Grote woorden klein maken

26 september 2008 - Gerrit Kouwenaars werk is één grote oefening in het ontdramatiseren van de zwaarste thema’s. Bij de presentatie van vallende stilte, dat verscheen ter gelegenheid van Kouwenaars 85ste verjaardag en dat werk bevat uit zijn gehele oeuvre, sprak Cyrille Offermans onderstaande woorden.

Medium kouw

Er zijn kunstenaars die al op zeer jonge leeftijd blijk geven van een opmerkelijke, bijna volwassen creativiteit. Iedereen kent de namen: Mozart, Mendelssohn, Schubert. Het zijn opvallend vaak componisten voor wie dat geldt, bij schrijvers is het jeugdige genie, het wonderkind zei men vroeger, veel zeldzamer. Misschien is het toch zo dat een literair meesterwerk meer emotionele en intellectuele volwassenheid, meer levenservaring, vereist dan een briljant vioolconcert of strijkkwartet.

Maar natuurlijk, er zijn uitzonderingen: Rimbaud was 22 toen hij zijn poëtisch oeuvre voltooid achtte en in Harderwijk inscheepte voor het Knil; Gorter schreef Mei op zijn 24- of 25ste, Verzen een jaar later, alles wat daarna kwam was minder; en Elias Canetti, om ook een prozaïst te noemen, voltooide zijn grote roman Die Blendung op zijn 29ste, en daarmee was hij als romancier ook meteen uitgeput.

Daarnaast zijn er kunstenaars die zich heel anders ontwikkelen, die pas op rijpere leeftijd en soms zelfs pas in hun laatste levensfase hun beste werk afleveren. Ik denk aan Hölderlin, aan Goya, aan Beethoven, scheppers van zo’n verbijsterend Spätwerk dat tijdgenoten hen voor half of helemaal waanzinnig hielden. Nu wil ik zeker niet suggereren dat ook de late poëzie van Gerrit Kouwenaar het werk van een waanzinnige lijkt, het tegendeel is eerder het geval, maar evident is wel dat hij tot de categorie Beethoven behoort. Zijn indrukwekkendste werk maakte hij op hogere leeftijd.

Ik zeg dat natuurlijk allereerst op grond van mijn eigen leeservaring. Ik volg het werk van Kouwenaar vanaf de late jaren zestig. De eerste bundels die ik van hem kocht waren autopsie/anoniem (1965), bij De Slegte, en landschappen en andere gebeurtenissen (in 1974, bij verschijnen in de reguliere boekhandel). Laatstgenoemde bundel bevat de sublieme reeks over de Russische dichter Sergey Yessenin, of liever: de reeks naar aanleiding van een foto waarop de dode dichter op zijn sterfbed ligt. Dat was de eerste Kouwenaar-poëzie waarvan ik zeer onder de indruk was, de eerste ook waarin Kouwenaar het spel met de scherpste tegenstellingen – wit/zwart, liggen/opstaan, passiviteit/activiteit, dood/leven – op het hoogste niveau speelt. Naar mijn overtuiging is zijn poëzie sindsdien alleen nog maar sterker en veelzeggender geworden.

Daarin blijk ik niet alleen te staan. vallende stilte bewijst dat Kouwenaar, in samenspraak met René Puthaar, ongeveer tot dezelfde conclusie moet zijn gekomen. Het boek bevat verhoudingsgewijs veel meer werk uit de laatste drie decennia dan uit de eerste drie. In cijfers: de verzamelbundel gedichten 1948-1978 telt bijna zeshonderd pagina’s, in vallende stilte is dat aantal teruggebracht tot 170. Het werk uit die tweede periode, dus van na 1978, is sowieso veel minder omvangrijk, het telt nog geen 190 bladzijden. Maar daarvan staan er plusminus honderd in vallende stilte. Prachtbundels als een geur van verbrande veren (1991), de tijd staat open (1996), totaal witte kamer (2003) en het bezit van een ruïne (2005) zijn weliswaar niet integraal maar wel grotendeels opgenomen.

A.L. Sötemann, een van de Kouwenaar-interpreten van het eerste uur, heeft wel eens gezegd dat de dichter zijn eigen stem had gevonden in de bundel de stem op de 3de etage, dus in de jaren voor 1960. Maar dat tijdstip moet naar mijn gevoel dus minimaal tien en misschien zelfs vijftien jaar naar achteren worden verschoven. Het programmatische het gedicht als een ding – een gedicht dat aanleiding heeft gegeven tot dramatische, sindsdien welhaast gecanoniseerde misverstanden over de aard van Kouwenaars poëzie – dat gedicht staat weliswaar in zonder namen uit 1962, maar pas veel later komt er een definitief einde aan de gedichten met een poëtisch niet altijd helemaal verwerkte wereld- en levensbeschouwelijke inslag.

Natuurlijk, ook in die eerste decennia schreef Kouwenaar schitterende gedichten. Ik denk aan de reeks weg/verdwenen (terecht helemaal opgenomen in vallende stilte), maar pas vanaf landschappen en andere gebeurtenissen en volledig volmaakte oneetbare perzik (1978) is er sprake van die volledige concentratie op de vorm, op de productieve mogelijkheden van de taal, dus op het programma dat in het gedicht als een ding lag opgesloten. Ik weet niet precies of het qua jaartallen klopt, maar ik denk dat Kouwenaar pas eindeloos per woord is gaan wikken en wegen, gaan schaven, schrappen en comprimeren, toen hij geen toneelteksten meer hoefde te vertalen om brood op de plank te krijgen en hij zich volledig op de poëzie kon richten.

Vallende stilte bevat dus het beste van Kouwenaar, en daarvan gelukkig heel veel. Het boek, congeniaal vormgegeven door Kees Nieuwenhuijzen, opent met het gedicht waarmee ook gedichten 1948-1978 opende, namelijk met de dag. Die dag verwijst naar de geboortedag van de dichter, 9 augustus 1923, hoewel die datum niet genoemd wordt. Er is sprake van ‘mijn vader’, ‘mijn moeder’, van de ooms en tantes, maar het is ondanks die persoonlijke elementen toch al een typisch Kouwenaar-gedicht. Dat heeft te maken met het opsommende karakter, met de gewoonheid, het onspectaculaire van de waarnemingen, met de concreetheid daarvan ook, met de laconieke parlando-toon en het zuinige gebruik van geijkte poëtische middelen. Het gedicht bevat welgeteld één geval van eindrijm, en dat is ook alleen nog maar waar te nemen door een lezer, want het gaat om de slotwoorden van de eerste en de laatste regel van het gedicht, om de woorden ‘zeven’ en ‘zweven’.

Dat ‘zweven’, helemaal aan het eind, is om diverse redenen typerend voor Kouwenaar. Het verwijst in de betreffende zin naar de mentale toestand van de vader, die zojuist voor de krant een stuk heeft geschreven over een brand en nu op het balkon thuis de goede afloop viert, hij rookt een cigarillo, drinkt een glas wijn en denkt ‘ik kan zweven’. Maar die spiritualiën leiden niet tot zweverig taalgebruik, laat staan tot een poëtisch spiritualisme. Kouwenaar is, als dichter, materialist. Brood en wijn zijn brood en wijn. Er wordt heel wat gegeten en gedronken in zijn werk, niet ter ontkenning maar juist ter bevestiging van het aardse, louter aardse bestaan.

De meerduidigheid van vooral zijn late poëzie is groot, maar we hoeven geen geheimzinnige werelden achter de woorden te zoeken. ‘de hardloper schudt het zand uit zijn schoen/ terwijl hij het zand uit zijn schoen schudt’ – een slapstickachtige verdubbeling die Kouwenaars ontkenning van diepzinnige of ‘hogere’ gelijktijdigheden en tegelijk zijn verwantschap met Hans Faverey laat zien. Het woord ‘zweven’ als slotwoord van de dag is ook daarom zo fraai omdat Kouwenaar in heel veel gedichten, ook al uit de vroegste periode, de slotregel laat zweven. Dan eindigt hij niet zónder leesteken, waardoor alles open blijft, ook niet met een punt, die de zaak definitief afsluit, maar met iets daartussenin: een gedachtestreepje – dus met een mogelijk vervolg.

Eenzelfde soort streven naar het zwevend maken van de taal meen ik waar te nemen in talloze gedichten uit de laatste decennia. In die gedichten ontstaan, onder meer door een geraffineerd gebruik van het enjambement, talloze zinnen die zichzelf ontregelen. Ze doen in de ene versregel een bewering die in de volgende wordt tegengesproken. En daarna soms nog eens wordt tegengesproken. Dat kan alleen worden gezien door een lezer, in de voordracht wordt die ontregeling gladgestreken, tenzij men hortend en stotend leest:

Nog vrij simpel in Landschappen:

Men ziet: de zon staat laag
het landschap is totaal: alles ligt
in en in af in dit licht vast: terwijl
men paf vaststelt: dit bestaat
niet, bestaat het

Verrassender in het openingsgedicht van het bezit van een ruïne:

De sterfelijkheid houdt aan, deze morgen
ontwaakte er een in mijn slaap, en vanavond
vraagt het nuchtere glas om genade, men ademt
zich uit als een inzicht (…)

Dat dubbelzinnige effect bereikt Kouwenaar ook in talloze paradoxale of homonieme constructies die, meestal, begin en einde, dood en leven, op elkaar betrekken en daardoor relativeren, zwevend maken. Kees Fens heeft eens een hele beschouwing over het gedicht de laatste dagen van de zomer in een geur van verbrande veren opgehangen aan de vele, leven en dood op elkaar betrekkende leesmogelijkheden van de zin: ‘men moet zich hier uitschrijven’. Elders in die bundel stuit ik op uiterst subtiele dubbelzinnige formuleringen als ‘deze vanzelfsprekende geboorte van as’ en ‘de onsterfelijke klok van de houtworm’.
Het ligt voor de hand dat de dood in het werk van Kouwenaar steeds prominenter aanwezig is. Maar dat gebeurt zonder sentimentaliteit en met vermijding van elk pathos. Kouwenaar begon zijn dichterschap in de omgeving van Cobra en de Vijftigers, maar de lezer van zijn werk moest al snel tot de conclusie komen dat hij weinig affiniteit bleek te hebben met de bijna permanente euforische bevrijdingsstemming die daar heerste.

Ik zie het werk van Kouwenaar als één grote oefening in het ontdramatiseren van de zwaarste thema’s. Lang voor het in de filosofie en de journalistiek mode werd, liet de dichter ons al weten dat ‘de grote woorden’ ‘aanvechtbaar’ waren geworden. Hij heeft ze consequent kleiner gemaakt. ‘alleen/ wat het oog maakt is eetbaar’, of: ‘alles ligt in dit eetbare vast’. Maar dat er daarbuiten niks is leidt niet tot paniek, nog minder tot cynisme. Wel tot een niet-aflatende verwondering over al het bestaande. ‘beleef de aanwezige dingen’, schrijft hij ergens, en dat is dubbelzinnig, passief en actief tegelijk, onderga de aanwezige dingen en blaas ze leven in. Zo leidt het leven in het hier en nu tot verantwoordelijkheid voor het hier en nu. Dat wordt magistraal, want o zo vanzelfsprekend en terloops, geformuleerd in het gedicht men moet, het slotgedicht van de tijd staat open.

men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winters nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –’

Dit gedicht kan men lezen als het testament van iemand die aan de eeuwigheid geen boodschap heeft, maar die ook daar vooral geen nummer van wil maken. Zo rustig zag zelden een dichter de dood onder ogen. Kouwenaar is het toonbeeld van de beheerste epicurist – niet toevallig schreef hij zo veel tuingedichten, waaronder het schitterende gedicht over zijn twee jaar oudere broer David, de schilder – bij hem ontbreekt de geste van verzet die het werk van zo veel generatiegenoten kenmerkt. En vooral ook elke egomanie ontbreekt, het onbepaald of onpersoonlijk voornaamwoord ‘men’ komt vele malen vaker voor dan het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’.

In de dag, waar het allemaal mee begon, is er nog wel een ‘ik’. Maar diens geboorte wordt zonder trommels en trompetten aangekondigd: ‘omdat ik er was speelde het orgel gedempt in de verte’. Ook aan het eind is er geen sprake van luidruchtigheid, noch van enig verzet. Dan moet men bijvoorbeeld ‘de zonen nog moed inspreken’, ‘zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen’, en uiteindelijk ‘het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge’. Oftewel: het zintuiglijke bestaan in het hier en nu (‘ogenblik’) nog verwisselen voor de abstracte tijd van het van zijn vader geërfde horloge, waarbij de parallelle opsomming suggereert dat het doodgaan van dezelfde betrekkelijk eenvoudige orde is als de eerder genoemde nog te vervullen taken. En als het om de dood van een ander gaat, zoals die van zijn levenspartner Paula in totaal witte kamer, Kouwenaars ontroerendste bundel, heet het slotgedicht dus vredig de avond. En dat eindigt met de aanvaardende woorden: ‘nu nog iets eetbaars, bloedbeuling witbrood/ dan eindelijk slapen, zwart is de mode’ – zo is dat nu eenmaal, denk niet dat ik demonstratief in de rouw blijf. Hollandse nuchterheid waarin echo’s doorklinken van een antieke materialistische sereniteit.

Vallende stilte is het werk van een groot dichter, zijn beste werk. Wit, zwart en grijs overheersen, kleur is vrijwel afwezig, net als op het omslag van Kees Nieuwenhuijzen. Desondanks, en dat is het wonderlijke, is elke neerdrukkende zwaarte afwezig. Ik twijfel er niet aan dat dit boek een van de absolute hoogtepunten is in de naoorlogse Nederlandse poëzie.