Advies aan de (in)formateur (15): Ellen van Selm

‘Grote vraagstukken oplossen? Kijk naar het platteland’

In de stad is altijd meer geïnvesteerd dan in buitengebieden. Maar op het platteland is veel meer ruimte voor innovatie bij urgente thema’s als de energietransitie of werkgelegenheid, weet Ellen van Selm, burgemeester van het Friese Opsterland.

Ellen van Selm – ‘Als je taken decentraliseert, moet het budget ook worden gedecentraliseerd’

De gasten op het terras van het monumentale herenhuis op landgoed Lauswolt zitten er tevreden bij. In de zachte najaarszon kijken ze uit over de tuin, de bossen en de golfbaan van de naastgelegen golf- en countryclub. Het is eind augustus en hier in het noorden van het land zijn de basisscholen weer begonnen. Vijfhonderd jaar geleden lieten Jan Janssen, de dorpsrechter en lakenhandelaar, en zijn broer Pieter op dit stuk grond in het hart van de Friese wouden twee herenboerderijen bouwen. De broers overleden, de familie stierf uit en het landgoed kwam in handen van een welgestelde familie uit het naastgelegen dorp Beetsterzwaag. In de loop van de negentiende eeuw werd het nagelaten aan Augustinus Lycklama à Nijeholt, telg van de familie en de zoon van de burgemeester van de gemeente Opsterland, waar ook Beetsterzwaag toe behoorde.

Het idyllische dorp, gebouwd op zandgrond, was al uitgegroeid tot geliefde bestemming voor adellijke families uit de regio en uit andere delen van het land. Aan de westkant van het dorp werd in 1821 het imposante Huyze Lyndenstein gebouwd, waar de familie Van Lynden de zomermaanden doorbracht en een deel van de kunstcollectie bewaarde. Aan de andere kant van het dorp bouwde de Friese baron Van Harinxma thoe Slooten, plaatsvervangend kantonrechter, zijn statige Harinxmastate.

Lauswolt, dat recht tegenover Harinxmastate ligt, kon niet achterblijven. Toen kleinzoon Augustinus eigenaar werd van het landgoed, ging ook hij aan de slag. Dicht bij de weg liet hij een buitenhuis bouwen, met daarachter een riante tuin in Engelse landschapsstijl en een eigen schietbaan. Nu, honderdvijftig jaar later, is de schietbaan verdwenen maar staat het huis nog fier overeind. Sinds de jaren vijftig van deze eeuw is het een luxehotel, tegenwoordig voorzien van een restaurant met Michelinster.

Het is een van de vele monumenten die herinneren aan het rijke verleden van dit kleine Friese dorp, dat ook wel bekendstaat als het Wassenaar van het noorden. Rutger Hauer woonde tot zijn dood in de oude boerderij aan de andere kant van Lauswolt, voormalig vvd-minister en senator Loek Hermans woonde er vele jaren. Zijn dochter Sophie, sinds dit voorjaar fractievoorzitter van de vvd in de Tweede Kamer, groeide er op. Deze connectie was de reden dat de onderhandelaars voor het kabinet-Balkenende IV zich in januari 2007 terugtrokken in het koetshuis van Lauswolt om de vastgelopen formatie vlot te trekken.

‘Het is hier prachtig’, beaamt burgemeester Ellen van Selm van de gemeente Opsterland. Ze is gewend aan de verbazing van bezoekers die het dorp misschien vaag kennen van naam of van het bord van afslag 28 van de A7, maar die er nooit eerder zijn geweest. ‘Ik krijg ook regelmatig de vraag van journalisten of ik ze hier vervallen huizen kan laten zien’, vertelt ze. ‘Maar daarvoor is dit niet de juiste plek.’ Van Selm zit aan een vergadertafel in haar kamer op het gemeentehuis in de hoofdstraat van Beetsterzwaag. Het is de voormalige salon van het monumentale Andreaehuis uit de bloeitijd van het dorp aan het begin van de negentiende eeuw. Op tafel staan wit-porseleinen kopjes, een kan koffie en heet water voor de thee.

De vraag naar voorbeelden van verval en teloorgang komen niet zomaar bij haar terecht. Als voorzitter van de vereniging van plattelandsgemeenten P10, waar inmiddels 29 gemeenten bij zijn aangesloten, voert ze een stevige lobby om meer aandacht af te dwingen voor het platteland. Sinds haar aanstelling als burgemeester in 2014 verbaast ze zich over het feit dat er in Den Haag zoveel wordt gesproken over de problemen en mogelijkheden in de steden en zo weinig over de dingen die zich erbuiten afspelen. ‘Waarom is er wel een Agenda Stad en geen Agenda Platteland?’ vroeg ze zich af.

Na een intensief jaar van brainstormen en het smeden van samenwerkingen werd die agenda daarom afgelopen maart gepresenteerd. Van Selm legt de folder met daarop de tien geselecteerde punten op tafel. Ze zijn onderverdeeld in de thema’s leefbaar, sociaal en duurzaam platteland. ‘Het hadden veel meer punten kunnen zijn’, zegt ze. ‘Maar tien punten past wel mooi bij de P10.’ Als doorgewinterde politica met een feilloos gevoel voor het politieke spel weet ze dat dit de details zijn waar je op moet letten om verschil te maken.

Zoals ook de toon van de agenda cruciaal kan zijn. Van Selm koos er samen met haar collega-bestuurders en leden voor om geen klaagzang te schrijven maar een energiek pamflet waarin vooral wordt gewezen op de mogelijkheden die het platteland biedt. Om het de beleidsmakers, Kamerleden en bewindslieden in Den Haag makkelijk te maken bestaat de agenda uit tien zeer concrete voorstellen voor beleidsaanpassingen. De P10 pleit onder andere voor een volkshuisvestingsfonds voor het aanpassen en waar nodig uitbreiden van de bestaande woningvoorraad, het bereikbaar houden van zorg, gericht subregionaal arbeidsmarktbeleid om jongeren te behouden in de streek, het faciliteren van de energietransitie en een toerismecampagne. ‘Je moet niet blijven hangen in het nostalgische beeld van het platteland, maar op zoek naar het platteland van de toekomst’, aldus de burgemeester.

Om te voorkomen dat het document ongemerkt in een la verdwijnt, sloot Van Selm voorafgaand aan de presentatie slimme strategische partnerschappen. Commissaris van de koning in Drenthe Jetta Klijnsma, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de ministeries van Binnenlandse Zaken en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen ondersteunen de agenda.

‘Waarom is er in Den Haag wel een Agenda Stad en geen Agenda Platteland?’

Het florerende Beetsterzwaag, met zijn rijke historie en de ideale ligging aan de A7, op rijafstand van Groningen, Leeuwarden, Zwolle en de Randstad, past niet in het beeld van verval en teloorgang dat heerst als het gaat over het platteland. Hier wonen veel forensen met goede banen in de stad. Maar in Nij Beets, aan de andere kant van de snelweg, ook onderdeel van haar gemeente Opsterland is het een ander verhaal. ‘Dit is een gemeente met twee gezichten’, zegt Van Selm. ‘Aan de oostkant, op het zand, wonen van oudsher de herenboeren. Aan de westkant is het veengrond en wonen van oudsher de veenarbeiders.’ Een museum in Nij Beets herinnert aan de erbarmelijke omstandigheden waarin de mensen er honderd jaar geleden woonden. Het dorp behoorde lang tot de armste plekken van het land en nog steeds is de situatie aanzienlijk minder rooskleurig dan op de zandgronden.

Die twee gezichten zijn in alle plattelandsgemeenten terug te vinden, zoals ook iedere stad rijke en arme buurten heeft en kansarme en kansrijke inwoners herbergt. Iedere regio en de meeste gemeenten hebben dorpen waar de lokale welvaart zich concentreert. Het zijn vaak de mooiste dorpen met de rijkste historie die nu nog steeds het aantrekkelijkst zijn voor inwoners uit de regio. Hier houden de winkels, scholen en sportverenigingen stand, vestigen zich de huishoudens met de hoogste inkomens en is er voldoende kapitaal aanwezig om woningen op te knappen en uit te breiden.

Het succes van deze dorpen gaat door de leegloop van het platteland ten koste van nabijgelegen dorpen, waar de welvarendste mensen wegtrekken, voorzieningen verdwijnen, panden leeg komen te staan en de overgebleven bewoners vaak niet het kapitaal hebben om hun woning op te knappen. Zoals de ene stad nu floreert en de andere worstelt, zo is er ook een verschil tussen het ene plattelandsdorp en het andere. In Beetsterzwaag is het gemiddelde inkomen bijna 28.000 euro per persoon en is 38 procent van de inwoners hoogopgeleid. In het voormalige veendorp Tijnje aan de andere kant van de snelweg is het gemiddelde inkomen ruim 23.000 euro per persoon en is 25 procent hoogopgeleid.

Als voorzitter van de P10 gaat Van Selm daarom niet mee in het eenzijdige verhaal over de kloof tussen stad en land. Ze wil juist benadrukken dat stad en land altijd nauw met elkaar verbonden zijn geweest en dat een vitale stad en een vitaal platteland van elkaar kunnen profiteren. Het platteland is geen troosteloos gebied, maar biedt volop mogelijkheden om de uitdagingen waar Nederland voor staat op te lossen, aldus Van Selm.

Die boodschap draagt ze uit zonder te verhullen dat er wel degelijk problemen zijn die specifiek spelen in een flink deel van de plattelandsgemeenten: een vergrijzende en (op den duur) krimpende bevolking, voorzieningen die verdwijnen of onder druk staan, toenemende reisafstanden, boeren die worden geconfronteerd met de pijnlijke transitie naar een duurzaam model, jongeren die wegtrekken en slechte digitale bereikbaarheid. Als voorbeeld noemt ze Jonkerslân in haar eigen gemeenten, waar scholieren tot kort geleden naar de McDonald’s moesten om hun huiswerk te kunnen mailen. ‘Het was een witte vlek op de kaart. Je had er nergens in het dorp mobiel bereik omdat geen enkele telefoonaanbieder het de moeite waard vond om er een mast te plaatsen.’

Na een stevige lobby vanuit de dorpsgemeenschap legde kpn in 2018 een glasvezelnet aan in Jonkerslân. Door de inzet van de provincie, de gemeente en betrokken bewoners werden ook de andere buitengebieden in Opsterland voorzien van snel internet. Alle ‘witte vlekken’ in de gemeente verdwenen. Bovendien maakt de aanleg van het glasvezelnet Opsterland aantrekkelijker voor bedrijven en kleine ondernemers. Maar dat geldt nog niet voor dorpen en buitengebieden in andere delen van het land. Nog steeds zijn er duizenden huishoudens en bedrijven digitaal niet bereikbaar. Vooral in Gelderland, het noorden van Limburg en in delen van de provincie Groningen zijn nog verschillende plekken waar geen mobiel bereik is en ook nog geen glasvezel is aangelegd.

Het betekent dat daar geen toegang is tot online onderwijs, online werken, online bankieren, online bestellen of online zorg. Bovendien is het voor bedrijven en kleine ondernemers nagenoeg onmogelijk om zich op deze plekken te vestigen. Het is veelzeggend dat er in Den Haag lang nauwelijks aandacht voor is geweest. Het geloof in het succes van de stad was zo groot dat er over de hele politieke breedte een consensus ontstond dat investeren in verdere ontwikkeling van de stad relevanter was dan investeren in de buitengebieden. Zelfs het cda, traditioneel de partij van boeren en buitenlui, ging grotendeels mee in de euforie over de stad als kloppend hart van de BV Nederland.

Deze politieke afwezigheid heeft gezorgd voor veel onvrede en wantrouwen bij plattelandsbewoners die zagen hoe het geld en de aandacht naar de Randstad en de Brainportregio gingen, terwijl zij hun scholen, supermarkten en ziekenhuizen zagen verdwijnen. Misschien is het geen toeval dat het nu een stadskind van d66 is dat de kar trekt. Van Selm groeide op in Lelystad als kind van idealistische en maatschappelijk betrokken ouders, studeerde in Wageningen, woonde met haar man in een afgelegen berggebied van Pakistan, in Rome en Rotterdam voordat ze terugkeerde naar Lelystad, waar haar eigen kinderen ook opgroeiden. Na een periode in de gemeenteraad werd ze door het ministerie van Binnenlandse Zaken gescout als potentieel burgemeester. Toen de positie in Opsterland vrij kwam, wist ze dat het tijd was om te gaan.

‘Net als veel andere plattelandsgemeenten passen de eigenschappen van deze streek heel goed bij de netwerksamenleving die we zijn geworden’, zegt ze. ‘Er is een sterke gemeenschapszin, er is ondernemerschap en mensen zijn het gewend om dingen zelf te regelen. Je moet het met elkaar doen. Dat gevoel leeft heel sterk.’ Juist nu de overheid zich heeft teruggetrokken en voorzieningen door privatisering en marktwerking onder druk staan, ziet ze hoe de kracht van de gemeenschap kan zorgen voor oplossingen. Er ontstaan coöperatieve supermarkten, energiecoöperaties, zorgcoöperaties, muziekverenigingen, boekenclubs en initiatieven vanuit de gemeenschap om de sporthal of de school open te kunnen houden.

‘Mensen hier zijn het gewend om dingen zelf te regelen en het met elkaar te doen’

Zoals in het kleine dorp Tijnje, waar de gymzaal annex sporthal dreigde te verdwijnen. ‘De bewoners hebben er jaren aan gewerkt om die open te kunnen houden’, zegt Van Selm. De kinderen zouden in een ander dorp moeten sporten en dat zou grote invloed hebben op de leefbaarheid van Tijnje. Zeker omdat het schoolgebouw en het dorpshuis ook ernstig waren verouderd. Bewoners stelden verschillende werkgroepen in en na jaren van praten, lobbyen en sleuren kregen ze steun voor een nieuwe multifunctionele accommodatie met daarin plek voor de twee basisscholen, het dorpshuis en de gymzaal.

Hoewel ze er als burgemeester zelf voor verantwoordelijk was dat er geen budget werd vrijgemaakt voor een nieuwe gymzaal, vertelt ze met trots over het doorzettingsvermogen van de gemeenschap. In haar eigen gemeente voert ze bewust beleid om die kracht aan te boren, optimaal te benutten en te ondersteunen. Het is ook een van de pijlers van de Agenda Platteland. Zo wordt er voorgesteld om meer ruimte te geven aan bewoners, agrariërs en andere ondernemers in plattelandsgebieden om te experimenteren met klimaatadaptie. Het huidige beleid voor klimaatadaptatie is vooral gericht op waterafvoer, opslag en waterstanden, maar dat houdt werkelijke innovatie tegen. De beschikbare budgetten gaan naar de instanties die daarvoor verantwoordelijk zijn en niet naar bijvoorbeeld boeren die graag de omslag willen maken naar klimaatadaptieve landbouw of bewoners die met experimentele projecten een bijdrage willen leveren aan het vinden van oplossingen.

‘Op het platteland is veel ruimte voor innovatie terwijl die in de stad vaak ontbreekt’, zegt Van Selm. ‘Wij zeggen ook heel nadrukkelijk dat het platteland de ruimte biedt voor het oplossen van de grote vraagstukken in dit land.’ Dat geldt ook voor de energietransitie, die in de buitengebieden volop onderweg is door de opkomst van energiecoöperaties. Nederland telt meer dan zeshonderd energiecoöperaties, die duurzame energie leveren aan hun leden, deels opgewekt door zonnepanelen en deels door windturbines. Sommige coöperaties leggen zelf de turbines of panelen aan, anderen kopen energie in bij andere coöperaties in de buurt. De tarieven zijn lager dan bij de grote marktpartijen en het geld dat wordt verdiend blijft in de regio, bij de coöperatieleden. Met het geld dat wordt verdiend kunnen nieuwe panelen of turbines worden aangelegd of kunnen andere buurtinitiatieven worden ondersteund.

In Opsterland zijn verschillende coöperaties actief en wordt in de dorpen hard gewerkt aan de aanleg van panelen op daken en in sommige gevallen in grote velden. Voor de aanleg van windmolens gelden in Friesland strenge regels. Wijnjewoude Energie Neutraal heeft de ambitie om het hele dorp in 2025 energieneutraal te maken. Met de productie van groengas uit koeienmest uit het eigen dorp zouden alle woningen voorzien kunnen worden van gas. Zonnepanelen op daken van verschillende huizen, bedrijven en andere gebouwen plus de aanleg van een klein zonnepark en in de toekomst mogelijk een aantal kleine windmolens zijn genoeg voor alle benodigde elektriciteit. Wat overblijft kan worden verkocht aan leden uit andere dorpen in de regio. De coöperatie zorgt niet alleen voor duurzame energie, maar ook voor een sterk gevoel van betrokkenheid en gemeenschapszin. Ieder lid is welkom bij de vergaderingen. Elders in de gemeente zijn het relatief grote leco-energie, Krigel Nij Beets, Griene Mienskip Fryske Peallen en Duurzaam Bakkeveen actief.

Daarmee loopt Opsterland voorop in de ontwikkeling. De gemeente ondersteunt actief met kennis, informatie en enthousiasme en dat is geen overbodige luxe. ‘Het landelijke beleid is gericht op het faciliteren van grote marktpartijen’, aldus Van Selm. ‘Dat maakt het lastiger voor coöperaties om daartegen op te boksen. De huidige Warmtewet is helemaal gericht op langlopende contracten met aanbieders die tegen bodemprijzen energie inkopen, ergens in Europa. Maar je hebt nu juist wetgeving nodig die coöperaties ondersteunt en beschermt.’ Ze verzet zich ook tegen het breed gedragen idee dat bottom-up initiatieven ‘opschaalbaar’ moeten zijn. Die gedachte gaat uit van groei als ultiem doel, terwijl juist de kleinschaligheid ervoor zorgt dat de bewoners zich eigenaar voelen. ‘Je wil niet dat de grote commerciële bedrijven eigenaar worden van de projecten om er alsnog met de winst vandoor te gaan.’

Ze noemt een ander concreet voorbeeld van regelgeving die onbedoeld voor problemen zorgt. In een Zeeuwse gemeente sloot de laatste basisschool de deuren waardoor kinderen in een ander dorp naar school moeten. Ouders kochten gezamenlijk een busje waarmee ze om beurten de kinderen brengen en ophalen. Het leek logisch om het busje op andere momenten ook te gebruiken om de ouderen uit het dorp naar het zwembad te brengen. ‘Maar dat mag niet van de verzekering’, vertelt Van Selm. ‘Voor ouderen gelden andere regels dan voor kinderen. Misschien is dat terecht, maar misschien ook niet. Dat is een discussie die je met elkaar aan moet gaan. Welke risico’s aanvaard je als samenleving om nieuwe mogelijkheden te creëren?’

Het huidige kabinet doorbrak de politieke stilte rond de toekomst van het platteland met de invoering van RegioDeals. Met concrete plannen voor het vergroten van de (brede) welvaart binnen de regio kan geld worden aangevraagd in Den Haag. Op veel plekken in het land leidt dat nu al tot nieuwe projecten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, innovatie, duurzaamheid en andere urgente thema’s. Op de vraag of ze blij is met die RegioDeals, antwoordt Van Selm met enige aarzeling. ‘Het is goed dat we door de RegioDeals nu precies weten wat de opgaven zijn in iedere regio en wat er moet gebeuren. Maar het geld dat ze krijgen is incidenteel, terwijl het gaat om structurele opgaven.’ Kortom: er moet structureel meer geld naar de regio. ‘Dat lijkt me ook een logisch gevolg van de decentralisaties. Als je taken decentraliseert, moet het budget ook worden gedecentraliseerd. Maar ook de kennis en de mankracht.’

Op de ministeries en planbureaus in Den Haag barst het nu van de ambtenaren en onderzoeksprojecten, terwijl gemeenten en regio’s vaak smachten om meer mankracht en expertise. In het verleden was er een uitgebreid netwerk van gemeentelijke, regionale en provinciale planbureaus, maar daarvan zijn er nog maar een paar over, zoals het Fries Sociaal Planbureau. Zij hebben heel specifieke kennis waar de verschillende regio’s en gemeenten in de provincie hun beleid op kunnen baseren. Die kennis is er, ondanks alle goede bedoelingen, niet in Den Haag. ‘Misschien is dat wel het grootste voordeel van de RegioDeals’, zegt Van Selm. ‘Dat ambtenaren uit Den Haag nu regelmatig naar de regio komen en zien dat hier ook van alles gebeurt.’

Advies aan de (in)formateur

Deze weken laat De Groene onafhankelijke deskundigen aan het woord. Welke stappen moeten op hun terrein in de komende vier jaar worden gezet? Wat moet er in het regeerakkoord komen?