Componist Klas Torstensson: «Muziek moet een soort beest zijn»

Grote stilten en brekend ijs

De Zweedse componist Klas Torstensson sloot met Self-portrait with Percussion een avondvullende instrumentale cyclus af. Volgende week speelt het Asko Ensemble de Nederlandse première.

Ik heb een primeur voor je», zegt Klas Torstensson (Nässjö, Zweden, 1951) in de smetteloos witte zolderwerkkamer van zijn huis in Haarlem. «Mijn opera De expeditie is genomineerd voor de Nordic Council Music Prize 2006.» Het zegt iets over het prestige dat Torstensson ook in de Scandinavische regionen geniet, en dat met De expeditie vooral in zijn geboorteland stevige impulsen kreeg. Het onderwerp, de tragische reis-met-dodelijke-afloop van drie Zweedse ballonvaarders naar de Noordpool, heeft in de vaderlandse geschiedenis van Zweden een prominente plaats. Ook in Nederland trok de opera – later uitgevoerd in Duitsland, Zweden en Noorwegen – bij de concertante première tijdens het Holland Festival 1999 veel aandacht, niet in de laatste plaats omdat het werk Torstenssons imago van weerbarstige hardcore-modernist zo drastisch op de proef stelde. Dat een componist van zulke ongenaakbare, soms gewelddadige muziek zich tot het operagenre had bekeerd was één; dat zijn onvermoede lyrische gaven zich bij vlagen in een onverbloemd tonale context openbaarden werd nog verrassender gevonden. Men sprak van Puccini, men sprak van Sibelius, men hoorde ervan op: «Na afloop zei een collega: dit kán helemaal niet.»

Klas Torstensson, die na zijn studies in Ingesund en Göteborg in 1973 naar Nederland kwam, is een van de twaalf Noord-Europese componisten die door de Nordic Council werden genomineerd voor de prijs, groot vijftigduizend euro, die in november in Kopenhagen wordt uitgereikt. Een halve ton, misschien wel genoeg voor een jaar werken, prachtig. Hij heeft het zijn Nederlandse muziekuitgever Donemus nog niet van de daken horen schreeuwen, constateert Torstensson laconiek. De publicitaire aandacht voor dit wapenfeit houdt inderdaad niet over.

Dan maar ander nieuws. Deze week gaat tijdens de Wittener Tage für neue Kammermusik het vijfde deel van Torstenssons Lantern Lectures in première; volgende week spelen soliste Peppie Wiersma en het Asko Ensemble het in Groningen en in het Amsterdamse Muziekgebouw. Volume V voor solopercussie en groot ensemble_,_ getiteld Self-portrait with Percussion, is het sluitstuk van een avondvullende cyclus ensemblewerken waarvoor Torstensson in opdracht van het Canadese Nouvel Ensemble Modern, het Asko Ensemble, Klangforum Wien, het Zweedse KammarensembleN, Klangforum Wien en Oslo Sinfonietta tussen 1999 en 2002 de delen I tot en met IV componeerde.

Het zijn vreemde, complexe stukken waarvan de spanningswerking niet zozeer wordt bepaald door de voor Torstensson kenmerkende contrasten tussen uitersten (hard-zacht, hoog-laag, glad-ruw) als wel door de extreme detailwerking van de muzikale textuur. De Lantern Lectures verbinden instinctieve drift met een hardnekkig essayistische bezinning op de plooibaarheid van het materiaal. Het zijn klinkende verslagen van processen: denkprocessen, klankprocessen, natuurkundige processen. Bètastukken, al reageert hij zelf hoogst ongemakkelijk op die kwalificatie: «Dit was misschien vroeger wel het beeld van mij, maar na De expeditie valt dat moeilijk vol te houden! Self-portrait gaat zelfs nog een stapje verder, zowel wat de lyriek en de melodiek als de toegankelijkheid betreft. Als je het stuk gehoord hebt, begrijp je wat ik bedoel.» Hoe het ook zij: alle Lectures zijn de compositorische naweeën van die ene opera waarin de natuur van Torstenssons jeugd – een jeugd van ijszeilen en schaatsen, van noorderlicht, van grote stilten en van brekend ijs – zo’n allesbepalende rol speelde. Als de natuur muziek was, klonk hij zo.

De Lantern Lectures «gaan» ook over de natuur, en dan niet zozeer over natuurlyriek als wel over de fysiologische aspecten: over de storingen die radiogolven ondervinden van het Noorderlicht (Lantern Lectures III) of over de bewegingscurve van gletsjermolens, roterende stenen in gletsjerijs. Deel II roept bij voortduring de associatie op met peristaltische bewegingen: exact organisch.

Self-portrait with Percussion is anders van opzet dan de zusterstukken. In de eerste plaats door de keus voor een soliste (Peppie Wiersma), en door de afwijkende vorm. De eerste vier Lantern Lectures zijn ééndelige werken, voorafgegaan door zogenaamde Brass Links (voor trompet, hoorn en tenorbastrombone), die ook als zelfstandige cyclus kunnen worden uitgevoerd. Self-portrait with Percussion heeft een negendelige opzet waarin de afzonderlijke delen via een drietal Processions met elkaar worden verbonden, «en waarvan de functie in het stuk vergelijkbaar is met die van de Brass Links in de andere stukken. Ze waarborgen de continuïteit. Het zijn schakelpunten, scharnierpunten. Ze zetten de teller weer op nul: een soort resetten.»

Verder wordt Volume V, anders dan de voorgaande Lectures, aangeduid als een zelfportret, zij het eerder in muzikale dan in psychologische zin. Het schetst de fysionomie van een muzikale identiteit die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw naast nog veel meer door slagwerkklanken werd gevormd: via de popmuziek van de Beatles, de Stones, Frank Zappa, via de avant-gardestukken van Varèse en Xenakis. Ook de herdersklokken van Mahlers Zesde en Zevende symfonie duiken op, naast onder meer woodblocks, gongs, marimba, buisklokken, vibrafoon, crotales, basdrum en triangels: de totale inventarisatie van het slagwerkinstrumentarium neemt in de inleiding bij de partituur twee volle pagina’s in beslag. «Het stuk gaat over hoe ik slagwerk, zoals ik het in diverse muziek heb gehoord, beleefd heb.»

Alleen de pauken ontbreken. «Dat is de enige wens van Peppie Wiersma waaraan ik niet tegemoet heb kunnen komen. Er was ook een praktische reden om ze weg te laten: ik heb in ensembleverband maar een beperkt oppervlak tot mijn beschikking, en die dingen nemen meteen zoveel vierkante meters in beslag. Bovendien refereer ik aan stijlen en idiomen waarin de pauk niet echt een plaats heeft.»

Over de oorsprong van die idiomen wil hij niet veel kwijt: «In een liederencyclus als In grosser Sehnsucht (2004) was dat makkelijker: daar kon ik uitleggen waar ik de woorden vandaan had. In de partituur heb ik zelfs een bronnenlijst laten opnemen. Dat had ik ook met Self-portrait kunnen doen, maar dat wil ik niet. Het moet geen zoekplaatje zijn. Waar de muziek aan refereert, dat is een vraag die het stuk zelf moet beantwoorden.

Ik heb me wel laten inspireren door bepaalde beelden. In het vijfde deel, Almglocken, zag ik Webern voor me. Hij rookt een sigaar op de veranda, met uitzicht op Mahlers alpenweiden. Het idee van hé, daar klopt iets niet. Maar ik heb geen anekdotisch stuk geschreven. Je moet met associaties zeer voorzichtig zijn. De twee tonale akkoorden in Lantern Lectures II staan voor een oneindig statisch iets, een voorstelling van rust en houvast in het leven. Maar dat soort metaforen vind ik buitengewoon riskant, ze geven een soort psychologische duiding waar ik alleen een beeld van leegte voor me zag.»

Hij laat zijn eerste schetsen voor Lantern Lectures V zien, op één A4’tje. Bovenaan een soort _led-_balk met verschillende kleuren voor de losse delen («rood is het agressiefst»); daaronder een grafiek voor de spanningsopbouw van deel naar deel; onderaan – opnieuw per deel – notities: karakteriseringen, instructies. «Dat zijn puur kanttekeningen, hoor, van die verbale protocollen die ik vroeger opschreef ben ik af. Ik ben nu zekerder van mijn zaak.» Wat vooral opvalt: dat in de hele schets geen notenbalk is te bekennen. Noten komen pas in de tweede fase, zij het nog niet toonhoogtegebonden: figuraties, maateenheden, «en statistische distributies van noten; wat moet de dichtheid zijn, hoeveel noten per maat». De tonen volgen pas in de laatste fase. Die zoekt hij dan op een elektrische piano bij elkaar zoals een wetenschapper theorieën toetst aan de werkelijkheid, «behalve als ik vocale muziek schrijf, want daar begint het toch met tonen».

«Dit is zoals ik sinds de jaren tachtig werk. Zo’n schets is een mengsel van voorspelling en voornemen. De verhoudingen zoals ik ze hier op papier heb uitgezet draag ik overigens nooit één op één op het stuk over. Het is geen mapping van het ene medium naar het andere, wat je zou krijgen als je de vorm van een stuk bijvoorbeeld zou laten bepalen door de plattegrond van een kathedraal, of door meetkundige verhoudingen. Idealiter hoort er geen verschil te bestaan tussen je concepten en gereedschap, respectievelijk wat de luisteraar hoort. Als je wilt dat een tweede deel langer is dan het eerste, moet je het drie keer zo lang maken voor de luisteraar het waarneemt.

Muziek is veel te belangrijk om op te hangen aan buitenmuzikale concepten. De vraag is meer: welke fysionomie wil je dat het beest krijgt? Want het moet een soort beest zijn. Dus zet ik spanningshoogten uit. Het stuk duurt veertig minuten; veertig minuten onder hoogspanning is niet vol te houden.»

Het zal duidelijk zijn dat uit de eenmalige operacomponist geen neoromanticus is gegroeid, van hanteerbare harmonische progressies of Puccini-melodiek ontbreekt in de Lantern Lectures elk spoor. Wat intussen niet wegneemt dat de thematiek van De expeditie een verstrekkend stempel heeft gedrukt op Torstenssons muzikale denken: «Ik vraag me wel eens af: hoe kom ik ooit van die opera los? Natuurlijk, het heeft te maken met mijn jeugd, met de clichés waarover ik zo vaak verteld heb: ijs, houthakken, de stilte, al die dingen. Die poolexpeditie is een metafoor: een van mijn drijfveren is het buitenlander zijn, het buitenstaander zijn. En daar maak ik in De expeditie muzikaal gebruik van door me terug te trekken in de stilte. Maar los daarvan heeft die opera zó’n enorm belangrijke functie gehad. Hij was een coming-out omdat ik tot die tijd de tonaliteit zo niet had afgezworen, dan wel probeerde te vermijden.»

Ik hoor hem helemaal niet tonaal. De tonaliteit komt in ‹De expeditie› meer op me over als ‹objet trouvé›, iets waarop je als bij toeval bent gestuit, een van de natuurverschijnselen die je hoort zoals je poollicht ziet.

«Maar het staat ook voor verbreding, ergens doorheen breken, jezelf iets toestaan. Met wat een rechtgeaarde lutheraan nooit doet: dingen toelaten die met onverdiend geluk te maken hebben. Misschien moet ik het gewoon accepteren, net als het feit dat ik in die Lantern Lectures eigenlijk zit na te genieten van De expeditie, dat ik zit te herkauwen. Misschien staat uiteindelijk je hele leven wel in het teken van de herinterpretatie van je vroegere werken. En verder beschouw ik mezelf nu meer als een componist in een traditie. Ik geniet ervan om een paar Mahler-akkoorden over vijf minuten uit te smeren.»

Klas Torstensson, Self-portrait with Percussion (Lantern Lectures, Volume V). Nederlandse première 7 mei, Groningen, Grand Theatre, 9 mei, Amsterdam, Muziekgebouw aan ’t IJ