Groucho marx huilt

De Boek van de Maand-jury (Graa Boomsma, Yves van Kempen, Marc Reugebrink en Xandra Schutte) koos Maxim Billers Land van vaders en verraders. De drie mededingers waren: Giorgio Basani, De gouden bril. Vertaling Tineke van Dijk, uitg. Meulenhoff, 128 blz., 329,90. Ferrara, stad in de Povlakte en het opkomend fascisme in de jaren dertig, zijn het decor van een subtiel geschreven portret van Fadigati, een joodse oor-, neus- en keelarts die verstrikt raakt in de bekrompenheid van de provincie. Vladimir Nabokov, De tovenaar. Vertaling Marja Wiebes, uitg. De Bezige Bij, 93 blz., 329,90. De tovenaar is Nabokovs oer-Lolita. Een man manoeuvreert een meisje in een zodanige positie dat hij zijn toverstaf kan gebruiken. Een satanisch sprookje en een inkijkje in een obsessieve geest. Barry Unsworth, Zinnespel. Vertaling Mireille Vroege, uitg. De Geus, 205 blz., 339,90. Een geestige, lichtvoetige roman die speelt in het Engeland van de veertiende eeuw en handelt over theater en moord, geheimen, spel en waarheid.
Maxim Biller, Land van vaders en verraders. Vertaling Paul van Westing, uitg. Meulenhoff, 332 blz., 345,-
SOMS IS de geschiedenis levend. Je hebt haar niet meegemaakt en toch heb je het gevoel dat je je niet van haar kan losscheuren. Je ouders en grootouders, oudere generaties vertellen er zo veel over, of zwijgen juist zo nadrukkelijk, dat het lijkt of je een stille getuige bent.

Om met de Duitse schrijfster Christa Wolf te spreken: het voorbije is niet dood; het is niet eens voorbij. Zo is de Tweede Wereldoorlog, zeker in Duitsland, nog lang niet over. Met op z'n minst één been staan de overlevenden - de slachtoffers en de daders - in het gruwelijke verleden. En hun kinderen, de zogeheten tweede generatie, worden door hun trauma’s of collectieve schuld mee de voorbije tijd in gezogen.
De verhalen van de jonge Duitse schrijver Maxim Biller (1960) in Als ik toch eens rijk en dood was, zijn debuut, en het onlangs verschenen Land van vaders en verraders gaan over dat verleden dat de mensen, of ze willen of niet, als een loodzware rugzak met zich meedragen. Over schuld en boetedoening handelen ze, over verraad en schaamte. Tegelijk beseft Biller hoeveel valkuilen er zijn als je getuigenis aflegt van geschiedenis die nog leeft. Niet voor niets treden er in zijn verhalen nogal wat kunstenaars op, van de eerste en de tweede generatie, die er een harde smak in maken.
‘Shoah-pathos’ of 'jodenpathos’ is zo'n valkuil, waar Bob Marx, de kleinzoon van Groucho Marx, in het verhaal 'De Marx Brothers in Duitsland’ in verstrikt raakt. Als nazaat van de beroemde, in Amerika geassimileerde familie lijdt Bob opeens vreselijk aan de onverschilligheid tegenover de geschiedenis die over Europa is geraasd. Hij vertrekt van Amerika naar het Oostfriese plaatsje Dornum, waar hij een huilerige documentaire over de Reichskristallnacht, zijn eigen shoah maakt. Het punt is dat hij vergeefs probeert de nochalance van Lanzmann aan te nemen en dat hij sprekend op Groucho lijkt. Aan de straatstenen raakt hij zijn holocaust-kitschfilm nog niet kwijt, wat een vriend van de verteller honend doet opmerken dat hij de snor van zijn grootvader had moeten opplakken en zijn documentaire de titel 'De Marx Brothers in Duitsland’ had moeten geven.
'Geslijm met de Duitsers’ is een andere valkuil waar met name joods-Duitse schrijvers intrappen. In het verhaal 'Mannheimeriana’ houdt de verteller, een jonge joodse schrijver, een televisie-interview met de oude dichter Mannheimer, die vooral legendarisch is omdat hij de uitgave van zijn verzameld werk maar dunner en dunner laat worden. Hij dicht niet meer maar schrapt; steeds weer verklaart hij gedichten nietig, overbodig en onwaar. De verteller karakteriseert Mannheimers poëzie als 'zwakzinnig gerijmel’ à la Hölderlin, als 'doof voor het verstand’. Dat is meteen ook zijn verwijt: de oude dichter heeft de geschiedenis in dichterlijke duisternis gehuld. 'U hebt de Duitsers een alibi verschaft’, zegt hij bij een tweede ontmoeting met Mannheimer, 'want u bent aan de andere kant van het prikkeldraad geweest en hebt toch niet anders gehandeld dan de Duitsers zelf. En achteraf sprak u over uw schuld net zo zacht en cryptisch als iedere andere gewone Duitse meeloper.’ Hij is precies wat de Duitsers onder een ideale jood verstaan, hij wil altijd nog behagen.
Kortom, Billers verhalen gaan ook over sentimentaliteit en hypocrisie, over zelfmedelijden en zelfbedrog.
HOE MOET HET dan wel, schrijven over de Tweede Wereldoorlog? In verschillende verhalen treden jonge joodse schrijvers op die net als Biller zelf in de jaren zestig met hun ouders vanuit Oost-Europa naar Duitsland zijn geëmigreerd. Je zou denken dat wat zij over het schrijven denken dicht bij Billers eigen opvatting ligt. Het hybride verhaal 'Finkelsteins vingers’ bijvoorbeeld vertelt over een Duitse vrouw, Anita, die de ik in een café in New York ontmoet. Ze volgt een cursus creative writing en wil dat hij, de jonge schrijver, haar werkstuk schrijft. Ze weet ook waar dat werkstuk over moet gaan: over haar joodse hoogleraar Finkelstein, over de in de oorlog gestorven Hongaarse dichter Miklós Radnóti, over haarzelf als schuldbewuste dochter van de daders, dus over 'ho-lo-caust!’ Ze laat hem ter inspiratie een foto zien van Radnóti, die sprekend op hemzelf lijkt. Vanuit het caféraam ziet hij ook nog eens zijn dubbelganger, het blijkt de hoogleraar Finkelstein te zijn.
Het tweede deel van het verhaal is cursief gedrukt en laat zich lezen als een antwoord op het eerste deel. Anita’s werkstuk, dat is het eerste deel en het blijft in het midden of Anita zelf of de jonge schrijver het heeft gemaakt. In het cursieve stuk formuleert Finkelstein plechtstatig zijn beoordeling van de tekst: 'Je hebt blijkbaar door het opsplitsen van de hoofdpersoon in meerdere personen geprobeerd het tegelijkertijd reële en paranoïde moment te vangen dat in de holocaustervaring van nakomelingen van beide kanten, van slachtoffers zowel als daders, aanwezig is. Daarbij echter verdwaal je als vertelster in het labyrint van je personagevermenigvuldigingsmachine.’
In 'Het begin van het verhaal’, waar Land van vaders en verraders mee besluit, komt een jonge jood voor die weer teruggaat naar zijn geboortestad Praag en die boeken heeft geschreven die zich kenmerken door een 'harde toon’, 'bijna opdringerige directheid’ en 'voortdurend gehoon’. Beide karakteriseringen kloppen: de verhalen van Biller zijn inderdaad meedogenloos, keihard en spottend. Tegelijk zijn ze labyrintisch. Niets is er wat het lijkt, slachtoffers zijn niet zomaar slachtoffers, daders willen alles behalve zomaar dader zijn. De waarheid over de geschiedenis is nooit ondubbelzinnig, de zonen en dochters proberen onvermoeibaar van de vaders en grootvaders hun geheimen te ontfutselen.
NEEM HET openingsverhaal, 'Een treurige zoon voor Pollok’, waarin de ik-verteller met de paplepel is ingegeven dat het leven van zijn ouders is verwoest door de beroemde schrijver-filosoof Holub. Holub heeft zijn vader in 1949 in Moskou verraden, waardoor hij terug naar Praag werd gestuurd, zijn studie niet kon afmaken, dwangarbeid moest verrichten. Als de ik voor een uitgeverij het manuscript van Holubs autobiografie ter beoordeling krijgt, ziet hij zijn kans schoon: uit wraak wijst hij het nieuwe boek van de verrader af. Tijdens de ontmoeting die volgt vertelt Holub hem een heel andere versie van de geschiedenis, waardoor niet meer duidelijk is wie wie heeft verraden.
Of neem 'Geheugen zwijg’, een verhaal in de vorm van een monoloog bij de psychiater, waarin een ik, wederom een jonge schrijver, vertelt over het trauma van zijn vader. Als zijn vader de onschuldige groet 'tschüss’ hoort, trekt hij wit weg, beginnen zijn ogen te rollen en zijn longen te piepen. Altijd heeft de ik gedacht dat de rolberoerte werd veroorzaakt door een zinnetje uit Dagen van de honden, een roman over een herdershond die net als alle andere huisdieren van joden op bevel van de Duitsers moeten worden afgeleverd. De herdershond wordt 'geadopteerd’ door een Duitse SS'er, die hem streelt en tegen hem zegt: 'Tschüss, hondje, hoe heet je joodje dan?’ Natuurlijk blijkt het onbenullige woord de sleutel van een gruwelijk familiegeheim.
Biller laat zien dat verraad, leugens en geheimen de manier zijn om met het voorbije dat nooit voorbij gaat om te gaan. De joden die de oorlog hebben overleefd dragen hun eigen schuld met zich mee, het overleven heeft zijn prijs gehad. Vaak hebben zij het gered ten koste van familieleden, vaak wordt het overleven uitgebuit na de oorlog. Zoals in het wrange verhaal 'Ik ben het, George’, waarin de ik zo de zielige jood uithangt en de nakomelingen van de slachtoffers zo manipuleert dat je er misselijk van wordt. Hoewel, ook in dat verhaal blijft in het midden wat verzinsel en wat waarheid is.
DE DADERS en hun kinderen koesteren zich in hun eigen (zelf)bedrog. Zoals Ida in 'Uit Dresden een brief’, dochter van een befaamde kamparts die in New York onder een andere identiteit een florissant leven leidt. Ook zij doet, walgend van haar monsterlijke vader, aan persoonsverwisseling: ze geeft zich uit voor joodse schrijfster, afstammeling van een bekende joodse koopmansfamilie die naar Amerika is geëmigreerd. De ironie wil dat juist zij door neo-nazi’s wordt vermoord. Als de schuldigen niet liegen, hullen ze zich wel in hypocriete deemoed, zoals de universiteitsdocent in 'Lurie, vroeger en nu’, die een jood die miraculeus aan zijn vervolgers heeft weten te ontsnappen, een 'joodse Billy the Kid’, uitnodigt voor een lezing. Als deze weigert, verzucht de docent: 'Jullie voelen je nog altijd zo verdomd superieur. Jullie geven ons nooit een kans.’
Ooit las ik ergens dat eskimo’s die op een afgebroken ijsschots zitten en een zekere ondergang tegemoet gaan, de tijd die hun rest slijten met het vertellen van grappen. De harde en geestige verhalen van Biller zijn met een zelfde moed der wanhoop geschreven. Allerlei verschillende vormen nemen ze aan; sommige lijken op een sprookje, een gruwelsprookje wel te verstaan, andere hebben de vorm aangenomen van een brief, een liefdesgeschiedenis, een literaire detective. Allemaal zijn ze volkomen authentiek, maken ze een autobiografische indruk zonder direct autobiografisch te zijn. Daarvoor neemt de ik-verteller, ook al is hij vaak een jonge joods-Duitse schrijver, te veel verschillende gedaanten aan. De 'personagevermenigvuldigingsmachine’ maakt niet dat Billers verhalen minder gekweld zijn.