Oorlogscentrum Capelle aan den IJssel

Grote hoeveelheden wapens via Nederland naar Irak

Nederland is een onmisbare logistieke schakel in elke Amerikaanse oorlogsvoorbereiding. Ook tijdens de Irak-oorlog. Daarover informeerde de regering het parlement niet juist, concludeert de commissie-Davids. In het Irak-onderzoek vergat men echter de geheime verdragen.

Medium denhaag mensbeeld

ER WAS NIET veel voor nodig. Nederland verleende de Verenigde Staten bijna terloops toestemming voor het gebruik van het luchtruim en voor militair vervoer door Nederland, ‘ten behoeve van een mogelijk militair optreden voor het geval Irak niet of onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van resolutie 1441 van de VN-Veiligheidsraad’, zoals de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie 6 december 2002 in een brief aan de Tweede Kamer schreven. Op grond hiervan zijn troepen en materieel door Nederland richting Irak verplaatst.
In het rapport geeft Davids een uitgebreid feitelijk en chronologisch relaas, met op enkele plaatsen commentaar over deze transporten. Volgens Davids waren er geen concrete juridische verplichtingen om daaraan mee te werken. 'Het paste echter in de geest van de militaire alliantie om positief te reageren op het verzoek van een bondgenoot die in Europa materieel had opgeslagen en personeel gestationeerd, mede om Nederland te beschermen’, schrijft de commissie. Daarbij ziet Davids over het hoofd dat defensieminister Henk Kamp in de Tweede Kamer óók sprak over onderliggende verdragen die aan de basis van de medewerking lagen. Ook anderen, zoals PVDA-leider Wouter Bos en de Belgische regering, zagen bindende afspraken waar niet aan te ontkomen viel.
De kwestie van de militaire doorvoer is een van de vele politieke hangijzers in het rapport, want Davids verwijt de regering dat ze de Kamer rijkelijk laat heeft geïnformeerd.
Het rapport toont dat Rotterdam een hoofdrol speelde en dat grote hoeveelheden wapens via Nederland naar de Golf vertrokken (zie kader). Een reden om nog eens terug te kijken naar deze wapentransporten, die volgens de regering niet als militaire, maar als politieke steun beschouwd moesten worden.

OP 5 DECEMBER voert minister De Hoop Scheffer overleg met zijn Amerikaanse collega Grossman, onderminister van Buitenlandse Zaken. Grossman wil overvliegvergunningen en toestemming voor doorvoer van militaire goederen via Nederland. De regering laat een dag later horen dat ze 'in beginsel’ positief reageert op dit verzoek. Eind januari heeft het eerste schip al toestemming gekregen voor een tocht door de Westerschelde naar Antwerpen. Minister Kamp zegt dat de Amerikanen het materieel in ons belang in Europa hebben gestationeerd: 'Wij zullen de neiging hebben om toe te staan dat zij hun eigen materieel ook over ons grondgebied vervoeren.’ De kaarten zijn geschud. Een motie van de SP waarin wordt verzocht om geen toestemming meer te geven voor transporten over water krijgt alleen steun van GroenLinks.
De PVDA heeft als onderdeel van de coalitieonderhandelingen ingestemd met de oorlog tegen Irak, maar weigert bij monde van Kamerlid Albayrak medewerking aan de transporten. PVDA-leider Bos smoort deze oppositie kort daarop. Hij zegt tegen NRC Handelsblad het 'jammer’ te vinden dat Nederland aan de 'voorbarige’ oorlogsvoorbereidingen deelneemt, maar er zijn nu eenmaal Navo-afspraken en daar moet Nederland zich aan houden.
Steinweg Handelsveem, waar de schepen worden beladen, is de centrale verzamelplaats voor activisten tegen de transporten. Greenpeace blokkeert er bijvoorbeeld op 19 februari de NDS Progress, die met oorlogsmaterieel naar de Golf wil varen. In april, als de oorlog al begonnen is, bezetten activisten het kantoor van Nile Dutch Africa Shipping Lines (NDS) in Rotterdam. Het bedrijf verhuurt vier schepen voor militair vervoer, waaronder de Progress.
De acties vinden niet veel weerklank. Toch zijn alle militaire denkers, van Sun Tzu tot Martin van Creveld, het erover eens dat de aanvoer van wapens en goederen een bepalend onderdeel van oorlogvoering is. Karl von Clauzewitz schreef in zijn Vom Kriege dat de logistiek bepaalt of een oorlog gevoerd kan worden en met welke intensiteit. Het lijkt in de Nederlandse discussie bijna alsof het om een administratieve kwestie gaat. Militair vervoer is misschien niet zo spectaculair als een spionerende onderzeeër, voor een oorlog is de logistiek van veel groter belang.
Burgemeester Opstelten van Rotterdam ziet het hete hangijzer in de haven. Als de wapentransporten voor de oorlog beginnen kunnen medewerkers 'hun gewetensbezwaren melden bij de directie van het Gemeentelijk Havenbedrijf en zal een andere medewerker worden ingezet’, zegt hij. Of er veel gebruik van is gemaakt is onduidelijk. Wel duidelijk is dat de haven flink is ingezet.
Omdat elders het Amerikaanse vervoer misloopt, wordt Rotterdam de politieke afvoerput. Oostenrijk wil neutraal blijven en geeft geen toestemming voor transporten over zijn grondgebied. Door deze weigering kunnen de Italiaanse havens vanuit Zuid-Duitsland niet per trein bereikt worden en wordt Rotterdam de uitwijkhaven. Als later onduidelijk is of België nog langer mee wil werken aan de transporten, biedt Rotterdam opnieuw de oplossing. Lading bedoeld voor Antwerpen wordt omgeleid naar Rotterdam. Hier is de commissie-Davids opnieuw slordig. Zij wijt de omleiding aan technische problemen bij de Belgische spoorwegen, maar het Amerikaanse legertijdschrift Stars and Stripes stelt dat wegens de onzekere situatie na de Belgische verkiezingen besloten werd Antwerpen buiten de plannen te houden en voor Rotterdam te gaan. 'We moesten de treinverplaatsingen reduceren en in plaats daarvan onderdelen op wielvoertuigen en binnenvaartschepen plaatsen om ze in Rotterdam te krijgen’, aldus een Amerikaanse militair in Kaiserslautern die belast is met transport.
Er is nog iets wat Davids niet meldt. De draaischijf van de Amerikaanse oorlogslogistiek bevindt zich in Capelle aan den IJssel. Daar huist de 598th Transportation Group. Het is de militaire evenknie van Van Gend & Loos die voor het Pentagon zoekt naar de snelste, veiligste en goedkoopste mogelijkheden voor Amerikaans militair vervoer. Het operatiegebied van het commando in Capelle reikt van Noord-Duitsland tot in Afghanistan. Het beslaat Europa, het Midden-Oosten en Afrika. Dat betekent dat alle Europese verplaatsingen van Amerikaans materieel vanuit Capelle aan den IJssel, vlak bij Rotterdam, worden georganiseerd. Niet alleen voor de Iraakse veldtocht, maar voor iedere Amerikaanse oorlog. Ook als Nederland niet deelneemt. Het is niet duidelijk waarom de commissie hieraan voorbijgaat, maar het lijkt een bewuste keuze. Er zijn namelijk Kamervragen over gesteld en die behoorden tot de basisstof van de onderzoekers.

BELGIË KEURDE de oorlog af op grond van internationaal recht, maar zag zich uiteindelijk toch gedwongen mee te werken aan het vervoer. Tijdens een debat in het Belgische parlement bleek dat een bilateraal verdrag tussen België en de Verenigde Staten, het zogenaamde War Host Nation Support-verdrag (WHNS), de sta-in-de-weg was. De verdragen zijn bedoeld om in tijd van oorlog soepel en efficiënt te kunnen opereren met gebruik van civiele middelen, zoals spoor, luchtvervoer en telecommunicatie.
Ook Nederland heeft deze verdragen met de Verenigde Staten afgesloten. Het Nederlandse WHNS-raamverdrag stamt uit 1971. In de periode 1971 tot 1983 werden twaalf onderliggende verdragen gesloten. Onderzoekscollectief Amok onthulde in 1987 details daarover. Begin jaren tachtig ontdekten KLM-vliegers dat ze in tijd van crisis een oorlogsbijdrage zouden moeten leveren. Stukje bij beetje peuterde de KLM-ondernemingsraad informatie los over contractonderhandelingen tussen de staat en de KLM-directie. De daardoor bekend geworden conceptverdragen (1980 en 1985) beschrijven hoe Nederland vliegtuigen en personeel in een 'buitengewone rechtstoestand’ kan vorderen. De staat kan ze vervolgens zelf gebruiken of door een andere staat laten gebruiken. Welke afspraken met andere sectoren zijn gemaakt is niet of nauwelijks bekend.
In antwoord op Kamervragen schreef minister Kamp op 18 februari dat Nederland zich houdt aan de afspraken in het kader van het Host Nation Support om militair materieel en personeel te faciliteren: ’(…) dergelijke documenten [worden] niet ter goedkeuring aan het parlement voorgelegd’. Daarmee is de kous af. Als Nederland politiek noch militair wil meedoen aan een oorlog waaraan de Verenigde Staten wél deelnemen, dan zullen deze verplichtingen een zware hobbel zijn.
De Kamer heeft niets te zeggen en wordt alleen uit fatsoen op de hoogte gesteld van de militaire transporten. Invloed op het beleid van de US Army Transportation Group is helemaal ondenkbaar. Het zou een breuk met de Navo en Atlantische politiek inhouden. Dit betekent dat Nederland aan elke Amerikaanse oorlog zijn bijdrage zal leveren. In België ontstond hierover tenminste nog discussie. In Nederland ging deze ingrijpende kwestie vrijwel ongemerkt voorbij.
De WHNS-verdragen stammen uit de Koude Oorlog. Een tijd dat democratische controle geofferd werd aan militaire veiligheid. Als vanzelf hebben ze een andere functie gekregen. Het zou goed zijn als de opmerkingen van de commissie-Davids op dit vlak aanleiding zullen zijn voor een kritische blik op verdragen. Maar dat is ook nu nog niet mogelijk. Ze zijn immers geheim.
Wellicht zal de paragraaf die de commissie-Davids schrijft over Host Nation Support sommigen ontgaan. Toch is hij van groot belang. Of dat nu onder politieke steun geschaard wordt of niet, Nederland droeg op het zo belangrijke logistieke vlak uitgebreid en materieel (onder meer met inzet van militairen voor bewakingsdoeleinden) bij aan de oorlog. De mores binnen de Navo en de bilaterale verdragen met de VS verdienen de volle aandacht van het parlement. Want als de regering had geconcludeerd dat de oorlog illegaal was (zoals ze volgens Davids had moeten doen), dan zou Nederland er net als België niet aan zijn ontkomen toch een belangrijke oorlogsbijdrage te leveren.
Op z'n minst zou de Kamer zich kunnen afvragen of ze zich dient neer te leggen bij Kamps vaststelling destijds dat dergelijke verdragen geheim zijn voor de volksvertegenwoordiging.

Dit artikel is geschreven in het kader van een onderzoek naar de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog tegen het terrorisme door Spitsbergen Journalistiek Onderzoek, mogelijk gemaakt door de Fondsen Pascal Decroos en Stichting Democratie en Media

Beeld: Milo