De relatie tussen mens en natuur

Groter dan de som der delen

Keihard wijst de Covid-19-pandemie ons erop dat homo sapiens integraal onderdeel is van de materiële wereld. Als we de crises na corona willen tegenhouden – die van het klimaat en massa-extinctie – moeten we een andere relatie aangaan met de ‘niet-menselijke wereld’. Hoe doe je dat?

Een zalmkwekerij in Hjørundfjord, Noorwegen, 2016 © George Steinmetz / ANP

De pandemie is moeilijk voor de mens. Isolatie is verre van ideaal. Mensen sterven zonder hun familie in het ziekenhuis, sommigen worden eenzaam of nóg eenzamer dan ze al waren, anderen verliezen hun baan, velen voelen zich angstig en neerslachtig.

Maar niemand kan er omheen: niet-mensen lijken er in eerste instantie van op te knappen. Vogels fluiten er op los, de lucht ruikt frisser dan ooit en de herrie van het verkeer is grotendeels verstomd. Hoewel er geen dolfijnen zwemmen in de kanalen van Venetië (dat was helaas nepnieuws) is het water er nog nooit zo schoon geweest. Dit jaar is een recordaantal zeeschildpadden uit hun ei gekropen op schone, lege stranden. Een sterke afname van onderwatergeluid, normaal gesproken veroorzaakt door verkeer van zeetankers, verlicht chronische stress van walvissen. Mijn vriendin in Chennai, India, heeft voor het eerst sterren gezien vanaf het dak van haar huis.

De lente van 2020 lijkt een adempauze voor de natuur. Eindelijk even verlost van de mens. Dit tijdelijke venster op een andere wereld, een wereld met frisse lucht, minder herrie en een afname van CO2, vervult mij en vele anderen met hoop.

‘The impossible has already happened’, schrijft Rebecca Solnit in een essay in The Guardian. Ze vergelijkt deze tijd met het invallen van de dooi in de lente: ‘Als het pakijs is opgebroken, het water weer begint te vloeien en de boten weer kunnen varen naar plaatsen die ze tijdens de winter niet konden bereiken. Het ijs was het stelsel van machtsrelaties dat we de status quo noemen – het lijkt stabiel, en degenen die ervan profiteren staan erop dat het niet te veranderen is. Vervolgens verandert het snel en dramatisch, en dat kan opwindend zijn, beangstigend, of allebei.’ Het is een mooie vergelijking, maar de vraag is hoe het water blijvend van richting kan veranderen. Voordat het weer stolt tot ijs.

In een filmpje van animator Steve Cutts zit een dikke man in quarantaine. Terwijl hij op de bank chips eet en tv kijkt, bloeit buiten de natuur op: dieren rennen rond, bomen en planten groeien en bloeien. Het is één groot feest. Maar als de man aan het einde van de quarantaine eindelijk weer naar buiten mag, trapt hij meteen een lieveheersbeestje dood. De mens als grote verwoester. Direct na de quarantaine komt er dan ook een abrupt einde aan de opleving en de dieren vluchten allemaal snel weer weg. We don’t deserve this planet heet een pagina op Facebook die dagelijks plaatjes van ecologische ellende plaatst. De mens is op die plaatjes steevast een invasieve soort, een soort plaag, die onvermijdelijk overal hel en verdoemenis zaait.

De term Antropoceen, het geologische tijdperk van de mens, is de laatste jaren dan ook snel in zwang geraakt om ons huidige tijdperk mee aan te duiden. Geologische processen die zich steeds over miljoenen jaren voltrokken, spelen zich plotseling af in een mensenleven. De diepe, geologische tijd perst zich samen in enkele generaties, verdicht zich. En die gecomprimeerde tijd verandert onze blik op de toekomst. Want hoelang hebben we nog?

Op de term Antropoceen valt veel af te dingen. Het is immers niet ‘de mens’ die verantwoordelijk is; sommige mensen dragen een veel grotere verantwoordelijkheid dan anderen. Het gaat dus eerder om de mens als soort dan om de mens als individu. Toch heeft de term nut, omdat hij direct het beeld van de mens als soort doet wankelen. Terugkijkend in de geologische diepe tijd van de aarde wordt immers duidelijk hoe weinig invloed een mens heeft op natuurlijke processen, hoe onbeduidend we eigenlijk zijn. Maar tegelijkertijd is het tempo waarin de menselijke hand op dit moment transformatie bewerkstelligt op aarde vergelijkbaar met de immense, geologische tijdschalen van voorheen. Wereldwijd verplaatsen mensen bijvoorbeeld momenteel meer rotsen en sedimenten dan alle rivieren van de wereld tezamen.

—————

Toch zijn we verre van almachtig. De Covid-19-pandemie wijst ons erop dat we niet zijn losgezongen van de materiële wereld, maar hier een integraal onderdeel van zijn. Het virus is niet eens een cel; het is niet meer dan een plukje genetisch materiaal met een omhulsel, opererend op de grens van levend en niet-levend. En toch zet dit minuscule stukje materie het leven van alle mensen volledig op z’n kop. Het virus kon overspringen van dier op mens doordat mensen steeds vaker diep ingrijpen in ecosystemen, bijvoorbeeld in het tropisch regenwoud, en daarmee het risico van een ‘species jump’ vergroten.

De mens verstoort de balans in de ecosystemen met de hoogste biodiversiteit door ontbossing, mijnen en klimaatverandering. De mens maakt de habitat voor wilde dieren steeds kleiner, houdt ongekende hoeveelheden vee, en leeft daar vaak in de buurt van, meestal in grote steden. En dan verplaatst de mens zich ook nog eens in razend tempo over de hele aarde. Wetenschappers zijn het erover eens dat de kans op toekomstige pandemieën daardoor steeds groter wordt. Dat raakt ons uiteindelijk allemaal, mens en niet-mens.

In haar column in NRC Handelsblad schreef Louise Fresco: ‘Alles is met alles verbonden: bedreigingen van onze gezondheid ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en natuur. Een logisch gevolg van dit inzicht is dat we ons niet opnieuw laten verrassen door de uitbraak van een zoönotische ziekte, en in paniek op zoek gaan naar vaccins, maar preventief in kaart brengen waar de risico’s liggen en uitbraken voorspellen.’ Ze besluit haar column met de conclusie dat ‘het nu de tijd is om de verbondenheid van de mens met het totale ecosysteem van de planeet te erkennen’. Die erkenning is noodzakelijk als we de gedachteloze destructie van onze leefomgeving willen stoppen.

Maar hoe doe je dat? Het is een vraag die ik mezelf al een aantal jaren stel. Hoe kan ik me verbonden voelen met mijn omgeving, met de natuur? Waar begint die relatie? Ik groeide op in een bovenhuis in Amsterdam en heb nooit veel gehad met het ‘buitenleven’. Liever las ik boeken en voerde ik gesprekken met vriendinnen. Ik vind kippen een beetje eng, motten een beetje vies en muggen extreem irritant. Ik kan amper een beuk van een eik onderscheiden. Ik loop met mijn hond in het bos waar een bordje van Staatsbosbeheer aangeeft dat hier de natuur begint. Maar is dat dan echte natuur? Het was aan de andere kant van de wereld dat ik voor het eerst werkelijk interesse kreeg voor mijn omgeving.

Wereldwijd verplaatsen mensen momenteel meer rotsen en sedimenten dan alle rivieren van de wereld tezamen

In 2015 was ik in Costa Rica, het land waar ‘de natuur’ het handelsmerk is geworden van een hele natie. Tijdens een nachtelijke wandeling door het tropisch regenwoud drong het begrip biodiversiteit plotseling in alle diepte tot me door. Dit was de wereld van de majestueuze bomen, weelderige planten en brullende apen. Dit was de wereld van kikkers en insecten in alle kleuren van de regenboog. Een wereld waar ik slechts op bezoek was, waar ik als mens niets voorstelde. In mijn ene hand hield ik stevig de hand van mijn zoon geklemd, in de andere een zaklamp. We mochten de takken om ons heen niet aanraken, omdat daar slangen konden zitten. De gids scheen met zijn zaklamp op een gele slang die, opgekruld in een cirkel, op een tak zat: ‘Ha, this is the yellow eyelash viper!’ Een van de giftigste slangen ter wereld. Mijn hart klopte in mijn keel.

Het begon keihard te regenen en binnen een paar minuten waren onze laarzen gevuld met klotsend water. De weg door de jungle leidde naar het strand waar we een zeeschildpad haar eieren zagen leggen in een kuil in het zand. De gids vertelde dat schildpadden hun eieren altijd leggen op het strand waar ze zelf geboren zijn. Ze bezitten een soort ingebouwd navigatiesysteem. Niemand begrijpt precies hoe het werkt, maar het systeem wijst hun feilloos de weg. Het was een nacht vol gevaar en magie, vol adrenaline en bewondering. ‘Dus dít is de natuur’, dacht ik.

Vanaf dat moment ben ik over onderwerpen als dieren, ecosystemen en biodiversiteit gaan schrijven, maar dat betekent niet dat ik nu zelf weet hoe ik een relatie met ‘de aarde’ aan moet gaan. Ik ben op zoek naar bewuste verbondenheid met mijn omgeving. Niet alleen met de mensen in mijn omgeving, maar ook met de niet-menselijke wereld om mij heen. Maar het aangaan van zo’n relatie is verdomd moeilijk. Ergens blijf ik altijd gevangen in mijn individuele, menselijke perspectief.

—————

Overal ter wereld zijn er intelligente en creatieve mensen die, vaak met elkaar, nadenken over nieuwe manieren waarop we de verbondenheid met de niet-menselijke wereld niet alleen zouden kunnen erkennen, maar ook zouden kunnen voelen. Zo ontwikkelt de Schotse Jonathan Ledgard, voormalig Afrika-correspondent van The Economist, op dit moment een kunstmatig intelligent, digitaal platform dat dieren, bijvoorbeeld een kudde giraffen op de savanne, in staat stelt om deel te nemen aan het economische verkeer. Mensen in het Westen nemen een ‘abonnement op de aarde’ en betalen een klein bedrag aan het platform. Een kunstmatig intelligent systeem beheert vervolgens de digitale portemonnee van de giraffen en behartigt hun belangen. Op deze manier wordt de economische waarde van de giraffen groter dan de som van hun afzonderlijke lichaamsdelen, de waarde waarvoor ze nu worden gestroopt. En de lokale bevolking krijgt andere opties dan stropen en ontbossing.

Vanuit de wetenschap bereiken ons dagelijks berichten over de ongekende mogelijkheden van dieren en planten. Kraaien kunnen gereedschap gebruiken, planten spelen, bomen praten met elkaar via netwerken van schimmeldraden. Telkens als wetenschappers zich openstellen, ontdekken ze weer nieuwe, fantastische capaciteiten van niet-menselijke organismen. Wat zou er gebeuren als mensen deze onbekende talen leren spreken, al dan niet met hulp van (kunstmatige) technologie? Engineers en designers laten zich nu al dikwijls inspireren door de wetenschappelijke onderzoeksresultaten. Zo kan ik inmiddels een jurk dragen die gemaakt is van schimmels en vliegen er drones rond die zijn geprogrammeerd volgens de regels van termietenheuvels.

Nog belangrijker dan deze praktische toepassingen, die geïnspireerd zijn door de natuur, is de manier waarop dergelijke kennis ons kan helpen bij het oplossen van de grote problemen waar we als mensheid voor staan. Veel aspecten van de huidige crises in de wereld vragen eerder om het collectieve perspectief van de termietenheuvel dan om het individuele perspectief van die ene briljante Nobelprijswinnaar.

Ook bij Het Nieuwe Instituut in Rotterdam wordt gezocht naar andere perspectieven op onze omgeving. Klaas Kuitenbrouwer onderzoekt bijvoorbeeld de mogelijkheden van de zoöp, een coöperatie die de niet-menselijke gemeenschap in een bepaald gebied probeert mee te nemen in de besluitvorming. De niet-menselijke omgeving wordt vertegenwoordigd door een anbi-stichting die weer onderdeel wordt van een coöperatie en wettelijk verplicht is om de ideële belangen van zichzelf te behartigen. Bodemzicht heeft zich als een van de eerste protozoöps opgeworpen, een regeneratieve boerderij die rendabel moet worden voor mensen, terwijl tegelijkertijd de niet-menselijke omgeving kwalitatief verbetert. Denk aan kippen en varkens wier kwaliteit van leven wordt meegenomen in de doelstelling van de zoöperatie, maar ook aan de bodem die gezonder wordt in plaats van verschraalt. Het aantal zoöps neemt gestaag toe en verschillende beleidsmakers zijn razend enthousiast over de manier waarop de zoöp juridisch ruimte biedt aan het perspectief van niet-mensen.

Overal kwam ik inspirerende projecten en initiatieven tegen waar mensen een poging doen om te luisteren naar dieren, bomen, rivieren, zelfs naar ‘het landschap’. Pogingen om uiteindelijk ook de niet-menselijke stem te laten klinken in onze wereld. Om die stem te kunnen horen, moeten we eerst leren luisteren. Dat is niet makkelijk, maar wel noodzakelijk. Al dit onderzoek heeft zich voor een groot deel ‘ondergronds’ afgespeeld de laatste jaren, buiten het zicht van de mainstream. Als een netwerk van schimmeldraden heeft het zich verspreid. Nu de pandemie ons met stil geweld drukt op de rol van de mens in de natuur wordt het tijd dat nóg meer mensen kennis maken met deze ideeën.

—————
Het oogsten van muskaatdruiven in wijngebied La Geria op Lanzarote, 2018 © George Steinmetz / ANP

Schimmeldraden onder de grond vormen een communicatienetwerk en verbinden bomen met elkaar; dit netwerk maakt al die bomen samen tot een bos. Ik ben een individu, maar tegelijkertijd ben ik onderdeel van het ecosysteem van mijn lichaam, waarin naast menselijke cellen talloze microben leven die continu dna met elkaar uitwisselen. Bovendien kan een virus zomaar mijn lichaam binnendringen via het lichaam van mijn buurvrouw, via het ecosysteem van mijn straat. Ik ben onderdeel van het ecosysteem van mijn stad, mijn land en uiteindelijk van het ecosysteem van de aarde.

Als ik een telefoon koop, gaat er ergens in Afrika een arme loonarbeider de mijn in om grondstoffen ervoor te winnen. Voor die mijn is een bos gekapt waardoor vleermuizen, bron van ziekteverwekkende virussen, dichter bij deze arbeider komen te leven. De arbeider heeft honger en eet een gorilla op, bushmeat voor de nodige proteïne. Als hij nog minder inkomsten heeft, gaat hij misschien schubdieren stropen en verkopen aan een tussenhandelaar die ze weer verkoopt op een wet market in China. Alles is met alles verbonden.

Ik ben onderdeel van het ecosysteem van mijn stad, mijn land en uiteindelijk van het ecosysteem van de aarde

Dit kan een verlammende gedachte zijn. Het systeem is zo groot en log dat het lijkt op een tanker die niet te keren valt. Wat kan ik doen als piepklein schakeltje in dat geheel? Maar de afgelopen maanden zijn er wel degelijk tankers gekeerd. Daardoor kun je net zo goed geloven dat het wel degelijk mogelijk is om anders om te gaan met onze omgeving, met onze ‘oikos’, het Griekse woord voor huis waar zowel de woorden economie (het beheer van het huis) als ecologie (de studie van het huis) van afstammen. Het is ons toch nu ook gelukt om als collectief de opnames in de ic af te vlakken? Dat geeft hoop dat we misschien toch het hoofd zullen kunnen bieden aan die twee nog veel grotere, nauw met elkaar verbonden crises die na de coronacrisis opdoemen: die van het klimaat en de massa-extinctie. De verbeelding is niet alleen denkbaar geworden, maar ook voelbaar. Het virus heeft mij erop gewezen dat wat ik doe direct effect heeft op het collectief, op een onbekende ander.

De eerste stap is om zo snel mogelijk definitief afscheid te nemen van de fossiele industrie, de zogenaamde transitie. Maar ook het gebruik maken van ‘nature based solutions’ is essentieel vanuit zowel klimaatperspectief als vanuit het oogpunt van biodiversiteit. ‘Hoe de natuur zelf het klimaat kan redden’, kopte de Volkskrant op 19 mei. ‘Grootschalig herstel van Europese bossen, veengebieden, graslanden en wetlands kan een cruciale bijdrage leveren aan het aanpakken van de ecologische en de klimaatcrisis.’ Deze gebieden kunnen veel CO2 opslaan en nadelige gevolgen van opwarming van de aarde, zoals erosie en overstromingen, beperken. Bovendien zal de biodiversiteit er toenemen.

De strategie is onderdeel van de Europese Green Deal en dat is hoopgevend. Tegelijkertijd is ‘sparing’ of ‘rewilding’, oftewel het teruggeven van gebieden aan de natuur, niet voldoende. Het is net zo belangrijk om landbouw te leren bedrijven die bijdraagt aan de biodiversiteit én de wereld kan voeden. Te vaak zie je in dit debat een veel te scherpe tegenstelling tussen ‘slechte’ intensieve landbouw met veel technologie en ‘goede’ biologische landbouw met weinig technologie. Die tegenstelling is achterhaald. Biologische boeren werken regelmatig met technologie en niet-biologische boeren kunnen bijdragen aan biodiversiteit. Het gaat erom dat we een groene economie en een circulaire landbouw nodig hebben, want de gezondheid van het ecosysteem en de gezondheid van mensen gaan hand in hand.

Het toenemende nationalisme werkt dit alles helaas tegen. Virussen, maar ook wolven, laten zich niet tegenhouden door grenzen, maar nationale leiders blijven doen alsof dit wel zo is. We moeten als mensheid denken, als collectief, en dat denken zal veel vaker niet-lineair, systematisch en relationeel moeten zijn. Volksgezondheid hangt direct samen met de gezondheid van de aarde, net zoals de interactie tussen de microben in mijn darmen direct samenhangt met welke voeding ik in mijn lichaam stop en dus met de gezondheid van mijn hele lichaam. Ons volksgezondheidsconcept zou dus moeten worden uitgebreid naar een ecologisch concept van gezondheid en welzijn. Daarin is de volksgezondheid van mensen altijd inherent verbonden aan de gezondheid van hun omgeving: bomen, planten en dieren, maar ook het water van rivieren, meren en zeeën en de lucht van de atmosfeer. Die gezondheid is meer dan de som van de gezondheid van alle onderdelen; zij is complex en bestaat uit een gezonde balans, gezonde relaties, binnen alle ecosystemen op aarde.

Daarnaast zal het denken voorbij de kapitalistische abstractie moeten gaan van eigenbelang dat op magische wijze vanzelf leidt tot winst voor het collectief. Misschien zijn mensen gemiddeld genomen rijker geworden, hebben ze minder honger en zijn ze gezonder dan ooit, maar het is moeilijk om daar blij van te worden als ongelijkheid toeneemt, het klimaat opwarmt en alle andere soorten uitsterven, kortom als tegelijkertijd het huis van al die mensen en niet-mensen, de ‘oikos’, in brand staat.

Het denken zal zelfs voorbij de wetenschap moeten gaan, zonder de wetenschap overboord te gooien als ‘ook maar een mening’. Alleen een bredere paraplu met meerdere vormen van kennis kan ervoor zorgen dat we de verbinding met onze omgeving niet alleen gaan erkennen, maar ook daadwerkelijk gaan voelen en ervaren. Dat is geen luxe extraatje voor elitaire hippies, maar een noodzaak voor een fundamentele cultuuromslag die alle mensen en niet-mensen op aarde ten goede kan komen. Want alleen een dergelijke cultuuromslag kan leiden tot het ontstaan van kritieke massa, van een steeds grotere groep mensen die verandering eist van onze politieke leiders.

—————

In een interview in TheGuardian spreekt filosoof Donna Haraway over het belang van spel. Ze vertelt dat in ‘biologie en chemie dingen zomaar gebeuren. Lukraak vormen zich bepaalde verbindingen die vervolgens weer kunnen leiden tot complexe systemen’. Systemen waar iets uit opdoemt dat groter is dan de som der delen. Zoals de verbindingen in onze hersencellen een complex systeem vormen waaruit de onzichtbare geest voortkomt.

Haraway denkt dat we vergelijkbare ‘praktijken moeten ontwikkelen om te denken over de vormen van activiteit die nog geen onderdeel zijn geworden van een bepaalde functionaliteit, de praktijken die ruimte bieden aan dat wat-nog-niet-is-maar-nog-openligt’. Ze roept op om elkaar aan te moedigen om precies dat te doen. Om met elkaar vrij en speels na te denken over wat voor mogelijkheden er zijn voor de toekomst. ‘And we can’t do that in a negatieve mood’, voegt ze eraan toe. Hoewel ze begrijpt dat we kritiek hard nodig hebben, ‘gaat kritiek niet leiden tot een gevoel voor wat nog zou kunnen komen, wat nog niet mogelijk is maar wat ten diepste nodig is’.

Het is makkelijk te beargumenteren dat homo sapiens de meest invasieve soort op aarde is. We hebben immers de gehele aarde gekoloniseerd en geëxploiteerd. We laten de temperatuur oplopen en zijn de oorzaak van een massa-extinctie van ongekende proporties. Sommigen denken dan ook dat een pandemie zorgt voor een natuurlijk herstel van het evenwicht. Het aantal mensen moet simpelweg naar beneden, zodat er weer meer ruimte is.

Maar wetenschappers, beleidsmakers en denkers hebben dikwijls laten zien dat er genoeg ruimte is, als je de wereld maar anders organiseert. Welvaart kunnen we eerlijker verdelen, de gevolgen van klimaatverandering kunnen we niet meer ongedaan maken, maar wel fors beperken, en een andere relatie met onze omgeving kan zorgen voor behoud én voor het creëren van nieuwe biodiversiteit in talloze ecosystemen. Op het nieuwe land van Marker Wadden nestelen zich inmiddels meer dan 125 soorten vogels! Het kan allemaal, omdat mensen het zich eerst hebben verbeeld. Diagnoses stellen van wat er mis is met de wereld is een belangrijke eerste stap, maar het is niet meer voldoende.

Bij de Universiteit Wageningen & Research maakte een aantal wetenschappers een kaart van Nederland in 2120. Rivieroevers verbreed, landbouw gedeeltelijk verplaatst naar zee, nieuwe eilanden in het IJsselmeer: het is een visie op de toekomst die niet alleen wenselijk is, maar ook mogelijk. En om te komen tot dergelijke ideeën moet de adrenaline stromen, moeten we zin krijgen in de toekomst, moeten we vrolijk worden. Daarvoor hebben we een vrije ruimte nodig waarin we mogen fantaseren, denken en hopen. Daarvoor hebben we niet alleen wetenschappers en technologen nodig, maar ook schrijvers en kunstenaars, schimmels en klaprozen, mieren en walvissen. Daarvoor hebben we verbindingen nodig tussen verschillende mensen en niet-mensen. Alleen dan kunnen we met een fris gemoed de problemen van deze tijd te lijf gaan. Want de toekomst begint nu.


Vitale ideeën voor de wereld van morgen

Dit is een voorpublicatie uit het boek De wilde wereld: Een nieuwe relatie met de natuur van Sanne Bloemink, dat op 16 juli verschijnt bij uitgeverij Pluim. Het is een van de eerste twee delen van Vitale ideeën voor de wereld van morgen, een serie over de belangrijkste thema’s voor de wereld na corona. Door Covid-19 worden veel van de systemen die we als noodzakelijk beschouwden om de samenleving te doen draaien ter discussie gesteld, en realiseren we ons: het moet anders. Maar hoe?

In de serie reflecteren de denkers van vandaag op de wereld van morgen. Naast het boek van Bloemink komt op 16 juli ook Parasiet der kwetsbaren van Wanda de Kanter uit. Later deze zomer verschijnen onder meer boeken van Barbara Baarsma, over de noodzaak om onze voedselketens in te korten, en van Dirk Bezemer, over een nieuwe vorm van kapitalisme die de samenleving niet leegrooft, maar erin investeert en zorgt voor een betere verdeling van de welvaart.