Eetlopen

Grote happen, snel thuis

Amy Groskamp-Ten Have schreef in 1939 in haar etiquettebijbel Hoe hoort het eigenlijk niets over eten op straat, dat was immers ronduit onbeschaafd. Tegenwoordig is openluchtsnacken normaal. De hongerige mens is de schaamte voorbij.

ALS JE DOOR de ondergrondse gangen van het Centraal Station van Amsterdam dwaalt, heb je nauwelijks het idee dat het hier vooral draait om vertrek en aankomst van treinen. Eerder waan je je in het walhalla van de snelle hap. Naast Julia’s pasta, een blinkend witte winkel die spaghetti en tagliatelle in doosjes verkoopt, voorzien van een echte metalen vork, zit snackbar Smullers. Snack van de Maand is de frikandel: nu slechts één euro. Iets verderop is New York Pizza gevestigd, waar je de grote punten geserveerd krijgt op papieren bordjes; aan de overkant de Broodzaak, voor belegde broodjes en een uitgebreid assortiment aan maaltijdkoeken, en Skunkies met verse sappen en salades. Je kunt ook nog kiezen voor Hema-rookworsten, hamburgers, friet, döner kebab, croissants of het ‘makkelijk, lekker, gezond’ van Albert Heijn to go. Relatief nieuw in de schappen daar: 'snoepgroente’, minitomaten en -paprika’s in doorzichtige plastic bekers.
En overal hangt er de geur, een onmiskenbare maar ondefinieerbare lucht van vet, gebakken vlees, pindasaus, tomatensaus, brood en dat dan door elkaar geroerd.
Geen wonder dat er in de stationsgangen een samenzwering van eters lijkt plaats te vinden. Een man schuift al lopend een stuk pizza van het kartonnen bordje in z'n mond. Een groepje jongens is aan het stoeien, zakken patat in de hand. Meisjes lurken aan rietjes in hun bekers 'frappuccino’, van de Starbucks. Voor de Albert Heijn to go deelt een groepje pubers een plastic bak met fruitsalade. Een heel gezin staat voor de automatiek van Smullers. Wordt het een kroket, kipstick of gehaktstaaf? Een vrouw in mantelpak neemt op de roltrap naar het perron al een hap van haar pasta van Julia.
Dit is het station, kun je nog denken, reizen maakt hongerig. Maar op het Damrak, de loper de stad in, is het beeld niet anders. Naast de Febo ('Winnaar van de krokettentest 2011’) zit de McDonald’s (bij de ingang roepen borden dat de goedkoopste hamburger één euro kost). Naast Maoz Falafel zit Manneken Pis, waar je Vlaamse friet kunt kopen, tenzij je uit het buitenland komt, dan koop je 'Voted No. 1 Holland’s Fries’.
Zo gaat het door tot de Dam, waar verspreid over het plein drie hotdogstalletjes met kleurige parasols tegen elkaar op concurreren. En telkens weer bots je op mensen met grote gele puntzakken van Manneken Pis, hamburgers, bakjes kipvleugels of broodjes worst in de hand.
Remco Campert muntte in de jaren tachtig het mooie begrip 'eetlezen’, de combinatie van de twee zaken die hij tot de prettigste van het leven rekent: eten en lezen. Zoals hij het omschreef: 'Lezen terwijl je eet of eten terwijl je leest - hier kan weinig tegenop.’ Of veel mensen nog eetlezen, weet ik niet, maar 'eetlopen’, dat is op het moment de rage. In het centrum van Amsterdam zie je, als je erop let, overal de eetlopers. Soms zijn het overduidelijk toeristen, soms kantoormensen die hun lunch kuierend nuttigen, vaak jongeren, snack in de ene, flesje water of cola in de andere hand. Je ziet ze op elk uur van de dag, alsof men permanent hongerig is, of, anders gezegd, alsof het maar kaal lopen is, zonder iets te happen in de hand. Alleen: daar waar Campert eten en lezen als een 'combinatie van genietingen’ ervaart, lijkt het genot bij de eetloper ver te zoeken. Eetlopen is praktisch, je moet ergens naartoe en je moet toch eten, het spaart tijd. Het lijkt vooral onnadenkende routine.

IN RELIGIES WORDT eten omgeven door rituelen. Er is voedsel dat wel en niet is toegestaan, het moet al dan niet op een voorgeschreven manier worden bereid, en eenmaal aan tafel zijn er ook regels: er moet worden gelezen uit de heilige schrift, worden gebeden, hoe dan ook moeten de God of de goden worden bedankt voor de spijzen. Eten bereiden en eten nuttigen vraagt aandacht, vraagt tijd. Een maaltijd verorber je gezamenlijk.
Aten we in Nederland een eeuw geleden nog drie maaltijden per dag en was een huisvrouw nog zo'n dertig uur per week bezig met het bereiden van voedsel, nu besteden we volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau wekelijks nog maar zo'n negen uur aan eten en drinken, tijd die gestadig afneemt. Volgens een internationaal onderzoek van meubelconcern Ikea zijn we dagelijks zo'n veertig minuten in de weer met het klaarmaken van eten; we zijn sneller klaar dan welk land dan ook. De warme middagmaaltijd is al lang verdwenen en ook ontbijten doen we vaak niet meer, zeker niet met het hele gezin aan tafel. Onderzoek van het Erasmus Food Management Institute uit 2006 laat zien dat de snelle hap buiten de deur een grote vlucht neemt. Nederlanders kopen steeds vaker een broodje of flesje sap bij tankstations of op treinstations, vooral ’s ochtends. Het zogenaamde grazen onderweg groeit. We eten alleen al 38 frikadellen per jaar per persoon, inclusief baby’s. Ik heb nog nooit zo'n griezelige vleesstaaf gegeten.
Onze eetgewoonten veramerikaniseren, ook al vullen we ze gedeeltelijk typisch Nederlands in met kroketten, bamiballen en frikadellen. Het onderscheid tussen het eten van een snelle hap en een echte maaltijd neemt in de VS steeds meer af. Snacks bestaan er al decennia, net als in Nederland trouwens, waar Maison Febo in de jaren veertig opende en snackbar en automatiek ook al generaties meegaan, maar snackte in de jaren zeventig nog slechts tien procent van de Amerikanen dagelijks, tegenwoordig eet meer dan vijftig procent drie keer of vaker per dag een snack. De reden? Tijdwinst, gemak, en het is lekker goedkoop.
Zoals de baas van een groot Amerikaans voedingsbedrijf het in The Washington Post zei: 'Het gewone ontbijt, de lunch en het avondeten zijn veranderd in eten wanneer het uitkomt of wanneer mensen behoefte hebben aan wat te knabbelen. Zelfs grote eters kopen meer kleine snacks verspreid over de dag.’
Albert Heijn had het wat dat betreft goed gezien, toen het concern een kleine tien jaar geleden de 'gemaksformule’ to go begon, 'voor mensen met een drukbezet leven, die behoefte hebben aan snelle, verse en gevarieerde gemaksoplossingen’. We leven in toenemende mate in een to go-maatschappij.

AMY GROSKAMP-TEN HAVE zag in 1939 geen enkele noodzaak om in haar etiquettebijbel Hoe hoort het eigenlijk een lemma op te nemen over eten op straat: iedereen wist dat dat buitengewoon onbeschaafd was. Zelfs gearmd lopen in het openbaar was 'beslist niet zoals het hoort’. Eten deed je aan tafel, met mes en vork, sterker: met verschillend bestek voor elk gerecht, en dat dan weer volgens strikte manieren. 'Zij’, schrijft Groskamp-Ten Have, 'die gesteld zijn op goede vormen en manieren (en dit geldt óók voor dagelijksch gebruik in den huiselijken kring!) moeten niet: leunen, noch over de tafel hangen, niet eten met de ellebogen op de tafel geplant, niet met open mond eten, niet smakken, niet slurpen, niet morsen, nimmer met de vingers de spijzen aanraken, niet praten met eten in den mond, niet drinken met eten in den mond, geen eten - ook geen kruimels - uit den mond laten vallen, geen groote happen nemen noch de mond haastiglijk vol proppen.’ En dat is nog maar de basis van het beschaafd tafelen.
In zijn standaardwerk Het civilisatieproces (oorspronkelijk in hetzelfde jaar gepubliceerd als Ten Have’s etiquetteboek) beschrijft de socioloog Norbert Elias hoe regels voor goed gedrag, die aanvankelijk alleen voor de elite golden, hun weg vonden naar de rest van de bevolking. Ze zijn zogezegd zinkend cultuurgoed. Tafelmanieren en eetgewoonten namen in dat proces van beschaving, net als taalgebruik, een belangrijke plaats in. Het gebruik van mes en vork bijvoorbeeld vormde voor hem een grote stap: zo'n gevaarlijk ding aan tafel - men sprak ook wel van het 'eten met zwaarden’ - vereiste een sterke drift- en impulscontrole van de disgenoten.
Volgens Elias was er de laatste eeuwen sprake van spectaculaire vooruitgang. Niet alleen raakte het belang van beschaafd gedrag ingeburgerd onder alle lagen van de bevolking, ieder mens is ook nog eens zelf verantwoordelijk geworden voor die beschaving. Werd ons gedrag aanvankelijk gereguleerd door externe dwang - de kerk, de partij en de baas wisten precies hoe het hoorde en dwongen dat met ferme hand af - in de twintigste eeuw boette het autoritaire gezag flink aan invloed in en werden goede manieren meer en meer afhankelijk van de discipline van het individu. In de woorden van Elias was dit een overgang van 'Fremdzwang’ naar 'Selbstzwang’. Zelfdwang zorgde voor zelfdiscipline, maakte dat je je schaamde als je je niet naar behoren gedroeg.
Wat zou Amy Groskamp-Ten Have, die vinnig stelde dat wij spijzen nimmer met de vingers mogen aanraken en onze mond niet haastiglijk mogen volproppen, denken van het eetlopen? Wat zou ze vinden van de dame in mantelpak die op het perron verder eet van haar pasta van Julia? Hoe zou Norbert Elias het publiekelijk uit de hand eten duiden? Hoe zou hij de 'impulscontrole’ inschatten van de jongeman die in de trein een patatje oorlog, voorzien dus van dampende pindasaus, mayonaise en gesnipperde uitjes, nuttigt, en de hele wagon op zijn etensgeur trakteert? Als een afname van het beschavingsproces?
Voor de Britse arts-publicist Theodore Dalrymple ligt het antwoord voor de hand. In een opiniestuk in The Times noemde hij eten op straat een groter kwaad dan roken, terwijl hij zichzelf toch als fervent tegenstander van de sigaret afficheert ('No one detests smoking more than I’). Maar die smerige gewoonte van eten op straat is er de oorzaak van dat Groot-Brittannië is veranderd in de vuilnisbelt van Europa en daarom een veel groter probleem dan die paar pufjes sigarettenrook in de open lucht. Dalrymple beschrijft hoe hij al een aantal jaren al het afval om zich heen observeert en tot de conclusie is gekomen dat het vrijwel allemaal is verspreid door eetlopers. 'Half the British population seems unable nowadays to progress farther than a few yards without refreshment’, schrijft hij, en daarbij laten ze als hedendaagse Kleinduimpjes een spoor van schillen en dozen achter zich. Kortom: eters op straat zijn een belangrijke oorzaak van stedelijk verval, van verval van de beschaving in het algemeen, en de overheden die zich met zo veel vuur op de roker werpen, zouden de morele moed moeten hebben om de eetlopers aan te pakken.
Dalrymple zit nooit verlegen om een stevige mening, maar in zijn ergernis over het publieke eten staat hij allerminst alleen. Vraag het losjes om je heen en mensen vinden het eten in het openbaar, als dat niet in een restaurant gebeurt, vies. Steen des aanstoots nummer één is het eten in de trein. Google dat en de klachten vliegen je om de oren. Niet voor niets plaatste mannenblad Esquire eten in de trein met stip boven aan het lijstje van echte stijlmisdaden.

GERARD REVE SCHREEF ooit dat hij al beroerd werd van een restaurant, omdat het zijn sterke voorkeur geniet dat 'de mens in het geheim, alleen, bij voorkeur achter een juten gordijn gezeten, zijn voedsel tot zich neemt, dat bovendien nog van de allereenvoudigste soort dient te zijn, met volop rauwe wortel, gekookt paardehart en rauwe koolraap, alles zo mogelijk genuttigd van vetdicht pakpapier op een onderlaag van koeranten’.
In zijn film Le fantôme de la liberté uit 1974 bakte Luis Buñuel het nog bruiner. In een van de sleutelscènes vindt een diner plaats. De gasten laten hun broek zakken; in plaats van stoelen staan er toiletpotten rond de grote eettafel. Ze keuvelen, bladeren door tijdschriften. Dan staat een gast op, verontschuldigt zich beleefd en vraagt op gedempte toon waar de eetkamer is. Hij doet de deur van dat kleine kamertje achter zich op slot en begint te eten, bord op schoot. Het is volkomen willekeurig, lijkt Buñuel te willen zeggen, waarom we de ene lichamelijke noodzakelijkheid onbekommerd in het openbaar lenigen en ons voor de andere gegeneerd terugtrekken. Net als Reve benadrukt hij de intimiteit van eten. Waarom zou dat minder intiem zijn dan, zeg, de stoelgang of seks.
Met hoeveel overdrijving ook, bij beiden is eten omgeven door schaamte. En laat schaamte volgens Elias nu juist een van de voornaamste motoren van het civilisatieproces zijn. Zonder schaamte geen zelfdwang. Het schaamtegevoel, zo stelde hij, is een vorm van angst die bij bepaalde prikkels automatisch en uit gewoonte in het individu opkomt. Het is een angst voor sociale vernedering of meer in het algemeen voor de superioriteit van anderen. 'De opwelling van schaamte’, noteerde Elias, 'krijgt haar bijzondere kleur juist doordat hij die zich schaamt, iets gedaan heeft of van plan was te doen waardoor hij tezelfdertijd én met bepaalde mensen met wie hij op welke manier dan ook verbonden is of was, én met zichzelf, met dat deel van zijn bewustzijn waarmee hij zichzelf controleert, in tegenspraak geraakt; het conflict dat in schaam-angst tot uitdrukking komt, is niet alleen een conflict van het individu met de heersende maatschappelijke mening, maar een conflict van het individu met dat deel van zichzelf dat deze maatschappelijke mening representeert; het is een conflict binnen zijn eigen emotiehuishouding; hij ziet zichzelf als inferieur. Hij vreest het verlies van liefde en respect van anderen waaraan hem veel gelegen is.’
Schaamte, met andere woorden, weerhoudt mensen ervan om zich onbeschaafd te gedragen. Nog vóórdat ze met hun vingers in de net opgediende schaal eten graaien of op straat hun tanden zetten in een Big Mac voelen ze de corrigerende blik van anderen - en houden ze zich in. De daadwerkelijke blik van anderen hebben ze zelfs niet meer nodig, die hebben ze geïnternaliseerd. Ze dragen een inwendige censor met zich mee.
De vraag is dus waarom de eetloper geen schaamte voelt. De simpelste verklaring is dat de emotiehuishouding van de eetloper verstoord is geraakt, maar dat is toch niet echt aannemelijk omdat hij met zovelen is. Er lijkt eerder sprake van een normverschuiving: de eetloper vormt een nieuwe keurtroep die een nieuwe norm stelt. Eten is voor hem niet intiem, het behoeft geen rituelen of gedragsregels, het is gewoon wat het is: louter behoeftebevrediging. En daarmee is eetlopen iets wat hedendaagse sociologen op meer gebieden constateren: opborrelend cultuurgoed. Er wordt geen beschaafde norm van bovenaf gesteld; onbeschaafd gedrag van 'de onderkant’ borrelt naar boven.
En toch kan ik er, nu ik erop ben gaan letten, niet aan wennen. Aan de jongeman die bij de tramhalte met stokjes van zijn wokmaaltijd uit een doosje eet en de sliertjes mie over zijn kin zijn mond in slurpt. Of aan de vrouw even verderop die met een plastic minivorkje patatten uit de mayonaise vist. Die voorkeur van Gerard Reve, dat je maar het beste kunt eten in het geheim, is ook de mijne. Alleen dat paardenhart, dat gaat mij te ver.