Hoofdcommentaar

Grote woorden, kleine daden

Als op 7 maart de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen niet hoog geweest blijkt te zijn, zal er weer uitentreuren worden gepraat over de kloof tussen politiek en kiezer. Want kloven zijn er om gedicht te worden. Maar juist aan het onderhoud van die kloof is door de landelijke politici de laatste maand hard gewerkt.

Al vanaf half december wordt de politieke discussie in Nederland beheerst door louter woorden. Is het kabinet nu «voornemens» militairen te sturen naar Afghanistan of heeft het dit «besloten»? Voor de goede orde: bij een voornemen is er sprake van een plan. Bij een besluit wordt vastgesteld dat een plan moet worden uitgevoerd. Zo kort na oud en nieuw weet iedereen wat er van goede voornemens meestal terechtkomt. Dat is al pijnlijk. Maar dat het juist D66-minister Alexander Pechtold van Bestuurlijke Vernieuwing was die tijdens zijn nieuwjaarstoespraak zondag in Amsterdam opriep het nu eindelijk eens over de inhoud te hebben, is mild uitgedrukt het allervreemdst. De cruciale vraag of op dit moment een vredesmissie mogelijk is, is immers door toedoen van D66 zelf verdwenen in een ondoorzichtig web van semantiek en procedurediscussies.

Voor het kerstreces bakte de D66-fractie het kabinet een poets. Een paar dagen voordat Balkenende II een beslissing wilde nemen over de uitzending van Nederlandse militairen naar Afghanistan had de fractie haar oordeel daar over al afgerond. Op zichzelf was dat geen misdrijf. Waarom zou de D66-fractie zwijgen, als ze al weet hoe dan ook tegen te zullen zijn? Met een trucje werd een shoot-out binnen het kabinet verijdeld. Het kabinet besloot onder druk van de twee D66-ministers het besluit om militairen naar Afghanistan te sturen tot het «voornemen» af te zwakken. Daarmee kon het zowel de ministers Brinkhorst en Pechtold (D66) als minister Kamp van Defensie (VVD) binnenboord houden. De Tweede Kamer moest de beslissing maar nemen of, specifieker, de PvdA, omdat het CDA op de proppen kwam met een tweederde meerderheid in de volksvertegenwoordiging.

D66 leek even buiten schot te staan. Toch heeft deze partij daarmee zichzelf en de coalitie in de nesten gewerkt. Voor de tweede keer in korte tijd heeft D66 link gezaagd aan de eigen wortels. De eerste keer was afgelopen voorjaar, toen ze besloot niet langer zwaar te tillen aan bestuurlijke vernieuwing. En nu voor de tweede keer door onenigheid in het kabinet op het bordje van de Tweede Kamer te leggen in een poging een politieke crisis weg te moffelen.

Dit laatste geeft nog meer te denken dan het eerste geval van zelfmutilatie. In april is het veertig jaar geleden dat D66 zichzelf oprichtte om Nederland te redden van zijn verzuilde, ondoorzichtige en kleffe bestuurscultuur. Het moest afgelopen zijn met dichtgeplamuurde regeerakkoorden en tussentijds overleg in het Torentje teneinde bij voorbaat elke angel uit een crisis te trekken.

Maar D66 is nu niet meer die pleitbezorger en bewaker van het dualisme. D66 is evenmin teruggekeerd naar het monisme. D66 is de ideoloog geworden van het pan-isme. Politiek en bestuur zijn één grote soepterrine waarin alles mag worden verwerkt, mits het woord «inhoud» of «inhoudelijk» maar wordt mee gekookt.

Een oordeel over de missie naar Afghanis tan is geen fluitje van een cent. De militaire operatie om het Centraal-Aziatische land te bevrijden van de Taliban en al-Qaeda werd vier jaar geleden immers uitgevoerd met instemming van nagenoeg de hele internationale gemeenschap. Dat leek aanvankelijk positief uit te pakken. Binnen een paar maanden resideerde in Kaboel een nieuwe regering, waarna dezelfde internationale gemeenschap dacht zich met de wederopbouw te kunnen gaan bemoeien. Het pakte echter anders uit. Net als in Irak is ook in Afghanistan de oorlog nog niet voorbij. Een nieuwe Nederlandse missie zal daarmee worden geconfronteerd. Van hulp bij wederopbouw zal amper sprake kunnen zijn. De geschiedenis van deze oorlog is weliswaar een andere, minder beschamende dan die van de oorlog in Irak. Simpel is de beslissing om al dan niet naar Afghanistan te gaan daarmee geenszins. Tussen «ja» en «nee» is ook in het dossier-Afghanis tan geen compromis te vinden.

«Uruzgan is één Amerikaans avontuur te veel», betoogde deze krant op 9 december vorig jaar. De kritiek richt zich er dan ook niet op dat D66 dit spoor ook volgt. Maar daarmee is ook alles in positieve zin gezegd, te meer daar het Nederlandse soldaten zijn die straks eventueel het vuile en dodelijke werk moeten opknappen.

Dat D66 buiten de regering een ander weggetje in is gewandeld dan binnen de regering, en zich daarop ook nog eens laat voorstaan, dient namelijk maar één doel: het eigen voortbestaan als (regerings)partij, hoe strijdig met de eigen uitgangspunten het middel ook is.

Een groot deel van de Tweede Kamer heeft geen zin dit spel mee te spelen. Dat redeneert: het kabinet regeert, de Kamer controleert. Dit principiële standpunt is overigens niet gespeend van opportunisme. De gretigheid waarmee de PvdA-fractie het kabinet te lijf gaat, doet vermoeden dat de sociaal-democraten maar wat blij zijn met de kans weg te duiken voor een beslissing. Dan kunnen ze de Amerikanen vertellen dat het niet aan hen lag. De houding van de VVD is een stuk directer. Die partij is gewoon voor de missie, al speelt bij de liberalen, net als bij de PvdA, irritatie over D66 een rol.

Maar ondanks deze achterliggende motieven getuigt het van democratische zindelijkheid om verantwoordelijkheden niet door elkaar te klutsen. Hoeveel inhoudelijks Pechtold ook weet op te duikelen uit de zogeheten artikel 100-brief van de regering over de Afghanistan-missie, het blijft de verkondiging van een voornemen. Het is het kabinet dat de puinhoop heeft geschapen, met D66 als grote aangever.

Van bestuurlijke vernieuwing om de kiezer meer betrokkenheid bij en meer vertrouwen in de politiek te geven, is hier geen sprake meer. D66 verloochent juist dat waar het ooit voor stond: duidelijkheid opdat het om de inhoud kan gaan.