Feiten en meningen over de elektriciteit van morgen

Grote molens, klein land

Het debat over duurzame energie wordt steeds meer gevoerd met emoties in plaats van feiten. Terwijl de nodige innovatie zo al complex genoeg is.

URK HOUDT ZIJN HART VAST voor de bouw van 86 windmolens rond het dorp. Staand bij het beeld van het vissersvrouwtje, monument voor op zee gesneuvelde vissers, heb je het beste uitzicht over de dijk waarop en waarlangs ze komen te staan. Plaquettes met namen van dode vissers rondom het monument herinneren aan de eeuwenoude plaatselijke geschiedenis. Urk koestert de weidsheid van het water, net als de stilte en de duisternis die je hier nog kunt beleven. De windmolens gaan dat alles ingrijpend veranderen, vreest men.
Om de zoveel kleine visserswoninkjes hangt achter de ramen een poster: ‘Stop windpark Noordoostpolder!’ Er wordt al jaren actie gevoerd, tevergeefs. De gemeente voelt zich niet serieus genomen en vindt dat ze pas is betrokken toen de plannen al gemaakt waren. Veel bewoners zijn boos en voelen zich gepakt. 'We hebben alles gedaan wat we konden’, vertelt een vrouw die haar hond uitlaat op de kade bij de oude vuurtoren. 'We hebben de minister aangeschreven. Maar je krijgt een formele brief terug en kunt verder niets doen. Er wordt niet naar je geluisterd.’
Wie het dorp binnenrijdt, wordt begroet door een billboard met joekels van windmolens voor de waterlijn, en een verzoek om slaapkoppen wakker te schudden. 'Beseft u wel hoe groot het daadwerkelijk gaat worden?’ Dit is een campagne van Urk Briest, een actiegroep die strijdt tegen het 'megalomane’ park, het 'ijzeren gordijn’ dat het dorpsgezicht voor altijd zal verpesten en niets minder dan 'de dood van het IJsselmeer in zijn huidige vorm’ betekent.
De Urkse burgemeester Jaap Kroon (cda) steunt het verzet en plaatste op de website van de gemeente een filmpje waarin hij bekende antiwindmolenargumenten echoot: 'Urk is voorstander van duurzame energie, maar niet met een geldverslindend, megalomaan windmolenpark dat een miljard euro overheidssubsidie krijgt.’ Een apocalyptisch beeld van reusachtige windmolens die neerstorten voor de waterlijn en het Urkse dorpsgezicht blijvend verminken, moet deze lezing kracht bijzetten.

'Een schrikbeeld’, legt de burgemeester uit, 'waarmee we proberen over te brengen dat hier niet zomaar een windmolenpark wordt gebouwd. Dit wordt het grootste park van Europa en het wordt vlak tegen Urk aan gebouwd. De leefbaarheid van ons eeuwenoude dorp ziet er na de realisatie van dit project echt anders uit, en daarmee is niet zorgvuldig rekening gehouden.’ De burgemeester ziet zich genoodzaakt (en lijkt er enig plezier in te scheppen) de publieke opinie te bespelen. Dat de angstaanjagende windmolens in zijn filmpje veel groter zijn dan ze er in werkelijkheid uit komen te zien geeft hij niet volmondig toe, maar lijkt hij ook niet problematisch te vinden. 'De windsector werkt net zo goed met overdrijving’, zegt hij. 'Ze komen met folders waarin meisjes staan te lachen, leuk uitgedost in een jurkje, met een klein molentje in de hand. Daarmee willen ze laten zien dat er niks aan de hand is. Ze zeggen bijna: als je goed kijkt zie je die molens niet eens. Maar dat is natuurlijk onzin.’
Dirk Louter, directeur van de stuurgroep Windmolenpark Noordoostpolder, betreurt het filmpje van de gemeente: 'Het is een manipulatie. Wij hebben onze visualisaties laten toetsen door de TU Delft en vinden het bijzonder jammer dat de gemeente geen gebruik wil maken van deze gevalideerde beelden. Je kunt het dan nog steeds oneens zijn, maar dan praat je tenminste over hetzelfde. Het zou de discussie verzakelijken.’

AAN ZAKELIJKHEID ontbreekt het vaak wanneer over windenergie, of de toekomst van onze energiehuishouding in het algemeen, wordt gesproken. Het ingewikkelde, technische debat laat zich makkelijk overstemmen door emotionele argumenten. Volgens Wouter van Dieren, die sinds de jaren zeventig voor duurzaamheid pleit, ontbreekt het in de huidige media-omgeving aan de juiste filters: 'In een systeem van waarheidsfiltering zal volgens Habermas’ wet van de communicatieve rede de intelligentie en de feitelijkheid het winnen van de meningen en de onzin. Het formidabele wetenschappelijke kennissysteem dat we over de eeuwen hebben opgebouwd, bewijst dat zijn theorie kan werken. Maar de laatste tien, vijftien jaar wordt dit kennissysteem ondergraven door een krank-zinnig circus van meningen en percepties waar geen systematiek meer in te vinden is.’
Windmolens zijn hier een toonbeeld van. Voorstanders bedienen zich graag van morele argumenten of doemscenario’s om ze te verdedigen, tegenstanders halen roestvaste maar vaak achterhaalde argumenten van stal om ze te veroordelen (zie kader). De Urkse burgemeester zegt dat hij zich buiten de 'nut- en noodzaak-discussie’ houdt, maar haalt tussen de regels door antiwindargumenten aan die in wezen niets te maken hebben met zijn hoofdzorg. De discussie in het vissersdorp gaat welbeschouwd niet om windenergie, maar om de landschappelijke inpassing van windmolens. De te plaatsen masten zijn met een lengte van 95 of 135 meter (in water of op land) veel hoger dan de molens die we kennen van langs de snelweg. De wieken reiken bijna 150 of tweehonderd meter de lucht in als ze verticaal over de masten zwaaien. Formidabele apparaten dus, die zowel aan de noord- als aan de zuidkant van het dorp zullen worden geplaatst en de Urkers een wanhopig 'waarom hier?’ doen verzuchten.
Rijkslandschapsarchitect Yttje Feddes vindt de acht molens aan de zuidkant een -ongelukkige ontwerpkeuze. Dit kleine rijtje wekt de indruk dat Urk wordt ingekapseld. 'Dat heeft een relatief groot negatief effect op de -omgeving. Ze staan ook te dicht bij het windpark in Oostelijk Flevoland. Maar de locatie van het grote windpark aan de noordkant is wel geschikt. Windmolens kunnen een verhaal vertellen over de ontginningsgeschiedenis van Nederland, de overwinningen op de zee markeren. In de bocht van de Noordoostpolder, boven Urk, doen ze dat’, zegt Feddes. 'De grote masten passen ook goed bij grootschalige lege landschappen, bij polders en bij havens. Een opstelling die is gekoppeld aan grote elementen kan heel mooi zijn.’ Minder mooi is het wanneer zonder overkoepelende plannen windmolens worden neergezet. Plukje hier, plukje daar. 'Als je de bouw van windmolens niet concentreert krijg je wildgroei: een verrommeld beeld waarmee je je eigen maatschappelijke weerstand organiseert. Je moet een paar goed afgewogen plekken kiezen voor windmolens, en de rest opruimen. Dat is veel logischer en neemt het gevoel van willekeur bij burgers weg’, aldus de rijkslandschapsarchitect.

DE OVERHEID heeft goede redenen om windenergie te ondersteunen. Olie wordt schaarser en duurder, fossiele brandstoffen hebben maatschappelijke nadelen - zoals co2-uitstoot en vervuiling - die niet volledig in de prijs zijn inbegrepen, en voor de rendabele energievoorziening van de toekomst zijn we niet graag afhankelijk van onwelgevallige regimes. Concreet telt nu vooral dat Nederland met de rest van Europa heeft afgesproken om in 2020 veertien procent van haar energie duurzaam op te wekken. Om dat doel te halen heeft de overheid alle duurzame elektriciteit nodig die ze kan vinden. Wind op land is een relatief goedkope vorm, en wordt nu dus verder uitontwikkeld. In 2020 wil het rijk zesduizend megawatt aan vermogen op land hebben staan, dat is drie keer zo veel als nu en goed voor ongeveer vijftien procent van het totale -elektriciteitsaanbod. Maar op de lange termijn zal wind op zee - waar het harder waait en waar geen mensen wonen - een grotere rol gaan spelen. Nederlandse bedrijven maken zich klaar om daaraan te verdienen. Dolf Elsevier van Griethuysen van Ballast Nedam, de bouwer die ook funderingen voor windmolens plaatst, ziet grote kansen voor zijn bedrijf: 'Bijna alle windmolens in zee staan op palen, een enkele staat op een driepoot. Van de duizend palen heeft Ballast Nedam er tweehonderd neergezet. Van Oord doet op dit gebied ook goed mee. Nederland heeft hier dus wel degelijk een vinger in de pap.’ Nederlandse bedrijven hebben ook expertise op het gebied van bekabeling, onderhoud, en projectontwikkeling. Alleen in de grootschalige bouw van windturbines kunnen we inmiddels niet meer concurreren met een land als Denemarken, dat hier consequent op heeft ingezet.
Minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (el&i) wekt stellig de indruk kansen voor wind op zee te zien en het hervonden industriebeleid hierop te richten. Tijdens een overleg met de vaste Kamercommissie el&i zei de minister dat hij 'wil inzetten op thema’s waarmee Nederlandse bedrijven kans hebben om in de top van de internationale markt mee te draaien. Dan zijn thema’s als biobased economy, waaronder biogas, intelligente netten en wind op zee.’ Verhagen nam in datzelfde overleg nadrukkelijk afstand van Mark Rutte’s verkiezingsoneliner dat wind-molens niet op wind draaien, maar op subsidie. 'Die kreet heeft u mij niet horen bezigen, dat is geen kabinetsbeleid.’ Ook belooft hij een green deal te sluiten met de samenleving, in Europa te praten over een kolen- en gasbelasting, en naast subsidies te komen met een aanvullend 'innovatie-instrumentarium’.
Maar concreet beleid of budget om deze plannen werkelijkheid te maken, heeft Verhagen nog niet gepresenteerd. Zijn nieuwe subsidie-regeling voor duurzame energie (sde+) is vooral een breuk met de vorige regeling, waarin nog geld werd vrijgemaakt voor wind op zee. Verhagen investeert daar nu niet in. Hij kiest ervoor om 'zo veel mogelijk meters te maken voor een zo gering mogelijke prijs’. Ook zonne-energie - voor een duurzame energievoorziening minstens even belangrijk als wind - valt voorlopig buiten de boot. Dat betekent niet dat de sector stilzit. Nederlandse bedrijven zijn ook in het buitenland actief en eisen hun deel van nieuwe projecten op. Op land gaan -initiatieven door, de overheid steunt nieuw onderzoek naar windenergie en het langetermijn-beleid houdt wel rekening met meer wind op zee. Maar door de jaren heen is de enige echte constante in het overheidsbeleid de inconsistentie, en dat berokkent de sector wel degelijk schade. Zo ziet Energiecentrum Nederland (ecn) zich door het wegvallen van een subsidie genoodzaakt een op de zeven werknemers te ontslaan, terwijl kennis-centra in het buitenland doorgroeien. In 2010 kwam er nauwelijks nieuwe windenergie bij. Toekomstscenario’s, patenten en vergunningen blijven volgens betrokkenen te vaak in de lade liggen. Of met dit beleid de aanzienlijke opgave van veertien procent duurzame energie in 2020 gehaald wordt, is dan ook te betwijfelen.

BIJ DE BUREN is de energie al een stuk groener; Nederland bungelt in Europa onderaan. En hoewel Engeland sinds kort laat zien dat rechtse politiek kan samengaan met het genereus subsidiëren van offshore wind, ergeren veel Nederlanders zich - met Mark Rutte in verkiezingstijd - aan het feit dat er überhaupt subsidies nodig zijn voor groene energie. Voorstanders uit de sector wijzen er graag op dat zij daarbij vergeten dat fossiele brandstoffen net zo goed 'gesubsidieerd’ worden met belastingvrijstellingen (kolen, kerosine), directe steun (kolenmijnen in Europa) en prijsgaranties. Door dit soort maatregelen is van een onpartijdige markt geen sprake. 'Alle energieprijzen zijn politiek bepaald’, vat Wouter van Dieren samen. 'Je kunt windenergie dus helemaal niet afwijzen op basis van het feit dat daar politieke prijsvorming plaatsvindt.’
Beter is het de subsidies in de sector te zien als kapitaalinvesteringen, vindt Van Dieren, en dat vereist een blik (en rekenmachine) op de lange termijn: 'Je schept waarde door duurzaam kapitaal neer te zetten. Je moet natuurlijk wel steeds afschrijven en vernieuwen, maar dit blijft heel iets anders dan investeren in een gasbel die opraakt.’ Investeringen in de duurzame sector kunnen bovendien duizenden banen opleveren, laten onderzoek en de ervaring in het buitenland zien. In de markt hangt dan ook een ronduit opgetogen sfeer over de kansen, zo blijkt uit gesprekken met verschillende betrokkenen. Maar zonder subsidies lukt het voorlopig niet. Reden voor grote spelers om hun subsidieverzoeken nu nadrukkelijk te omkleden met economische argumenten waarvan ze weten dat het huidige kabinet ervan gecharmeerd is. Ballast Nedam weet het bijvoorbeeld nog zo net niet met de aanschaf van een nieuw schip om windmolens te installeren. 'Als er in Nederland een heel negatieve stemming heerst rond deze markt, kan ik je het antwoord al geven’, zegt Elsevier van Griethuysen.
Hoewel een ruime meerderheid van alle Nederlanders voorstander is van windenergie is de stemming over duurzaamheid in het algemeen sterk gepolariseerd. 'Duurzaamheid is nu erg gecast in termen van goed en kwaad’, constateert Louise Fresco, hoogleraar duurzame ontwikkeling aan de Universiteit van Amsterdam. 'Als je iets doet wat niet duurzaam is, ben je slecht. En iedereen die duurzaamheid in het vaandel voert, is goed. Daardoor krijgt de discussie een extra emotionele lading. Het debat wordt steeds meer gevoerd met meningen, in plaats van feiten.’
Binnenkort spreekt Fresco over dit onderwerp de Kohnstammlezing uit. Ze stelt in de inleiding daarop dat 'emotie, irrationaliteit en afkeer van technologie een dialoog onmogelijk maken. Bij een mening is altijd wel een feit te vinden, en zo niet, dan brengt de opponent de wetenschap in diskrediet.’ Fresco vult aan dat de welhaast religieuze beleving van duurzaamheidsfanaten vooruitgang ook in de weg zit: 'Je moet dit onderwerp juist weghalen van die morele beleving en van “wee jouw gebeente als je niet duurzaam bent, dan gaan we straks met z'n allen ten onder”. Dat doemdenken wekt irritatie en staat rustige weloverwogen stappen naar innovatie in de weg.’
De nodige innovatie is namelijk ook zonder emotionele polarisatie al complex genoeg. Om een aantal factoren te noemen: een belangrijk deel van de energieopwekking van de toekomst gebeurt decentraal, wat betekent dat gevestigde belangen worden opgesplitst in heel veel kleine deelbelangen. De elektriciteitsopwekking verplaatst zich van een industrieterrein naar onze horizon en naar onze daken, en wordt zo weer een zichtbaar onderdeel van de samenleving. Bovendien worden we niet van één of enkele opwekkingsvormen afhankelijk, maar van een brede mix aan hernieuwbare bronnen. 'De elektriciteitsvoorziening van de toekomst wordt veel ingewikkelder en genuanceerder dan hij nu is’, zegt Gijs van Kuik van de TU Delft. 'Het is niet meer: centrales wekken op en klanten nemen af. Het wordt veel meer een tweerichtingssysteem waarbij mensen ook zelf energie opwekken. De hele ontwikkeling naar een smartgrid met alles wat daarbij hoort, roept heel veel vragen op. Het is een probleem op het kruispunt van politiek en wetenschap. Wie gaat dan waarover? Wie bepaalt wat? Dat is echt een heel ingewikkelde discussie.’
Geen twijfel: in theorie kan het. Recent onderzoek laat weer zien dat een duurzame elektriciteitsvoorziening in 2050 al mogelijk is. Willen dit soort onderzoeken meer zijn dan een papieren werkelijkheid, dan zal de wetenschap haar gezag in de samenleving opnieuw moeten verdienen en een nieuwe manier moeten vinden om zich te verhouden tot de meer wispelturige politiek. 'Nu weet ik niet zo gek veel van windenergie…’ begon onlangs een blog van een politicus van de Partij Vrij Almelo, ’… maar ik weet wel dat duurzame energie beter vertaald kan worden naar dure energie.’ Dit soort 'geïnformeerde ongeïnformeerdheid’ brengt ons terug bij de analyse van Van Dieren: dat het met het gelijkschakelende internet erg makkelijk is geworden om pseudo-wetenschappelijke meningen te verkondigen, of achterhaalde feiten te recyclen. Fresco beaamt dat, maar vult aan dat de wetenschap ook boter op haar hoofd heeft door te lang alleen maar vanuit een positie van gezag en autoriteit te reageren: 'Er moet een nieuw evenwicht in die dialoog tussen wetenschap en samenleving komen. Dat kan alleen gebaseerd zijn op vertrouwen. De wetenschap moet zich realiseren dat gezag niet iets is wat je hebt, maar wat je moet blijven verdienen. Je moet telkens laten zien wat werkt en wat niet werkt, en dat er ook wel degelijk vooruitgang is. We hebben al veel meer duurzaamheid dan in de jaren vijftig, zestig en zeventig, toen we nog allemaal nare chemicaliën in het milieu gooiden. Duurzaamheid is een kwestie van voortschrijdend inzicht, niet van magische oplossingen.’


De twistpunten

Windmolens zijn slecht nieuws voor vogels. Vogels kunnen in hun habitat gestoord worden door windparken. Soms vliegen ze zich te pletter tegen een wiek, vandaar het slechte imago van windmolens als 'gehaktmolens’. In werkelijkheid hangt het af van de locatie en het soort molen en in Nederland wordt bij de vergunning van een windpark rekening gehouden met de natuur. Vogels hebben nog altijd een grotere sterftekans door hoogspanningskabels of in het verkeer.

Windenergie kan niet in het huidige elektriciteitsnet worden ingepast. Onzin. Op het moment is er ruim voldoende flexibiliteit op het net. De TU Delft heeft becijferd dat zelfs bij 33 procent windenergie - zeven keer zo veel als nu - de elektriciteitsvoorziening betrouwbaar blijft. Wel zullen we ons elektriciteitsnet in toenemende mate moeten aanpassen om slimmer om te gaan met het variabele aanbod. Het aan elkaar knopen van elektriciteitsnetten in Europa kan uitkomst bieden: overschotten en tekorten kunnen dan internationaal verhandeld worden om het grootste nadeel van windenergie - dat het niet regelbaar is en nooit volledig te voorspellen - te verkleinen.

Windmolens maken fossiele centrales niet
overbodig. Conventionele centrales moeten bijspringen als de wind gaat liggen. In onze huidige voorziening zijn ze daarom nog niet overbodig. Het is voorlopig de variabele vraag naar elektriciteit die de inzet van conventionele centrales hoofdzakelijk bepaalt, niet het aanbod van duurzame opwekkers. Ook zonder wind moet er altijd een aanzienlijk reservevermogen meedraaien om storingen of onderhoud van conventionele centrales op te vangen.

Conventionele centrales werken minder efficiënt als ze rekening moeten houden met wind. Dat klopt. Met name kern- en kolencentrales zijn niet ontworpen om te functioneren in een flexibel systeem met wind en andere variabele opwekkers, en zullen daarin vaker in 'suboptimale deellast’ draaien. Gascentrales moeten vaker op- en afgeschakeld worden, wat ook gepaard gaat met efficiëntieverlies. Maar per saldo bespaart een windmolen aanzienlijk op het gebruik van fossiele brandstoffen, en dus ook op de co2-uitstoot. Bovendien is efficiëntieverlies in een transitieperiode naar een duurzame energievoorziening geen argument om die transitie te stoppen.
Het bouwen van een windmolen kost meer energie dan hij ooit oplevert. Onzin. Als onderhoud en verwijdering (na twintig jaar) worden meegerekend verdient een windturbine op land zichzelf binnen drie maanden tot een half jaar terug. Op zee kost het plaatsen en onderhouden van een windmolen meer energie, maar daar staat hardere wind tegenover.

Een handvol boeren, ontwikkelaars en elektriciteitsbedrijven verdient rijkelijk aan de subsidie voor windenergie. Een windmolen is een investering die geld kan opleveren maar ook risico’s met zich meebrengt. Wie energie levert, verdient een rendement van maximaal vijftien procent aan een product waar de samenleving profijt van heeft. Wie niet levert, krijgt ook geen subsidie.

Windmolens staan meer stil dan ze draaien. Moderne turbines beginnen al bij windkracht twee te draaien en energie op te wekken, doen dat gemiddeld zeventig procent van de tijd, en leveren steeds sneller op vol vermogen (vanaf windkracht zes of zeven). Een moderne turbine kan afhankelijk van de locatie (land of zee) tussen de twintig en 45 procent van de tijd op vol vermogen leveren en staat maximaal vijf procent van de tijd stil voor onderhoud of vanwege een defect.