Grote goede wolf

Sinds Roodkapje, de zeven geitjes en de drie biggetjes zijn we ons er terdege van bewust dat de wolf een boze is. Daar kunnen de zorgzame wolvin van Romulus en Remus en de gelukkige jeugd van Mowgli in de jungle weinig aan verhelpen. Wie echter Wolvensaga van Käthe Recheis leest, zal zijn wolfsbeeld moeten bijstellen, hoewel er met de wolfachtigheid in dit boek iets merkwaardigs aan de hand is. De ‘lopers met de snelle poten’ draven door wildernissen van verschillende aard. Ze weten hun plaats in de roedel, zetten geurvlaggen uit, stoeien met de welpen, huilen naar de maan en verscheuren hun prooi. Ze leven volgens de regels van de natuur, in het boek de ‘wet van Waka’ geheten en vastgelegd in oude verhalen die van wolf op wolf worden doorgegeven.

Hier schemert de eerste onwolfse glimp, al snel gevolgd door gebeurtenissen met nog menselijker dimensies. De enorme wolf Sjogar Kan - ‘leider van alle leiders’ - onderwerpt roedel na roedel en treedt de wet van Waka met machtswellustige poten. Met mooie beloften en gewelddadige acties terroriseert hij de totale natuur, verstoort het evenwicht en brengt apathie en uiteindelijk de dood. In een Klein Duimpje om op te staan tegen deze reus is ook voorzien. De onooglijke Sjiriki ligt het liefst op een rotspunt te dromen en blijkt over bovennatuurlijke krachten te beschikken. Met een kleine roedel wordt hij verstoten, zwerft over de wereld, past zich aan in een heel andere biotoop en keert uiteindelijk terug om de natuur te verlossen van de wolfstiran. De Oostenrijkse Recheis schreef een in eigen land hogelijk gewaardeerde vertelling met mythische en voor wie wil bijbelse proporties. Sjiriki is een soort Jezusfiguur, wiens reddende komst is voorspeld door een oude beer. Wolven die sterven gaan naar Kaam, waar hen eeuwig geluk wacht, Waka stelt de wet en een zegenwens luidt: 'Waka zal jullie bijstaan’. Toch laat de auteur de dieren ook in hun waarde, door ze zich allemaal volgens hun natuur te laten gedragen en maar op beperkte schaal met elkaar te laten praten. De protagonisten bijvoorbeeld uit Richard Adams’ Waterschapsheuvel of De dieren van het Duitenbos van Colin Dann profileerden zich ooit duidelijker met menselijke eigenschappen. Recheis schreef onmiskenbaar een eerbetoon aan al wat leeft en een waarschuwing voor de mensen om daar met hun 'poten’ af te blijven. Misschien wel eenderde van haar verhaal is bestemd voor precieze beschrijvingen van wat er in de open lucht allemaal ritselt, sluipt en kwinkeleert. Dat houdt op, maar op zeker moment heb je je als lezer aangepast aan de traagheid en eenvormigheid die eigen zijn aan het dierenbestaan. In de klassieke, gedragen vorm onderstreept de schrijfster wat ze te zeggen heeft. En dat gaat uiteindelijk toch als in de oude tijden van de 'saga’ over de strijd tussen Goed en Kwaad. Gehuld in wolfsvel of verenpak - er is ook een sterrol voor een Vlaamse gaai - ontmoet de lezer vriendschap, trouw, opoffering, verdriet, eenzaamheid, verraad en machtswellust. Dat levert denkstof voor wie doende is zijn mening over het leven te vormen en die niet opziet tegen ruim vierhonderd bladzijden natuurschoon en wijze woorden.