Wat vrouwen bezielt, is over het algemeen walgelijk. Hoe onmogelijker en onooglijker de manspersoon, hoe onvermoeibaarder zij op zoek gaan naar de sleutel. De sleutel tot zijn kern welteverstaan, die toch echt daar ergens, diep verborgen onder dat vale jack met aangevreten bontkraag, wild kloppend moet zijn. Dat ze dan eerst nog een harige schipperstrui over zijn oren moeten zien uit te trekken – heeft-ie katten of zo – en een zweterig nylon overhemd moeten openknopen – C&A-kwaliteitje – en dat hij dan – jezus, wat is dat – ook nog eens een terlenka hemd aan heeft, grauw gewassen en met de gaten erin gevallen, soit. Als dat getourmenteerde schrijvershart hun maar tegemoet bonkt.
Twee jaar geleden, te gast in Amsterdam, werd Michel Houellebecq permanent omcirkeld, zo niet belaagd door bewonderaarsters. Vermoeid, met gesloten ogen, leunde de schrijver tegen de muur van de foyer in onze hoofdstedelijke schouwburg. Stevig doorpaffend, dat dan weer wel, of zo men wil: ook dat nog. Had hij even zijn ogen geopend, dan had hij misschien door de rookwolken heen kunnen genieten van deze speciaal voor hem opgevoerde paringsdans die steeds hitsiger vormen aannam vanwege de moordende onderlinge concurrentie. Alhoewel, genieten…
‘Voor mij is er nooit verlossing’, sprak de meester doodernstig in de documentaire De laatste woorden van Houellebecq, die afgelopen week op de televisie werd uitgezonden.
Precies dát maakt vrouwen gek.
‘Heb je mij al ontmoet, schatje? Ik zal je eens laten zien hoe ik jou kan verlossen.’
Dat idee ja.
Onze eigen Simon Vestdijk zag er volgens ooggetuigen uit als een crimineel die net uit de gevangenis was ontslagen. Kaalgeschoren, nerderig brilletje en ontwijkende oogopslag. ‘Ik ben een probleemgeval’ stond nog net niet op zijn voorhoofd gekalkt. In al zijn linksigheid en geslotenheid maakte Vestdijk een nogal contactgestoorde indruk.
Positief geïnterpreteerd had hij echter ook iets mysterieus, en ernstigs. Gevoegd bij zijn staat van dienst – drie romans per jaar – was een blijk van aandacht van zijn kant in ieder geval heel vleiend. Voor nogal wat vrouwen op wie hij zijn oog liet vallen – niet toevallig vaak dienstbodes, secretaresses en verpleegsters – gold bovendien dat hij in hen de neiging wakker riep hem aan hun boezem te drukken: dit wereldvreemde genie moest gekoesterd en verzorgd worden.
Gekoesterd en verzorgd.
‘Stop me in bad.’
Dat was toch vooral de boodschap die Houellebecq in de foyer van de Stadsschouwburg uitzond.
Maar ja, de avond vorderde, de nacht lonkte. Twee diehards waren overgebleven. Allebei blond, allebei tot alles bereid. Er diende een keuze te worden gemaakt. Want om nou door twee vrouwen in bad en bed te worden gestopt, dat was een tak van sport die Michel Houellebecq, in al zijn doorrookte vermoeidheid, niet helemaal ambieerde. Gewoon, geen gezeik, alle toewijding voor hem en geen onderling gekonkelefoes.
En de meester, hij koos. Zonder dat er een wenkbrauw aan te pas kwam, laat staan een vinger, het oordeel was desondanks duidelijk. De ene blonde mocht mee naar zijn hotelkamer, de andere blonde bleef achter.
Lichtelijk verwilderd blikte deze om zich heen. Opeens was de foyer van de Stadsschouwburg weer ineen geschrompeld tot wat hij was: een armoedige, nauw bemeten ruimte waar Wanhoop & Ik Wil Naar Huis regeerden.
Op dat moment kwam ik in beeld. De walgelijkste vrouw ever ja, want altijd observerend, altijd spionerend. Niet eens vervuld van triomf, want waar had ik die aan verdiend, maar meer een beetje lamgeslagen. Had ik hem niet minstens even op de schouder moeten slaan? Of een vuurtje moeten geven? En nu was hij toch gewoon weg. Verdwenen, voorgoed. Met een lelijke lellebel bovendien.
‘Hé’, sprak de andere, afgewezen lellebel me aan.
‘Wat?’ riposteerde ik, op m’n ondoorgrondelijkst.
‘Weet jij misschien waar hoe-heet-ie uithangt?’
Razendsnel ging ik in gedachten de boekenplanken af. Anker? Bernlef?
‘Je weet wel’, zei ze. ‘Thomas Rosenberg.’
‘O, die’, zei ik. ‘Volgens mij moet je dan naar boven.’
Ik zei het in het wilde weg, maar het klonk vast heel gedecideerd, want ze verdween spoorslags in de richting van de trap. Drie keer raden wie ik een half uur later samen weg zag gaan.