Jonathan Robijn, De stad en de tijd

Grote roerganger

Jonathan Robijn, De stad en de tijd, € 19,90, e-book, € 12,99

Vanaf de eerste zin van het openingsverhaal van De stad en de tijd is het duidelijk: hier is een ouderwetse verhalenverteller aan het woord. ‘Toen Gustaaf De Geest de deuren van zijn parfumerie, gevestigd in een statig herenhuis op de Adolphe Maxlaan, die ochtend opende, had hij de indruk dat de wereldtentoonstelling zijn leven ondersteboven zou gooien en toch zou het nog meer dan twintig jaar duren voor hij besefte dat zijn voorgevoel hem niet had verraden.’

Het is zo’n zin waarvan je je afvraagt of die in het Engels, of in het Frans, niet wat fijnzinniger zou klinken, misschien wat literairder zelfs. Nu wordt alle informatie wel heel direct en krullerig in your face uitgemeten, en dat is even wennen. De persoonsnaam, het beroep, de tijdsaanduiding, de locatie, het historische moment, de vooruitblik, de emotie… Het is net allemaal te krampachtig, te netjes eigenlijk, in de eerste zin geperst. Debutant Jonathan Robijn, een Vlaming, schrijft met De stad en de tijd het type literatuur dat op je af komt als een heer met een hoge hoed. Sterker nog, als een heer die die hoed schielijk afneemt zodra hij je in het vizier heeft.

Nu weet ik niet zeker meer of er een proces van gewenning optreedt na zo’n veertig bladzijden, of dat echt het openingsverhaal, De indringer, achteraf gezien het meest zwakke verhaal is van deze verhalenroman. Feit is dat in het tweede verhaal, De saxofonist, het afgelopen is met de onhandige manier om geschiedenislesjes te verpakken. Nog steeds bevreemdt de uitgesponnen vertelwijze, de grote nadruk op handeling en decor, het duidelijk toewerken naar een ontknoping, maar ik begon dit nadrukkelijk-niet-vage proza steeds meer te waarderen als een vorm van onmodieuze vertel-lust die zijn nek uit durft te steken. Roald Dahl meets Thomas Rosenboom, en dat dan tegen de achtergrond van die film van Lasse Halström met Juliette Binoche en Johnny Depp, Chocolat. In concreto: licht sadisme paart zich sierlijk aan ouderwets geschmier met romantische brouwsels, van lustopwekkende parfums tot vredestichtende bonbons en troostende stamppotten met braadworst. Seks ligt voortdurend op de loer, zit verborgen in iedere regel, is de aanleiding voor elke wending, maar komt nergens met zoveel woorden aan het oppervlak. Een man vraagt zich af of hij wel iets te maken heeft met de zwangerschap van zijn vrouw. Een vrouw laat zich verleiden door een straatmuzikant. Een uiterst getalenteerde jonge pianiste laat zich bij een cruciaal optreden afleiden door een stalkende bewonderaar. Een hoge ambtenaar, geducht hoerenloper, ontdekt de speciale blik van zijn secretaresse. Een arts, ook al geducht hoerenloper, wordt geconfronteerd met de dochter uit een vroegere hartstochtelijke affaire. Dit alles zonder dat ook maar één keer ergens een geslachtsdeel uit de hoge hoed getoverd wordt, zelfs niet de suggestie ervan.

Kenmerkend voor de verhaaltrant is wat dat betreft Chocolade, waarin ex-bajesklant Marcus Homans, onschuldig veroordeeld voor de moord op een ‘aantrekkelijke’ vrouw, zijn overbuurvrouw by proxy bemint, namelijk via een verrekijker gericht op haar slaapkamer. Dit is wat hij dan ziet: ‘Vrijwel elke avond kwam ze om half zes thuis, ze schopte haar naaldhakken onder de zetel, trok onderweg naar de slaap­kamer haar kraakheldere blouse uit, wierp die in het voorbijgaan in de wasmand naast de deur van de badkamer, trok haar bh uit en legde die over de leuning van de zetel in de hoek van de slaapkamer, trok haar rok uit en ging gedurende minstens tien minuten halfnaakt op bed liggen.’ Zoveel plaatsaanduidingen – naast de deur van de badkamer, in de hoek van de slaapkamer – maar ondertussen blijft het raden naar die borsten. Waar Rosenboom het niet zou kunnen laten zijn held te ironiseren, gunt Robijn hem zijn visioenen en uiteindelijk een levensveranderend inzicht.

Een verhalenroman is dit dus, wat wil zeggen dat de constante factor in de verhalen de stad Brussel is, uitbundig en in detail opgevoerd met buurtaanduiding en straatnaam. Van eind jaren vijftig, toen het Atomium de knaller van de wereldtentoonstelling was, tot aan een denkbeeldig nu waarin een drukke metrolijn het doelwit wordt van een terroristische aanslag. Heel soms duikt een personage uit een eerder verhaal elders op, maar dat is dan juist weer heel subtiel gedaan.

Het slotverhaal, De bomaanslag, de apotheose waarin eventjes alles met een grote knal bijeen geharkt dreigde te worden, is wederom in zijn uitgeschrevenheid niet bepaald subtiel. En toch beviel het mij, zowel in zijn toonvastheid als – opnieuw – in zijn durf. Ik geloof zelfs dat ik een tamelijk geprononceerde zucht heb geslaakt toen ik de laatste regel had gelezen. De manier waarop de schrijver God en Allah met elkaar in gesprek laat zijn – ‘Allah rekte zich uit. Onschuldig? Las de Heer dan de kranten niet?’ – is van een hemeltergend humanisme, maar op geen enkele manier hoogdravend.

Het is in feite ouderwets lief wat de schrijver in zijn verhalen doet, zoals hij zelf voor grote roerganger speelt door het handelen van zijn personages te begeleiden met duidelijke motieven. ‘Hij was niet van plan zich zomaar te laten afschepen.’ ‘Ze wou enkel maar tonen dat ze ook in hem geïnteresseerd was.’ Lief zowel voor zijn personages als voor de lezer die krijgt wat hem in het begin van het verhaal in het vooruitzicht wordt gesteld. Je zou je kunnen afvragen of in die liefheid niet het verschil tussen lectuur en literatuur schuilt. Maar wie bedacht heeft dat literatuur moet tuchtigen, weet ik ook even niet meer.

Jonathan Robijn

De stad en de tijd

De Bezige Bij, 224 blz., € 19,90