Grote liefde, groot lijden

WILLEM WILMINK
HIER IS PRINS ZONNESCHIJN
Nijgh & Van Ditmar, 134 blz., € 16,50

Hoe onthullend moet een autobiografie zijn? Hoe onthullend kan een nagelaten autobiografie überhaupt zijn wanneer je weet dat de biograaf voor zijn dichterswerk eigenlijk onafgebroken uit zijn eigen leven putte? Lees Willem Wilminks poëzie – zijn gedichten, liedjes en cabaretteksten – en je leest zijn leven (1936-2003). Weliswaar fragmentarisch, heen en weer springend van herinnering naar herinnering, maar alles wat belangrijk was in Wilminks leven zit erin. Zijn klassieke jongensjeugd in Twente, zijn vertrek naar Amsterdam om geschiedenis en Nederlands te studeren, zijn twee huwelijken, zijn verloren liefdes, zijn leven met zijn zoons en (stief)dochters en met kunstenaars uit de tweede helft van de vorige eeuw, zijn leven als ‘broodschrijver’ voor tv (J.J. de Bom, De film van ome Willem), zijn kleine geluksmomenten en zijn uiteindelijke ‘thuiskomst’ in de Javastraat in Enschede: ‘Het is het eindpunt van de trein,/ bijna geen mens hoeft er te zijn,/ bijna geen hond gaat zover mee:/ Enschede.’
En het is waar: bundels als Verzamelde liedjes en gedichten tot 1986, Ernstig genoeg (verzameld werk vanaf 1986), Javastraat (1992) en Waar komt dat kind vandaan (zijn levensverhaal in verzen, 2001), zijn de best denkbare, best passende sleutels om de deur naar Wilminks ziel te openen. Ze vertellen – lichtvoetig en helder, voor groot en klein – over melancholie, vriendschap en troost, en vooral over wat hijzelf zijn ‘bewondering voor de kinderziel’ noemde.
Dus wat voegt een autobiografie van ‘de dichter met ogenschijnlijk simpele woorden’ hier nog aan toe?
Misschien wel niet zo veel. Misschien moeten we Hier is Prins Zonneschijn – een regel uit een schooltoneelstuk waarin Wilmink ‘de lente’ speelde en door tekstbezorgers Vic van de Reijt en Wilminks weduwe Wobke Wilmink-Klein als titel bedacht – als niet meer dan een onverwacht gevonden zelfportret beschouwen. Een aangename vondst, dat wel. Een fijn portret. Niet zozeer omdat het vernieuwende inzichten in Wilminks psyche verschaft, maar omdat het andersoortig is dan wat we tot nu toe van hem hadden.
Hier is Prins Zonneschijn is een ‘gewoon’ chronologisch verteld levensverhaal. Een vrij korte levensbeschrijving, die niet is gebaseerd op dagboeknotities, vergeten brieven of een stevig roeren in de ziel, maar is voortgekomen uit Wilminks oprechte drang aan het einde van zijn bestaan (1997) – hij was na een herseninfarct al geruime tijd ziek – iets van zijn veelbewogen leven door te vertellen aan volgende generaties, door simpelweg uit zijn geheugen te putten.
Het resultaat is een onderhoudend stukje proza waarin de nadruk ligt op gebeurtenissen en mensen die er in Wilminks leven toe hebben gedaan, met de Tweede Wereldoorlog – het grote bombardement op 10 oktober 1943 in Enschede – als bijna onmogelijk vertrekpunt.Een oorlog die van Wilmink een ‘vroegwijs kind’ maakte. Want, schrijft hij: ‘Wij leefden niet in een door pedagogen zorgvuldig opgebouwde kinderwereld. We begrepen veel dingen niet, maar deelden toch heel wat zorgen en angsten met onze ouders.’ Die vroege confrontatie met menselijke angst heeft Wilmink zijn hele leven met zich meegedragen en uitte zich in eenzaamheid, onzekerheid en vrees om geluk te pakken wanneer hij het gevonden had.
Zo wijt hij zijn mislukte relatie met ‘P.’ (eind jaren vijftig) gedeeltelijk aan de melancholieke buurt waar zij woonde: de Lepelstraat, achter Carré, ‘de straat waarvan Marga Minco zo’n gruwelijk oorlogsbeeld geeft in Het bittere kruid’. Over die buurt, vertelt Wilmink, ‘ligt voor mij een waas van verdriet, culminerend in de Hollandsche Schouwburg, van waaruit de transporten van de joden plaatsvonden. (…) Daar moest grote liefde toch onvermijdelijk met groot lijden gepaard gaan. En lijden deden we, allebei.’
Toch is Wilminks verhaal herkenbaar lichtvoetig van toon. Dankzij het noemen van illustratieve kleine details als de met gaatjes bezaaide schoolborden (door de geallieerden als dartbord gebruikt), de fietstrappers met houten blokken die fietsen op maat mogelijk maakten en de sprookjes van Andersen die Wilmink als troostprijs van zijn vader kreeg toen het Enschedees Lyceum hem zijn eerste schooljaar wilde laten overdoen. En natuurlijk vooral dankzij Wilminks typerende cabareteske anekdotes en zegswijze. Over hoe hij als zesjarige zijn leven al indrukwekkend genoeg vond om het te boek te stellen en als kind derhalve verwaander was dan Harry Mulisch ooit zou worden. En over hoe hij de komst van de loempia in Enschede beschouwde ‘als een pas gelegd contact tussen zijn fabrieksstad en de grote mondaine, wereld’.
Dit soort terloopse zinnen maken van Wilminks autobiografie een heel aardig tijdsdocument, met namen op de achtergrond als Hedy d’Ancona, Han Reiziger, Don Quishocking, Harry Bannink, Herman van Veen, Joost Prinsen en Herman Finkers. Een document ook waaruit een karakteristiek beeld van Wilminks generatie te voorschijn komt. Een generatie (cabaret)artiesten en intellectuelen die na de Tweede Wereldoorlog naar het linkse Amsterdam met zijn protestcultuur trokken, daar volwassen en verliefd werden, trouwden en vreemdgingen, scheidden en weer trouwden, maar eigenlijk niet in huwelijks- en huiselijk geluk geloofden.
Voor velen inmiddels een bekend verhaal. Daarom misschien wat teleurstellend voor Wilmink-kenners, die in Hier is Prins Zonneschijn wellicht hadden gehoopt op existentiële overpeinzingen, opzienbarende bekentenissen of bespiegelingen over Wilminks dichterschap.
Toch is tussen de schijnbaar achteloos opgeschreven regels de dichter voortdurend aanwezig en klinkt de ondertoon steeds weemoedig. Dezelfde weemoed die in Wilminks poëzie verborgen zit en die voortkomt uit een sterk gevoel van heimwee: heimwee naar het kinderland dat verdween en het geluk en de betrekkelijke waarheid daarvan, zoals spreekt uit het volgende fragment: ‘Ik herinner mij het koude kale boerenland, als we van school kwamen. We mochten een keer een eind meerijden op een kar, langs die zwarte velden en onder een zon die nauwelijks lichter was dan de rest van de hemel. Het was of dit alles nooit zou veranderen. De moeder van mijn vriendje Chris had ons verteld dat de geallieerden ons vergeten waren.’
Nee, een autobiografie hoeft niet onthullend te zijn. Een bijzonder mensenleven is bijzonder genoeg.