Grote woorden

Telkens als ik werk lees van schrijvers uit het voormalig Oostblok valt me op dat er in de wijze waarop zij formuleren iets doorklinkt van de totalitaire denktrant waarmee ze zijn opgevoed. Niet in wát ze zeggen, want de schrijvers die we hier uit die contreien lezen zijn ballingen of speelden een rol in de revoluties die in dat deel van de wereld hebben plaatsgevonden en hebben daarvoor niet zelden een hoge prijs moeten betalen. Maar wel in hóe ze het zeggen. Er zit altijd iets apodictisch in hun uitspraken, en ze hebben een voorliefde voor het aforisme. Konrád heeft het, Kundera heeft het, Solzjenitsyn niet te vergeten, maar ook Joseph Brodsky. Zelfs waar deze en andere schrijvers hun twijfel aan elke waarheid formuleren, zich uitspreken tegen elk totalitarisme, doen ze dat op een toon die geen werkelijke twijfel verraadt en die zo toch een totalitaire denkstructuur blootlegt.

Ik wil dat niet veroordelen, maar het irriteert me wel. Als ik in Het verdriet en de rede van Brodsky - de tweede dikke essaybundel na Tussen iemand en niemand uit 1987 - telkens maar weer lees hoe Brodsky waarschuwt tegen het zwaaiende wijsvingertje, vind ik het zelfs wat ridicuul worden, want Brodsky zelf steekt dat vingertje voortdurend op. En waar hij het niet doet, vervalt hij onmiddellijk in cynisme.
Zo staan er in Het verdriet en de rede twee min of meer ‘feestelijke’ redes die hij voor een gehoor van afgestudeerden heeft gehouden, Beide zijn een staaltje van Publikumsbeschimpfung: de afgestudeerden worden toegesproken alsof zij zojuist niet meer dan de hamburgeracademie hebben doorlopen en ook nooit boven het peil van de McDonald’s-beschaving zullen uitstijgen.
Het gaat er niet om dat Brodsky voor het merendeel van deze graduates nog wel eens gelijk zou kunnen hebben. Het gaat erom dat een dergelijk hooghartig cynisme diametraal staat tegenover alles wat Brodsky in wezen voorstaat, en waarover hij veel beter, met liefde, had kunnen spreken. Brodsky heeft zo zijn overtuigingen, zijn eigen, persoonlijke waarheden, bijvoorbeeld dat poëzie - bij uitbreiding: literatuur - 'geen vorm van amusement en in zekere zin ook geen vorm van kunst is, maar ons antropologisch, genetisch doel, ons linguïstisch, evolutionair baken’.
'Wat ik vrees’, schrijft hij, 'is dat een mens die zich niet kan uiten, zich niet adequaat kan uitdrukken, in daden vervalt. Aangezien het vocabulair van de daad zich als het ware beperkt tot het lichaam, zullen die daden al snel gewelddaden zijn en breidt het vocabulaire zich uit met een wapen in plaats van een adjectief.’ Onze wereld zou er anders uitzien als wij onze leiders zouden kiezen op grond van hun belezenheid in plaats van hun politieke programma’s, zegt hij ook ergens.
Dat zijn grote, haast onrealistische woorden, maar toch is het deze overtuiging die het lezen van Brodsky de moeite waard maakt, zeker wanneer hij bijvoorbeeld aan de hand van het werk van Robert Frost of Thomas Hardy laat zien wat het lezen van die poëzie op dit punt oplevert, laat zien waarom esthetiek aan ethiek voorafgaat. Het is een overtuiging die hij in zijn essays helaas te vaak als een algemene waarheid verkondigt, op nu juist een ethische toon, zodat gelijkhebberigheid en de daarmee verbonden tegenkant: het cynisme, ruim baan krijgen waar een meer belangeloos uitspreken van zijn overtuiging sterker had gewerkt. In veel opzichten vervreemdt hij zo zelfs diegenen van hem die níet van hamburgers houden.