kind, het moet goed terechtkomen.
Dat is meer dan professionele ijdelheid. Gregory White Smith heeft kanker. Hij onderging een aantal zware operaties, met flinke gevolgen voor de rechterkant van zijn gezicht. In het gesprek is hij bescheiden, zorgvuldig, kiest zijn momenten. Hij is de schrijver, Naifeh de researcher, de veel-lezer. Naifeh is het soort spreker die zoveel te melden heeft dat hij midden in een zin alvast aan de volgende begint.
De heren leerden elkaar kennen op de universiteit, waar zij rechten studeerden. Samen begonnen zij te schrijven; hun grootste wapenfeit vóór Van Gogh was de biografie van Jackson Pollock, waarvoor hun de Pulitzer Prize werd toegekend. De Van Gogh-biografie is zeker in de Verenigde Staten zeer goed ontvangen. Het programma 60 Minutes wijdde er een hele uitzending aan. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat meer dan de helft van die zestig minuten ging over de hypothese dat Van Gogh door een opgeschoten dorpsjongen zou zijn neergeschoten en niet stierf door eigen hand.
Er zijn veel boeken over Van Gogh, maar er zijn maar heel weinig biografieën die zijn hele leven proberen te vatten. Irving Stone’s Lust for Life (1934) is oud, maar nog heel invloedrijk. Stone nam allerlei loopjes met de feiten en schilderde niettemin een raak portret van Van Goghs problematische persoonlijkheid, dat later mooi werd vertaald naar de film met Kirk Douglas. De laatste grote Nederlandse biografie is van de Leidse hoogleraar Jan Hulsker, uit 1980. The Wall Street Journal noemde die laatst treffend 'authoritative but almost punitively boring’.

DACHT U na Pollock meteen aan Van Gogh?
Gregory White Smith: 'Nee, niet direct. We maakten een voorzichtige wish list en Van Gogh bleek bij ons beiden bovenaan te staan. Hij voldeed aan alle criteria.’
Welke criteria?
Steven Naifeh: 'Heel goede kunst. Een interessant leven - er zijn kunstenaars die grote kunst hebben gemaakt maar heel saaie levens leidden. Je wil iemand waar een boel bronnenmateriaal van is, en je wil iemand waar niet “het boek” al over geschreven is. Je wil niet iets schrijven waarin bekende feiten nog maar eens door elkaar worden gehusseld.’
G: 'Er is altijd plek voor boeken die een ander perspectief willen bieden op bekende verhalen. Maar dat is niet wat wij wilden. Wij wilden iets doen wat alomvattend was, compleet en, vooruit: definitief.’
S: 'Maar de belangrijkste reden waarom Vincent uiteindelijk onze eerste keus was is dat het mogelijk is door die brieven - als je ze tenminste goed ontleedt en niet behandelt als een feitenrelaas over zijn leven - zijn verbeelding te reconstrueren. Bij Pollock kon dat alleen maar van buitenaf. Die had geen brieven nagelaten en ook nooit veel gepraat. Maar bij Vincent is het mogelijk, in een mate die uiterst zeldzaam is, te begrijpen wat er in dat hoofd omgaat als hij na dat leven vol mislukkingen begint met het produceren van het ene meesterwerk na het andere.’
Hoe werd u door de Van Gogh-wereld ontvangen?
G: 'Minzaam. Sceptisch, maar vriendelijk. Wij waren naïef, de outsiders. Zij zeiden: laten ze het maar proberen, ze hebben geen idee waar ze aan beginnen, dat gaat jaren en jaren duren.’
S: 'Toen we aan Pollock werkten deden mensen heel onvriendelijk. Er is een heel kleine groep wetenschappers, de hoeveelheid literatuur over zijn leven is beperkt en de meeste mensen die over hem geschreven hebben hadden hem persoonlijk gekend. Die waren buitengewoon ontoeschietelijk. Maar bij Van Gogh kan ik me niet één persoon herinneren die onaardig deed. We verwachtten het wel. We spraken geen Nederlands, we hadden nog nooit iets over Van Gogh geschreven, er is een grote gemeenschap van indrukwekkende Van Gogh-wetenschappers, dus…’
Zoals het Van Gogh Museum?
S: 'We gingen daar heel onzeker naar binnen, denkend dat we sceptisch zouden worden ontvangen. De eerste maanden stonden we elke dag twaalf uur lang aan het fotokopieerapparaat. Daar hadden we niet iemand voor gehuurd, dat deden we zelf. Dossier na dossier. Op een gegeven moment groeide denk ik het idee dat wij niet waren gekomen om even snel een boek over Van Gogh te schrijven en snel geld te verdienen. Wij werden niet geleid door het “belang” van alles wat we lazen, maar we wilden gewoon alles zien. We wisten niet waar een belangrijk feit verscholen zat. We wilden graag alle brieven van de familie inzien. Die zijn nog niet publiek gemaakt, al zijn ze wel min of meer toegankelijk voor onderzoek. Die hebben ze ons gewoon gegeven, met de index.’

RICHARD HOLMES, biograaf van Coleridge, liep alle lange wandelingen van Coleridge na. Heeft u zich ook zo 'ondergedompeld’ in Van Goghs leven?
Steven Naifeh: 'We zijn overal geweest waar hij is geweest. Het is cruciaal dat je die plaatsen ziet. Maar als ik andere biografen hoor praten over de noodzaak van “onderdompeling” in het leven van hun subject, dan klinkt dat vooral als iets wat je zegt om interessant te doen voor journalisten. Klinkt goed. Want zelfs als je een hele dag in Zundert doorbrengt, kun je maar een beperkt aantal dingen doen en dan weet je nog niks over hoe dat daar 150 jaar geleden was. Zweelo is compleet veranderd, Nuenen is een elegant winkeldorp, Eindhoven is totaal weggevaagd.’
En die lange wandelingen? In Amsterdam, van de ene kerk naar de andere?
Gregory White Smith: 'Die routes hebben we gelopen. Vincent beschrijft hoe hij “van stenen drempel naar stenen drempel” gaat. Dus dat hebben we gedaan. Ik wilde per se naar een dienst, een echte kerkdienst, in een kerk met grafstenen op de vloer.’
S: 'We bezochten het appartement van Theo in Parijs, en dat bleek later het verkeerde te zijn - hij woonde eigenlijk een verdieping hoger. En toch, daarbinnen snap je hoe klein het was, hoe dicht ze op elkaar zaten.’
G: 'Die kamers… in Vincents brieven komen een heleboel kamers voor. In die kamers hebben we veel tijd doorgebracht, én in zijn hoofd. We zagen dingen die hij zag door zijn ogen. We hebben immers die rijke bron, zijn eigen indrukken van die plekken. Zo zien wat hij daar zag, dat was beter dan wandelen waar hij had gewandeld. Wat hij bijvoorbeeld dacht van het IJ bij de Marinewerf in Amsterdam is veel belangrijker dan hoe het er vandaag de dag uitziet.’
Hoe heeft u de brieven van Van Gogh gebruikt?
S: 'Greg heeft anderhalf jaar lang, zeven dagen per week, tien uur per dag, de brieven gelezen. De hele dag, elke dag. Als een talmoedisch geleerde met de bijbel. We hadden ze allemaal uitgeprint en de notities op de pagina’s waren bij elkaar langer dan de brieven zelf.’
G: 'Ik realiseerde me iets Edgar Allan Poe-achtigs: the truth was hidden in plain sight. Hoe vaak die brieven ook zijn gelezen en ontleed en uitgeplozen, er zijn heel veel dingen die direct onder de oppervlakte liggen, bewust of onbewust door Vincent verborgen, juist omdát ze aan Theo gericht waren. De relatie met zijn broer was zeer, zeer ingewikkeld. Vincent was de oudste, Theo was het jongere broertje, Vincent was mislukt als kunsthandelaar, Theo was juist een succes, Theo keek als jongen erg tegen Vincent op, Vincent wist dat, enzovoort. Later in hun leven, toen Theo hem onderhield, verwees Vincent steeds naar de positie waarin ze zich bevonden, de één gestegen, de ander gevallen. Dus in plaats van wat veel biografen doen, naar de brieven te kijken als een dagboek, een registratie van zijn gedachten, dacht ik: we moeten ernaar kijken als de uiterst gecompliceerde interactie met zijn broer. Een van de dingen die me in andere biografieën van Van Gogh geweldig ergerden was dat cherry picken uit die brieven. Je neemt een regeltje uit 1872 en een ander regeltje uit 1890, en die plak je aan elkaar, en dat bewijst dan kennelijk iets. Als je die details in context ziet, dan betekenen ze vaak iets compleet anders. Elke brief is een weefsel, van wat er in zijn emotionele leven aan de hand was, van zijn artistieke leven, de herinneringen aan specifieke beelden, de herinneringen aan literatuur. Ons werk was om die draden op te pakken en ze van brief naar brief te volgen. Als je dat doet, dan zie je patronen, je ziet bogen van manipulatie, van woede, van droefheid over zijn mislukkingen, en bovenal: zijn voortdurende inspanning om zijn broer zo ver te krijgen dat hij meer geld stuurt. En hij had allerlei maniertjes om dat te doen. Er was het familieverleden, waar hij altijd naar verwijst, positief: “Toen hadden we het samen zo heerlijk op de heide, dat moeten we nog eens doen”, maar ook negatief: “God, ik ben daar in de Borinage door een hel gegaan, laten we hopen dat dat niet nog een keer gebeurt…” Het was tegelijkertijd dwingend, en bemoedigend, en nostalgisch.’
En sommige lezers gaan ervan uit dat het ook allemaal wáár was.
G: 'En dat is niet zo.’
S: 'Hulsker doet dat. Die citeert Vincent ad nauseam, alsof hij de wereld een nauwgezet verslag van zijn leven aanbiedt. In werkelijkheid was het in hoofdzaak manipulatie. Een combinatie van een eenzame man die zijn hart uitstort omdat niemand om hem geeft, én contact onderhoudt met zijn enige bron van emotionele en financiële steun.’

IN VEEL opzichten is Vincent een volstrekt onuitstaanbare man. Hoe heeft u het met hem uitgehouden?
Steven Naifeh: 'Het is als een familielid. Leuk of niet leuk, het is altijd gecompliceerder dan dat. Maar er waren perioden in het lezen van de brieven dat Greg doodziek werd van zijn gedrag ten opzichte van Theo.’
Gregory White Smith: 'Je denkt: grote god, die Theo worstelt elke dag, werkt lange dagen, zorgt voor zijn moeder, zijn zuster, zijn vrouw, zijn kind en zendt Vincent geld, en Vincent zeurt maar om meer, en meer, ook om een hoedje te kopen voor een model, of zo.’
S: 'Dan werd Greg gewoon kwaad. Maar uiteindelijk is het moeilijk om geen sympathie te voelen voor iemand die zó eenzaam is. Iemand die in pure illusie gelooft dat hij een familieleven aan het opbouwen is met de laagste van de laagste straatmadelieven van Den Haag. Die haar zuster en haar moeder en haar kind, van een of andere hoerenloper, in zijn huis opneemt en met ze naar het hospitaal gaat, een godvergeten oord voor de allerarmsten, en zichzelf voorstelt dat dat allemaal een glorieuze ervaring is. En dan kom je er achter dat hij haar betáált, niet alleen voor de onkosten, hij betaalt haar een bedrag elke dag, alsof hij gewoon haar klant is. Hoe kun je dan niet enorme empathie voor die man voelen?’
G: 'Een van de dingen die ons op de been hielden was dat de vorm van dat leven zodanig is dat aan het eind van een zeer lang droef verhaal de pay-off komt. Iedereen die eraan begint ként het verhaal en ként de beroemde schilderijen. Je weet dat je ooit bij die zonnebloemen uit zult komen, dat aan het eind van die weg van misère en mislukking die stralende productiviteit komt, die hem met de hele wereld zal verbinden.’
De publiciteitscampagne wordt gedomineerd door uw veronderstelling dat Van Gogh niet zelfmoord pleegde maar wellicht onopzettelijk door een ander werd neergeschoten. Alle andere punten van discussie zijn ondergebracht in de noten online, maar dit niet. Waarom?
S: 'De manier waarop het Van Gogh Museum de brieven online heeft gepubliceerd gaf ons de moed om al onze noten online te zetten. Wij hadden hetzelfde probleem: eindeloos veel extra informatie die eigenlijk niet te drukken was. De enige reden waarom de discussie over de moord in het boek staat en niet online, is omdat we wisten dat dat veel aandacht zou trekken en omdat de mensen die daar sceptisch over zouden zijn misschien niet naar het internet zouden gaan om de achtergrond te lezen.’
G: 'Omdat het een wetenschappelijk werk is wilden we het boek niet vol zetten met opinies en veronderstellingen. Die zitten in de noten. De hele medische geschiedenis, bijvoorbeeld, over de epilepsie. Of de vraag of Vincent syfilis had.’
S: 'Of, voor de kunsthistoricus, in welke maand precies hij naar het atelier van Cormont in Parijs ging. Er zijn duizenden pagina’s met “opinie”, maar bijna allemaal in de online versie. Niet in het boek.’
Is dit de laatste keer dat er zo'n groot boek geschreven wordt als boek? De online brieven bieden de lezer nu al de mogelijkheid een eigen weg te banen door de bronnen. Twee uur browsen, doorklikken van brief naar brief en van noot naar noot, en je hebt je eigen biografie samengesteld. Zal zo'n benadering de biografie van duizend pagina’s niet overbodig maken?
S: 'Die kant gaat het wel op. Over niet al te lange tijd is de levenservaring van vrijwel iedereen online, dus ik weet niet of over vijftig jaar de mentaliteit nog bestaat dat twee mensen mogen zeggen dat zij de overall experience voor een lezer vormen. De lezer zal zelf aan het stuur willen zitten en zelf zijn ervaring willen creëren.’
G: 'Het zou kunnen zijn dat mensen in toenemende mate een Wikipedia-achtige benadering zullen willen. Maar ik denk dat de ambitie van individuen als Steven en mijzelf om te proberen greep te krijgen op een hele persoon altijd zal blijven bestaan.’
S: 'Want er is nog een andere ambitie in het spel. De eerste motivatie om zo'n boek te schrijven is: de definitieve biografie te maken. De andere is: het schrijven zelf. Acht van de tien lezers zeggen ons dat het boek leest als een grote negentiende-eeuwse roman. Zo is het bedoeld. Als weerslag van een gevoel, een gevoel voor “het gehele leven”.’