Popmuziek: de trivialisering van een volwassen kunstvorm

Grote uitverkoop

«George Michael hekelt Blair en Bush», riepen de media vorige week. Een teken dat het engagement in de popmuziek is teruggekeerd? Niet echt. Eerder een kanttekening bij de trivialisering van de zogenaamd volwassen kunstvorm.

Noraly Beyer las het bericht in het NOS-Journaal voor met de urgentie van groot nieuws: George Michael heeft een politiek, satirisch lied uitgebracht! Hij neemt Bush op de hak, en vooral ook Blair, die hij afschildert als het slaafse schoothondje van de president!

Wat bleek: George Michael, de gearriveerde, 39-jarige zanger van discoachtige liefdesliedjes waarin melancholie en seksualiteit elkaar gewoonlijk afwisselen, maakte zich vóór 11 september al ernstig zorgen over de toestand in de wereld. De toenemende kans op oorlog en de groeiende kloof tussen de seculiere en fundamentalistische wereld hadden hem geïnspireerd tot de compositie van Shoot the Dog. En zie, na die bewuste datum voltrok zich wat Michael reeds vreesde: het Midden-Oosten brandt en Groot-Brittannië staat vooraan om zich aan de zijde van de Verenigde Staten in een riskante oorlog tegen allerlei assen van het kwaad te storten. Vandaag Afghanistan, morgen Irak en overmorgen zal «ons» Verenigd Koninkrijk (Michael noemt zichzelf een patriot) zelf aan de beurt zijn. George Michael kon dus niet langer zwijgen en het Journaal vond het feit dat een popmuzikant zich middels lied en clip engageert belangrijk genoeg om prominent te brengen.

Is de popmuzikant terug als factor van maatschappelijk belang? Herleven de tijden van artiesten die echt wat te zeggen hadden met en naast hun liedjes — mensen als Bob Dylan, John Lennon, Bob Marley, Bruce Springsteen, Stevie Wonder en U2? Lopen we binnenkort, «shoot the dog» scanderend achter George Michael aan, te hoop tegen nieuwe bommen op Bagdad?

Het is niet waarschijnlijk. Dat er tien maanden na dato dan toch nog iemand is opgestaan in de ooit zo revolutionaire popkringen om een tegendraads geluid te laten horen — dát is opmerkelijk. Want na 11 september bleef het in de popmuziek juist oorverdovend stil. Een beetje popster stond wel direct in de rij om mee te doen aan de benefietconcerten, waarvan enkele registraties op cd werden uitgebracht. Maar het waren verplicht klinkende bijdragen die noch bleven hangen, noch in de hitparade terechtkwamen. Er stond geen artiest van enige allure op om de wereld een troostrijke vertolking van haar woede, verdriet en ongeloof aan te bieden. Noch was er iemand die de popsong durfde gebruiken voor een bespiegeling op de daarop volgende oorlog tegen het terrorisme, een satire op moslimfundamentalisten of een weerslag van het leven in een vluchtelingenkamp — onderwerpen die in de jaren zestig en zeventig bij vlagen wél konden leiden tot indrukwekkende popstatements.

Moet je een dergelijke pretentie niet (meer) verwachten van de hedendaagse popmuziek? George Michael zelf voelt de bui al hangen. Op zijn website dekt hij zich bij voorbaat in door te roepen dat hij niet anti-Amerikaans is. Anti-Amerikaans — hoe zou hij kunnen? George heeft al zes jaar een relatie met dezelfde Texaan! En heus, hij is zich er heel goed van bewust dat de mensen er dezer dagen niet van houden als hun popmuziek wordt vermengd met politiek. De mensen moeten vooral lekker dansen op het nummer en dan eventueel nog een beetje nadenken. In de Britse pers voegde de multimiljonair-artiest er ernstig aan toe: «Dit is het grootste risico van mijn carrière.»

Hoewel laf is het niet geheel onbegrijpelijk. Want de hedendaagse popmuzikant bekommert zich inderdaad niet om het wereldtoneel, of überhaupt de wereld om hem heen. Hij «doet zijn ding», zoals de manager bij het overslagbedrijf of de ambtenaar op het ministerie. Het verschil is dat hij dat in het spotlicht doet en zich voordoet als de rebelse rockster die een sensationeel en gevaarlijk leven leidt. In elke nieuwe clip — de muziek doet er nauwelijks meer toe — demonstreert hij zijn steeds dikkere nek, zijn laatste tatoeages, zijn nieuwste juwelen. Hij omringt zich met de lekkerste wijven en verplaatst zich per glimmende bolide en privé-jet, nippend aan zijn Courvoisier of Hennessy. In zijn repertoire is hij zelf het centrale onderwerp. Opschepperij, schuttingtaal en het voor rotte vis uitmaken van omstanders zijn zijn sterke punten. En dat loont.

Wekelijks leiden net stemgerechtigde rocksterren de kijker van het MTV-programma The Crib rond in hun gloednieuwe, blinkende paleizen, om van elke ruimte trots te vertellen hoeveel duizenden, soms miljoenen dollars de wanstaltige inrichting heeft gekost. Wekelijks ook zitten miljoenen Amerikanen en Europeanen gekluisterd aan de succesvolste MTV-serie ooit: The Osbournes. Twaalf camera’s registreren het dagelijks leven in het huis van heavy metal-legende Ozzy Osbourne en zijn gezin. Geestelijk en fysiek aangetast door tientallen jaren excessief drank- en drugsgebruik valt de zelfbenoemde prins der duisternis regelmatig om, prevelt hij woorden zonder samenhang en vergeet hij waar hij is of wie hij voor zich heeft. Zijn vrouw runt de Osbourne BV, die het jaarlijkse metal-festival Ozzyfest organiseert. Jaaromzet: twintig miljoen dollar. En dan zijn er nog de kinderen Jack (16) en Kelly (17). Beiden dik, verwend, verveeld en talentloos, maar daardoor allerminst gehinderd. Hun carrière in de popmuziek verloopt vooralsnog voorspoedig. Jack fluistert zijn moeder in welke bands dit jaar weer mee moeten met het festival. Kelly heeft net een cover uitgebracht van Papa Don’t Preach. Madonna had in 1986 met dit uit het leven gegrepen lied over aanstaand tienermoederschap een grote hit. Als een nuffige punkette die alles al heeft gezien en meegemaakt, dreunt Kelly de woorden op, uitdrukkelijk geen moeite doend om de tekst invoelbaar te maken. Want zo reageren wij trouwe kijkers van The Osbournes: ha, ha, ze zingt dat ze zwanger is om Ozzy te stangen.

Wat popmuziek vroeger onder meer belangrijk maakte, was dat ze zich tegen de gevestigde orde keerde. Jongeren zetten zich af tegen volwassenen omdat ze geloofden in een betere, meer humane, meer sociale wereld. Maar inmiddels is de alomtegenwoordige popmuziek zélf de dominante cultuur geworden en doet de volwassene wanhopige pogingen zo lang mogelijk jong te lijken. Het engagement is verdwenen en overgebleven zijn precies die eigenschappen die de gemiddelde achttienjarige zo onverdraaglijk kunnen maken: egocentrisme, onvermogen tot zelfrelativering, gebrekkig gevoel voor humor dat weinig verder reikt dan leedvermaak, oppervlakkigheid en agressiviteit. En zo is het de gewoonste zaak van de wereld dat je op een zaterdagmiddag in de Kalverstraat bedolven wordt onder een bonkend spervuur van scheldkanonnades en zelfverheerlijking, terwijl de verkopers met effen gezichten de truitjes opvouwen.

Wonderlijk. In een tijd dat popsterren geen artiesten meer zijn maar ondernemers, zich geen nieuwe baanbrekende stromingen meer voordoen en popmuziek steeds platvloerser wordt, wordt pop ook steeds meer beschouwd als, om met de krant Trouw te spreken, «een serieuze kunstvorm». Elk zichzelf respecterend medium heeft zijn eigen recensierubriek en regelmatige popverhalen in de kunst- en cultuurbijlage. Het aantal popprofessoren aan de universiteiten groeit, het royaal gesubsidieerde Nederlands Pop Instituut beschouwt zichzelf als een belangrijke cultuurdrager.

Hoe kan dat? Waarschijnlijk omdat de voorvechters ervan opgroeiden in een tijd dat popmuziek, in elk geval voor een deel, wél maatschappelijk relevant en geëngageerd was.

«Ik heb mezelf nooit beschouwd als een redenaar of politicus, maar slechts als iemand die (…) een artiest kon worden met de mogelijkheid om uit te drukken wat hij voelt en hopelijk ook wat veel andere mensen voelen.» Zo begint het tekstvel bij Songs in the Key of Life, het dubbelalbum dat Stevie Wonder in 1976 op 26-jarige leeftijd uitbracht (opnieuw op cd in 2000). De nummers gaan zoal over liefde en het gebrek eraan, God, het leven in een achterbuurt, nostalgie, de vreugde die muziek biedt, het wonder van nieuw leven, onverschilligheid, discriminatie en schoonheid. Wonder componeerde, zong en speelde de 21 nummers grotendeels zelf. Het is een plaat met hits als I Wish, Isn’t She Lovely, As, Sir Duke en Village Ghetto Land. Een plaat die telkens herontdekt wordt en blijft verkopen. Het levenswerk van een «uomo universale», daarna niet meer geëvenaard. Wonder wist later ook voor elkaar te krijgen dat 21 januari officieel Martin Luther King-dag werd. Wat is er met dit soort artiesten gebeurd? Waarom bestaan ze niet meer?

Je hoeft geen fan van Stevie Wonder te zijn om je door zijn werk te realiseren dat de popsong inderdaad een geweldige kunstvorm kan zijn. Daarom is het sneu dat George Michael, die ooit samen met Mary J. Blige — de poor wo man’s versie van Aretha Franklin — een aardige cover van As opnam, en die het in het statement op zijn website heeft over «zoiets triviaals als een popsong», niet meer pretenties koestert. Shoot the Dog is dan ook een vlak discodeuntje, nogal gemakkelijk gebaseerd op Love Action van The Human League — een hit uit de jaren tachtig. Het zal er niet voor zorgen dat Tony Blair en George Bush eens goed bij zichzelf te rade gaan. Het is nu alweer bijna vergeten.