Abdelkader Benali

Grote kunst

Abdelkader Benali

De langverwachte

Uitg. Vassallucci, 396 blz., € 20,95

Benali komt het podium op geslenterd, geen hoge hoed, geen glinsterend kostuum, op de achtergrond geen ingewikkelde goocheltafel waarbinnen je de konijnen en duiven vermoedt die later dus te voorschijn gaan komen. Geen vangnet, geen assistente met half ontblote borsten. Er is helemaal niks. Het publiek hangt verveeld in de stoelen: wie is dat nu weer? Maar dan begint hij te vertellen en ineens is de zaal omgetoverd tot een glanzend mooie circustent waarbinnen alles een plaats krijgt: een wildedierennummer, slangenbezweerders, gedurfd trapezewerk, duizend-en-een-nacht-romantiek, acrobatiek, de sterke man, de menselijke kanonskogel, draaiende bordjes op een stokje, verdwijn -

acts en hilarische conferences. Dit krijgen we niet vaak voorgeschoteld, en als we buiten staan, onze jassen aan, en in het donker naar huis lopen, dragen we nog tijdenlang een warme gloed met ons mee. Benali was hier en we hebben het geweten.

Hoe krijgt hij dit voor elkaar? Hij kiest het vertelperspectief van een ongeboren vrucht die alles overziet, alle geschiedenissen en voorgeschiedenissen van de personages kent en de lijnen trekt. Wat dit betreft sluit Benali doodgemoedereerd aan bij de grote Europese verteltradities. Maar hij zorgt er ook voor dat de verschillende stemmen van de personages doorklinken, zoals de Amerikaan John Dos Passos dat bijvoorbeeld deed in de roman U.S.A.. Als je het goed bekijkt is het vertelperspectief in dit boek niet eens belangrijk, Benali werkt het niet nadrukkelijk uit, hij heeft gewoon een systeem nodig waarbinnen de verschillende personages hun geschiedenis kunnen laten klinken. Ik bedoel dit letterlijk: hun stemmen klinken, ze verschillen van elkaar, ze zingen een eigen lied. En Benali brengt ze bij elkaar, niks ongeboren vrucht, het is Benali zelf die spreekt.

Neem bijvoorbeeld het verhaal van het rijexamen dat Driss Ajoeb aflegt: hij is slager in Rotterdam en vader van de jeugdige held Mehdi. Hij moet en zal dat examen halen, het bepaalt zijn levenslot, zo lijkt het, zijn angst en wanhoop — hij is zo ongeveer de meest gezakte kandidaat van Rotterdam — krijgen we tot op het bot uitgewerkt, zonder dat het dreigend wordt of paranoïde: Benali houdt er ondanks alles altijd de moed in. En daarnaast de 55-jarige examinator Lachman Basmati, die zich voorneemt zijn allerlaatste afrijkandidaat — hij gaat met pensioen, zijn hele familie is bij deze heuglijke gebeurtenis komen opdraven — koste wat het kost te laten slagen. Twee werelden bij elkaar gezet. Benali geeft er geen algemeen geldende beschouwingen over, geen correcte blabla-verhalen over de «culturele verschillen». Ik denk dat hij dat, zelfs als hij zou willen, niet eens zou kunnen omdat hij in alles schrijver is, en daar trots op is, omdat hij dus detailzoeker is, woordweger en nooit lulmeier of maatschappijblater. Maar wel werkt met zinnen als: «Ze werden aan elkaar voorgesteld. Driss stond voor de beer van een man, die met twee warme ogen op hem neerkeek en genoeg bloemen om zijn hals had om een bloemencorso exotisch gelukkig te maken. Lachman zag een man die een tonsuur had, een kaal eiland, een toevluchtsoord voor alle brylcream die het haar niet kon dragen, een aandoenlijk gat.»

Of bekijk de manier waarop Malika, de moeder van Mehdi, is neergezet: stelselmatige detaillering, omtrekkende bewegingen, geen directe typeringen («ze is zus of ze is zo»), geen wijsheden uit partijprogramma’s of buurthuis recepten («Marokkaanse vrouwen zijn…»). Benali gaat liever dood dan dat hij op zulk soort schaamteloosheden betrapt zou worden. Dit boek is verplichte kost voor hen die erover peinzen op Fortuyn te stemmen en zeker voor politici uit de sociaal-democratische hoek die tot nu toe tevergeefs zochten naar een tegenwicht. Dit boek is literaire politiek pur sang.

Je leest tegenwoordig niet vaak meer een roman waarin het zo onverbloemd als in dit boek gaat om het Goede, en ik bedoel dit werkelijk in filosofische zin, een demonstratie dus van datgene wat bijeen zou kunnen brengen en wat zich niet buiten ons bevindt in een of ander schimmig godenrijk, maar wat hier is, nu, aanwezig. Je vindt het bij Benali overal, in slagerswinkels, in de vergeefse gedichten van de Marokkaanse rapper, in het hart van «beugelbekje» Diana, in de bedden van jonge mensen. Maar je moet om het te kunnen benoemen wel beschikken over het vertellersplezier van Benali, die het hele boek door laat zien hoe fantastisch, bevrijdend, sentimenteel en lekker schrijven is. Hoe mooi het is aan zinnen te werken die slingeren, giechelen, fluisteren en zingen. Die geen afstand neemt, die het niet beter weet, die niet cynisch is of kleinzielig, maar wel geestig en nieuwsgierig. Benali weet waar het in het beste schrijven om moet gaan: niet alleen om de vertelling maar ook om tot in de diepste uithoeken van je zinnen te laten merken dat schrijven te maken heeft met taalademen, met taalbouwen, met hartstochtelijke taallichamelijkheid. Dat schrijven grote kunst moet zijn.