Biografieën Willy Brandt en Slobodan Milosevic

Grote mannen zonder vader

Willy Brandt groeide op in de Eerste Wereldoorlog, Slobodan Milosevic in de Tweede. Beiden waren «vaderloos», met alle psychische gevolgen van dien. Verder zijn beide heren in alles tegenpolen, zo blijkt uit hun biografie.

Karel van het Reve verbaasde zich over de volstrekte willekeur waarmee Freud «verklaringen» gaf voor de neurosen van zijn patiënten. In de ziektegeschiedenis van de zogenaamde «Wolvenman» wist Freud bijvoorbeeld heel zeker waarom deze als vierjarige een nachtmerrie had gehad waarin zes of zeven witte wolven voorkwamen. Als kind van anderhalf had Sergej Pankejev malaria gehad, waarbij zijn bezorgde ouders zijn bedje op hun eigen slaapkamer hadden gezet. Op een middag, rond een uur of vijf, waren zijn ouders het bed in gedoken, en toen de kleine Sergej wakker werd, was hij getuige van «eines dreimal wiederholten coitus a tergo», waarbij Freud vermeldt dat het knaapje «das Genitale der Mutter und das Glied des Vaters» kon zien.

Van het Reve ging onder meer uitgebreid in op de onwaarschijnlijkheden in dit verhaal. Kan de jongen zich dit later wel herinnerd hebben? Waarom zetten de schatrijke, over een heel leger aan personeel beschikkende en in paleizen wonende Pankejevs dat bedje op hun eigen kamer? Hoe kon een ziek jongetje tegelijk het geslachtsdeel van zijn moeder en dat van zijn vader zien, die beiden bovendien «wit ondergoed» droegen, terwijl de hedendaagse pornofilms duidelijk maken dat iets dergelijks erg moeilijk in beeld te brengen is? Maar veel belangrijker is de vraag: wat heeft die droom over die witte wolven nu te maken met deze ouderlijke geslachtsgemeenschap? Het antwoord van Freud: de wolven waren wit, en het ondergoed van Sergejs ouders was ook wit. Tja, zo lusten we er nog wel een paar.

Hoewel er weinig biografen zijn die een levensbeschrijving baseren op orthodox psychoanalytische uitgangspunten, treft men in biografieën soms verklaringen aan die doen denken aan de methode van de «Weense kwakzalver». Zo wijst Adam LeBor er in zijn boek over Slobodan Milosevic op dat deze net als Josif Stalin, Bill Clinton en Saddam Hoessein opgroeide zonder vader. LeBor verwijst naar psychologen die van mening zijn dat de afwezigheid van een vader bij een jongen gevoelens van minderwaardigheid teweeg kan brengen, aangezien hij zich gaat afvragen waarom die vader niet bij hem wil zijn. Tevens zou het ontbreken van een «goed mannelijk rolmodel» in huis betekenen dat het kind «geen sturing krijgt bij de ontwikkeling van relaties buitenshuis». Dit alles kan later leiden tot een neiging tot «overcompensatie». Volgens LeBor proberen sommigen hun zelfrespect te bevestigen via seksuele promiscuïteit, terwijl anderen de politiek in gaan.

Nog afgezien van het feit dat in elk geval Clinton beide deed, stemt het tot nadenken dat de tomeloze ambitie van zulke verschillende persoonlijkheden wordt toegeschreven aan één gemeenschappelijk kenmerk. Ongetwijfeld zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen van vaderloze heersers, maar Van het Reve zou ook met dit «argument» korte metten maken. Hij was immers een fervent aanhanger van Poppers falsificatieprincipe, dat inhoudt dat je niet moet zoeken naar voorbeelden die je theorie bewijzen, maar naar voorbeelden die ermee in strijd zijn. Pas als na lang zoeken blijkt dat die niet te vinden zijn, kun je ervan uitgaan dat je theorie, althans voorlopig, klopt. En erg lang hoef je niet te zoeken om ambitieuze heersers te zoeken die niet vaderloos zijn opgegroeid, maar die zelfs een alomtegenwoordige, zeer autoritaire vader hadden. Adolf Hitler en John F. Kennedy bijvoorbeeld, waarbij de laatste zowel de politiek in ging als voortdurend het bed in dook. Het is dus maar zeer de vraag of er enige relatie bestaat tussen het feit dat de diep religieuze vader van Milosevic wegging bij zijn overtuigd communistische vrouw, en de noodlottige rol die hun zoon in het uit elkaar vallende Joegoslavië heeft gespeeld.

Dat ik me in het — overigens zeer informatieve — boek van LeBor stoorde aan deze psychologie van de koude grond heeft wellicht te maken met het feit dat ik tegelijkertijd de biografie las van een eveneens vaderloze politicus die in vrijwel alles de tegenpool van Milosevic was. De in 1913 te Lübeck geboren Herbert Frahm was overigens nog «vaderlozer» dan de latere leider van Servië, aangezien hij zijn vader nooit gekend heeft en als «onwettig» kind opgroeide bij de ouders van zijn moeder. Maar, zo kunnen voorstanders van het psychologische verklaringsmodel tegenwerpen, de Duitse arbeidersjongen die onder zijn schuilnaam Willy Brandt wereldfaam zou verwerven, was wel bijzonder ambitieus, terwijl hij later herhaaldelijk in opspraak zou komen wegens allerlei «Bettgeschichten». De inhoud die hij aan zijn uit vaderloosheid voortkomende minderwaardigheidscomplex gaf, was dan wel anders dan die Saddam, Stalin en Milosevic hieraan gaven, maar dat complex was er wel. Dus is de theorie gered, als we althans afzien van die ontelbare mannen die overal ter wereld eveneens zonder vader zijn opgegroeid, maar die niettemin gewoon genoegen hebben genomen met een baantje als postbode of magazijnmeester in een koffiebranderij, en die bovendien volmaakt monogame echtgenoten waren.

De gezinssituatie — of het ontbreken hiervan — waarin men opgroeit, is slechts een van de vele factoren die iemands levensloop bepalen. Historische en maatschappelijke omstandigheden, genetisch bepaalde karaktereigenschappen en toeval spelen een minstens even belangrijke rol. En als we naar die zaken kijken, wordt duidelijk dat de verschillen tussen Willy Brandt en Slobodan Milosevic veel talrijker en groter waren dan dat ene, kleine gemeenschappelijke kenmerk.

Brandts baby- en kleuterjaren vielen samen met de Eerste Wereldoorlog en dus met de nadagen van het Duitse keizerrijk. Als schooljongen groeide hij echter op in de prille, van alle kanten bedreigde democratische Republiek van Weimar. Als kleinzoon van een overtuigde sociaal-democraat was de jonge Brandt al vroeg politiek bewust en stortte hij zich vol vuur in de allesbehalve gezapige politieke strijd. Hij was actief in de socialistische jeugdbeweging; de reformistische SPD was hem al snel te gematigd en Brandt sloot zich aan bij een radicaal linkse splinterpartij. Toen de nacht van de dictatuur begin 1933 over Duitsland viel, vluchtte de negentienjarige Brandt naar Noorwegen. Onder de indruk van de successen van de gematigde sociaal-democratie in Scandinavië, en door ervaringen tijdens de Spaanse burgeroorlog fel en principieel anticommunist geworden, zwoer hij het radicalisme af. Hoewel Brandt na de oorlog in Noorwegen een grote carrière tegemoet leek te gaan, koos hij ervoor om terug te keren naar het land dat hem als «bastaard», arbeidersjongen en emigrant allerminst met open armen ontving. Politieke tegenstanders zouden hem later, omdat hij tussen 1933 en 1945 Duitsland bestreden had, afschilderen als landverrader.

Ook de eerste levensjaren van de in 1941 geboren Milosevic spelen zich af tijdens een oorlog, maar hij groeit op in het optimistisch gestemde en op wederopbouw gerichte Joego slavië van Tito. Aan dit gematigd stalinistische regime heeft de jonge Milosevic, die geen intellectuele hoogvlieger is, zich moeiteloos aangepast. Gestimuleerd door zijn dominante vrouw Mira, en met als mentor en later boezemvriend een man die snel in de hiërarchie omhoog schiet, maakt Milosevic carrière als communistische apparatsjik. Nog later zal hij zijn beschermheer, Ivan Stambolic, op meedogenloze wijze verraden, en uiteindelijk — als zijn land in puin ligt — waarschijnlijk ook laten vermoorden.

Zowel Brandt als Milosevic bekleedde het belangrijkste politieke ambt in zijn land. Maar de wijze waarop ze invulling gaven aan dat ambt verschilt als dag en nacht. Hoewel beiden zeer ambitieus waren, was hun motivatie verschillend. Brandt geloofde oprecht dat het wenselijk én mogelijk was een rechtvaardiger en vreedzamer wereld te creëren. Hij goochelde hierbij niet met allerlei vage utopieën en abstracties, maar koos meestal voor concrete en haalbare maatregelen. Peter Merseburger, die de meest recente en tot nog toe beste biografie van Brandt heeft geschreven, gaf zijn boek als ondertitel mee: Visonär und Realist. Dat is inderdaad een treffende typering van Brandt, die niet te beroerd was om compromissen te sluiten en «vuile handen» te maken, maar die zijn idealen nooit uit het oog verloor.

Milosevic daarentegen heeft misschien in zijn jeugd in het communisme geloofd, maar al spoedig bleek hij uitsluitend geïnteresseerd in zijn carrière en, naarmate hij hoger klom, in macht. Uiterst geslepen keek hij altijd uit welke hoek de wind waaide en liet hij zijn standpunt afhangen van de omstandigheden. Naar boven likken en naar onderen trappen, slijmen en bijten — Milosevic was er een meester in. Sinds zijn opruiende rede ter gelegenheid van de zeshonderdste verjaardag van de slag bij Kosovo Polje in 1989 mocht hij dan gelden als de aanvoerder van het Servische nationalisme, volgens LeBor was Milosevic in tegenstelling tot de Kroatische leider Franjo Tudjman helemaal geen overtuigd nationalist. Hij begreep alleen dat in het desintegrerende Joegoslavië nationalisme een uitstekend voertuig was om aan de macht te komen en te blijven.

Terwijl Brandt streefde naar verzoening tussen de volken — allereerst tussen Duitsland en de landen die het in de Tweede Wereldoorlog had overweldigd en verwoest — mobiliseerde Milosevic de haat. Slaagde Brandt als burgemeester van Berlijn er tijdens de bouw van de Muur in de bevolking te kalmeren, Milosevic gooide constant olie op het vuur en deinsde er niet voor terug oorlogen te voeren om de aandacht af te leiden van de desastreuze binnenlandse situatie van Servië. Dat het natio nalisme bij Milosevic een gelegenheids argument was, blijkt onder meer uit het feit dat hij de Serviërs in Kroatië op cynische wijze in de steek liet, en ook zijn handen af trok van figuren die hijzelf omhoog had gehesen als Mladic en Karadzic, maar niet dan nadat hij ze eerst hun bloeddorst had laten botvieren.

Toch zou datzelfde nationalisme Milosevic uiteindelijk de das omdoen. Anders dan de Serviërs in Kroatië en Bosnië kon hij zijn landgenoten in Kosovo niet aan hun lot overlaten. Niet alleen werd Kosovo beschouwd als onvervreemdbaar onderdeel van Servië, bovendien had Milosevic zijn positie te danken aan de precaire situatie van de Kosovaarse Serviërs. Dit leidde tot de oorlog om Kosovo en de bombardementen op Belgrado, en uiteindelijk tot de val van Milosevic en zijn uitlevering aan het Joego slavië-tribunaal in Den Haag. Zo werd hij de gevangene van het spook dat hij zelf had opgeroepen.

Uiteraard hebben de zo volmaakt verschillende levens van deze mannen tot twee sterk verschillende biografieën geleid. Om te beginnen is daar natuurlijk de verschillende houding die de biografen ten opzichte van hun onderwerp hebben ingenomen. Ondanks enkele kritische kanttekeningen overheersen bij Merseburger sympathie en bewondering voor een man met een superieure intelligentie, een fenomenale wilskracht en respectabele ideeën. LeBor daarentegen had de ondankbare taak een meedogenloze opportunist en bovendien een in wezen kleurloze man te moeten portretteren. Kon Merseburger beschikken over een hooggebergte aan archiefmateriaal van en over de in 1992 overleden Brandt, en talloze wetenschappelijke studies, LeBor moest het met veel minder materiaal doen. Beiden hebben voor hun onderzoek veel mensen geïnterviewd, maar ook hier was Merseburger in het voordeel. Brandt is niet alleen geschiedenis geworden, hij was tevens een doorgaans aimabele en bewonderenswaardige man. In het verwoeste voormalige Joegoslavië zijn Milosevic en zijn autoritaire, nationalistische regime nog altijd geen geschiedenis, en hebben de meeste gesprekspartners van LeBor een duidelijk belang bij hun verhaal over de rampzalige jaren negentig. Vaak zeggen hun verklaringen meer over henzelf dan over het onderwerp van deze biografie. Hierdoor komt Milosevic niet echt tot leven en blijft het gissen waarom hij bepaalde beslissingen heeft genomen.

«Definitieve» biografieën bestaan niet, en ook over Willy Brandt valt nog meer te vertellen dan Merseburger in deze ruim negenhonderd bladzijden heeft gedaan, maar op een echt goede biografie van Milosevic zullen we toch nog een tijdje moeten wachten. Daarvoor is meer materiaal en meer afstand nodig. Dat is geen verwijt aan LeBor, want zijn boek draagt veel materiaal aan en leert ons heel wat over de Balkan in dit rampzalige decennium. Nog levende, uiterst controversiële figuren laten zich echter niet zomaar vangen door een biograaf, zelfs niet als die psychologische theorietjes van stal haalt.

Adam LeBor

Slobodan Milosevic

Uitg. Balans, 496 blz., € 22,50

Peter Merseburger

Willy Brandt, 1913-1992: Visionär und Realist

Uitg. Deutsche Verlags-Anstalt, 927 blz., € 32,50

_______________________________

Anthony Pagden

Van mensen en wereldrijken

Ruim tweeduizend jaar geschiedenis van een wereldomvattend onderwerp in iets meer dan tweehonderd bladzijden. Dat is vragen om moeilijkheden. Toch slaagt Pagden erin op meeslepende wijze de kenmerken te schetsen van het imperialisme sinds Alexander de Grote. Hierbij heeft hij voldoende oog voor de verschillen tussen bijvoorbeeld het Romeinse Rijk, het rijk van Karel V en het British Empire, maar legt hij tevens de mechanismen bloot die werkzaam zijn in ieder wereldrijk en die vroeg of laat tot de ondergang van dat rijk leiden. Hoewel hij ruime aandacht besteedt aan de schaduwzijden van het kolonialisme — zoals slavernij en het soms uitroeien van de lokale bevolking — is Pagden goddank niet moralistisch.

Uitg. De Bezige Bij, 239 blz., € 18,90

Gavin Menzies

1421

Moralistisch mag Pagden dan niet zijn, eurocentrisch is hij wel. In dit opzicht vormt dit boek van de gepensioneerde Britse marineofficier Menzies een aardig tegenwicht, wat al blijkt uit de ondertitel: Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte. Hij beschrijft hierin de tocht die de eunuch-admiraal Zheng He in 1421 maakte en waarbij de Chinese vloot — 71 jaar voor Columbus — Amerika ontdekt zou hebben en — een eeuw voor Magalhaes — rond de wereld zeilde. Voor een groot deel is het boek gebaseerd op circumstantial evidence, maar interessant en uitdagend is het wel.

Uitg. Ambo, 416 blz., € 26,90

Luc Devoldere

De verloren weg

Nog een reisverhaal, maar van een heel ander karakter. Luc Devoldere doet verslag van de door hem in etappes afgelegde pelgrimstocht van Canterbury naar Rome. De tocht voert niet alleen langs middeleeuwse kloosters en kastelen en het door moderne bedrijvigheid en fantasieloze woningbouw bedorven landschap, maar ook langs andere gestolde herinneringen. Zo schrijft deze moderne pelgrim aangrijpend over de sporen die hij in Noord-Frankrijk aantreft van de Grote Oorlog. Waarnemings vermogen en eruditie leveren in dit boek menige mooie bladzijde op.

Uitg. Atlas, 237 blz., € 18,50

Christianne Smit

Omwille der billijkheid

«Ik houd van belasting, mits zij niet te hoog is», luidde een aan Byron toegeschreven uitspraak die in de jaren vijftig en zestig wekelijks in De Groene te lezen viel. Een redelijk standpunt, waar je alle kanten mee op kunt. Hoewel het beschavingspeil van een land af te lezen valt uit de hoogte van de belastingen zijn veel mensen van mening dat zij veel te veel betalen. In de negentiende eeuw was dat niet anders. Alleen droegen toen de zwakste schouders de zwaarste lasten, aangezien de overheids inkomsten voor het grootste deel werden opgebracht door middel van accijnzen. Dat de welgestelden en rijken dit in meerderheid graag zo wilden houden wekt geen verbazing. Vandaar dat het tot 1893 duurde eer er een inkomstenbelasting werd ingevoerd. Deze dissertatie beschrijft in detail hoe dit meer dan vijftig jaar werd tegengehouden, en hoe het uiteindelijk toch lukte.

Uitg. Wereldbibliotheek, 362 blz., € 34,90

Marita Mathijsen

De gemaskerde eeuw

Heel lang heeft men ons willen laten geloven dat de negentiende eeuw buitengewoon saai en preuts was, dat seksualiteit voor onze (bet)overgrootouders nauwelijks bestond. Marita Mathijsen is bepaald niet de eerste die laat zien dat dit beeld niet klopt, maar ze doet het wel op een prachtige en aanstekelijke wijze. Overigens handelt dit heerlijke boek niet alleen over overspelige burgermanne tjes, prostitutie en de «eenhandige zonde», maar komen ook ziekte en dood, zelfmoord, misdaad en drankzucht aan de orde. Bovendien worden ook de idealen waarmee men de groezelige praktijk wilde bestrijden met liefde beschreven. De negentiende eeuw was immers ook de eeuw van de volksverheffing en het geloof in vooruitgang. En Mathijsen maakt ons keer op keer duidelijk dat die eeuw helemaal niet zo ver weg is, dat onze samenleving in tal van opzichten wortelt in de eeuw waarover we eigenlijk zo weinig weten.

Uitg. Querido, 268 blz., € 27,50

Ileen Montijn

Naar buiten!

In de negentiende eeuw raakten veel mensen ervan overtuigd dat een groot deel van de ellende voortkwam uit de omgeving waarin mensen verkeerden. Vooral de grote, snel groeiende en vervuilende steden maakten de verkeerde impulsen in mensen los. Tegenover de gore stad stond het zuivere platteland, zodat velen die het konden betalen een buitenhuis(je) aanschaften. In dit fraaie boekje beschrijft Ileen Montijn «het verlangen naar landelijkheid», dat ook de gehele twintigste eeuw zichtbaar is geweest. Van de Gooise villa’s die in het begin door de elite werden gebouwd, via de verbouwde arbeidershuisjes tot de «boerderettes» in het almaar uitdijende suburbia.

Uitg. Sun, 204 blz., € 19,50

Maarten van Rossem

Amerika, voor en tegen

Hij ziet eruit als een zwerver in een afgelegen stadspark, en veel mensen zetten de tv uit zodra hij zijn droogkloterige commentaar komt spuien, maar tussen alle zwaarwichtige deskundologen is hij nog altijd een ver ademing. Hoewel hij over alles een oordeel heeft, waarbij hij opvalt door zijn naar cynisme neigende nuchterheid, is hij op z’n best als hij het over de Ver enigde Staten heeft. Dat blijkt uit deze columns, die uiteraard gedateerd zijn maar nog steeds de moeite waard. Van Rossem kijkt met geamuseerde verbazing naar het machtigste land ter wereld, maakt het niet mooier dan het is, maar houdt zich tevens verre van de goedkope verontwaar diging die veel Euro peanen etaleren. Hij is op zijn best als hij commentaar levert op de overvloedige retoriek van Amerikaanse politici en de intellectuele diepgang van presidenten als Reagan en Bush jr. analyseert.

Uitg. Het Spectrum, 271 blz., € 16,50

Tzvetan Todorov

Herinnering aan het kwaad,

bekoring van het goede

Op het omslag van dit boek is een detail afgebeeld van The Menin Road van Paul Nash, dat het desolate landschap na de Derde Slag bij Ieper laat zien. Het symboliseert de verschrikkingen van de twintigste eeuw, waarin de levens van velen zijn verwoest door oorlog en totalitarisme. Dat was het Kwaad dat volgens de Bulgaars-Franse filosoof Todorov niet vergeten mag worden. Tegelijkertijd wijst hij erop dat het verlangen naar het Goede soms averechts kan uitpakken, zoals sinds de val van de Muur tal van militaire interventies hebben laten zien. Op typisch Franse, breedsprakige en uitwaaierende wijze ontvouwt Todorov zijn visie, waarbij hij deze illustreert met een zestal levensschetsen van — op Primo Levi na — in Nederland weinig bekende maar hoogst interessante mensen als onder anderen Margarete Buber-Neumann, Romain Gary en Germaine Tillion.

Uitg. Atlas, 480 blz., € 24,95