TONEEL

Grotvoordeproep!

Ubu

De open en goeddeels leeggeruimde speelvloer stelt een kalligrafeer-atelier voor. Er wordt tegen de wanden, op een tafel, op de vloer gewerkt aan diverse schoongeschilderde varianten van preambules voor universele verklaringen van de rechten van de mens, en andere voornemens na vuile onafhankelijkheidsgevechten. Het hoofd van het atelier en zijn souschef zien streng toe op de werkzaamheden. Zijn zoontje wordt gepest door een van de kalligrafen, Ubu, die al vroeg in de handeling het vermoeden uitspreekt dat het spoedig gedaan zal zijn met de universele rechten van wie dan ook, en die deze wetenschap deelt met zijn levensgezellin, Ma Ubu, een gemoedelijk Vlaams klappende madam. Het eerste woord dat de geestelijk vader van Ubu, Alfred Jarry (1873-1907), in 1897 aan zijn creatuur (een persiflage van zijn leraar Latijn gebaseerd op Shakespeare’s Macbeth) meegaf was merdre, door Dolf Verspoor voor de eerste Nederlandse opvoering in 1964 vertaald in potverproep, hier voor de coproductie van Schauspiel Essen en Toneelgroep Amsterdam door Gerardjan Rijnders verbakt tot grotvoordeproep, meestal voorafgegaan door de exclamatie schijt, zulks gezworen ‘bij mijn vette druipkaars’.
De heerschappij van de familie Ubu zal een zeer wrede zijn. Na de ongeëvenaarde drang van het echtpaar om ongeveer alles te belasten (ook op neuken en moorden worden 'fiscaliën’ geheven), wordt er ook door en op last van henzelf een pittig potje gemoord en gebloedschand, waarin de keurige kalligrafeerwerkplaats geleidelijk verandert in het atelier van losgeslagen bodypainters, die elkaar zelfs met verf in de bek spuiten. Regisseur Sebastian Nübling heeft uit de nood van een internationale coproductie de deugd gekookt van een filologische maaltijdsoep die de predadaïst Jarry ook voor ogen moet hebben gestaan - gestotter en gestamel in alle naburige talen, mitraillerende stalinorgels vol woordsalvo’s en beeldspraakraketten. Waarbij Ubu-vertolker Nicola Mastroberardino de bijbehorende fysieke strapatsen uit zijn slungelige popstar-voorkomen tovert die horen bij zijn mediterrane afkomst. Hij neemt het hele ensemble op sleeptouw. Ik heb Roelant Fernhout en Leon Voorberg in tijden niet zo aanstekelijk, energiek, bijna op het driftige af zien toneelspelen. En Frieda Pittoors is altijd rete-goed in het mistige moerasgebied tussen grand guignol en de 'pas-op-achter-je’-poppenkast, waar de Ubu-cyclus oorspronkelijk trouwens ook voor is geschreven.
Net toen ik een tikje overvoerd begon te raken van het uit de hand lopende verjaardagspartijtje voor tien Jackson Pollock-klonen, trad er een bijna serene rust in op de besmeurde speelvloer. De tijdloze oerschurk Ubu trad met zijn trawanten aan voor een tijdloos internationaal oorlogstribunaal, de filologenanarchie ging, heel slim, naadloos over in de talige conspiratie die zo'n tribunaal, met zijn voertalen, tolkenpuzzels, spraakverwarringen en bijkomstige misverstanden in ons collectieve bewustzijn geworden is. De tekst van dat tweede deel is van Simon Stephens, leep in elkaar gestoken woordenwisselingen en wederzijdse acties van elkaar de schuld toe schuiven, toewerkend naar een ijzige bijna-finale tussen het getemde monster en zijn cipier, die de aan hem toevertrouwde ex-dictator toeroept: 'Ik denk dat je gewoon ophoudt.’
Ubu stond slechts een ruime week in Amsterdam. Hoezo coproductie? Gaan we dit soort schofferingen van het Nederlands publiek gewoon vinden? Dat mag ik niet hopen! Anders hebben de populisten straks geen argument meer nodig om op de kunstbudgetten te korten. Ga u schamen, Ivo van Hove!

Ubu is nog te zien op 23 mei, 12, 13 en 20 juni, uitsluitend in Schauspiel Essen, www.theater-essen.de